Kapper

 Net lees ik wat W.G.Sebald zei over zijn kappersangst. Die uit de oorlog stamde. En van zijn Fascistische vader kwam. Hij definieert de Fascistische haardracht zo: 'Geen haar die niet parallel aan de andere lag.'

 'Met deze haardracht werden de kinderen in de naoorlogse tijd geterroriseerd. Het was een verschrikkelijke ervaring dat je elke twee weken onder dwang naar zo'n kapper werd gestuurd. Tot de dag van vandaag voel ik als het winter wordt de ijzige wind op mijn schedel.'

 Die kou op mijn hoofd voel ik nog net zo. In Den Haag, in de Appelstraat, was een hypermoderne jongenskapper, waar je nek werd uitgeschoren met een van de zes tondeuses, waarvoor de stroom langs verchroomde kabels uit een rail aan het plafond kwam. Boven op je kop werd de haarlok dan tenslotte schuin afgeknipt, zodat hij 's ochtends nat achteruit gekamd kon worden tot een kuif. Wat niet lang bleef zitten. Vandaar al die scheve lokken op de voorhoofden.

 Hoe kregen Duitse jongetjes als Winfried Sebald (even oud als ik) hun haar dan zo mooi in het gelid? Antwoord: brillantine.

 De topattractie in de Appelstraat was als het knechtje eens per uur het luik uit de vloer lichtte, waar hij al het jongenshaar van de vloeren dan in veegde. Die kruipruimte vol jongenshaar moet er nog zijn.

Tags: 

Lagunes in de tijd

 W.G.Sebald wilde 'de doden recht doen'. Beet zich vast in de jongste Duitse geschiedenis. Schaatsen op schrikbarend dun ijs. Daarover heeft hij het onder meer in de interviews, gebundeld in 'Auf ungeheuer dünnem Eis', gesprekken tussen 1971 en 2001.

 Sebald, de Duitser die al heel lang woonde en werkte in Norwich, voor hij in 2001 stierf bij een auto-ongeluk, praatte graag en veel. Over vragen als, hoe we worden wie we zijn?

 Tegen Piet de Moor van het Vlaamse Knack in 1992: 'Ons leven wordt door onze fantasie gevormd, door de fantasie van anderen. Het troostende van kunst bestaat erin, dat je in een kunstwerk, tenminste als het gelukt is, een vluchtig, zichzelf regulerend evenwicht bereiken kunt. Dat is het mooie van kunstwerken, waaruit de tijd verdwenen is.'

 Over een schilderij uit 17de eeuw: 'Het is een momentopname voor eeuwig.'

 En dan: 'Veel mensen vragen me: Waarom schrijft u eigenlijk nog als u zo'n pessimistisch wereldbeeld heeft? Het is een poging heel kleine, van de tijd afgezonderde lagunes te scheppen.'

 Precies dat zijn de boeken van Sebald, ook al gaan ze over het zwaarst denkbare.

Tags: 

Achter foto’s

 W.G.Sebald gebruikt vreemde foto's binnen de tekst van zijn boeken. In de gesprekken, gebundeld in 'Auf ungeheuer dunnem Eis' verkla­art hij hoe en waarom.

 Foto's, vooral zwartwitte van vroeger, laten iets zien van de wereld tussen leven en dood. Op een manier die geschreven tekst niet kan. Kort voor zijn dood zei hij over de foto van de vierjarige Kafka in een vreemd matrozenpakje:

 'Als je aan deze foto denkt (...), hoe hij met een absoluut troosteloze uitdrukking, met deze reusachtige donkere ogen in de camera kijkt of half voorbij de camera, met wat neergeslagen blik, dan merk je dat er in dit beeld al iets is dat de later volwassen man nooit de baas zal kunnen.'

 'De fotografie halverwege leven en dood,' zegt de interviewer.

 Sebald antwoordt: 'Ik geloof dat de zwartwitfotografie, bijvoorbeeld de grijze gedeelten in de zwartwitfotografie precies dat territorium aanduiden dat tussen leven en dood ligt. In de archaïsche fantasie was het immers in de regel zo, dat je niet alleen het leven had en dan de dood, zoals we het tegenwoordig vermoeden maar dat je daar tussenin dat reusachtige niemandsland had, waar de mensen steeds rondwandelden en waar men niet precies wist hoe lang je er moest blijven, of het een christelijk Purgatorium was of een woestijn die je moest oversteken tot je aan de andere kant kwam.’ 

Ruïne

 Alle avonden zie ik het puin van Aleppo, Homs of Gaza, en weet wat de kinderen zullen doen als ze ooit terugkeren. Al zijn velen gevlucht om nooit meer terug te keren.

 Boekenweekthema is nog steeds Duitsland. De grootste ruïne die Europa ooit kende. W.G.Sebald (1244-2001) wilde recht doen aan wat was, aan de mensen die waren. Hij was een jaar jonger dan ik. Zijn omvattende thema is dat van de vluchtelingen.

 En nu Aleppo. Er zal een nieuwe, Syrische Sebald opstaan die recht doet aan de nieuwe stroom vluchtelingen, de doden. Hun verhalen. Een volgende Al Galidi.

 Mijn eigen jeugdruïnes zijn de Zutphense van kort na 1945 - de stad werd door de Canadezen gewapenderhand ingenomen. Mijn moeder kreeg een miskraam in de kelder.

 Huizen en straten waren weg. Ik speelde in de zon, tussen bouwvallen en huizen waarvan alleen een trap omlaag restte, een volgelopen kelder in. De waterkelders, waar je kikker­vis­jes ving, tussen het oorlogje spelen door. Ik had een Canadese helm en patroonhulzen.

 Van de week vond ik het boekje 'Hoe zeg ik het in eenvoudig Hongaars.' 

 En wist weer: het had een haar gescheeld of mijn ouders hadden een Hongaars gezin in huis genomen in 1956 na de mislukte opstand tegen de Russen van Imre Nagy.

Trümmer

 'Kennst du den?' vroeg Herribert, met grote ogen, bedoeld om angst aan te jagen. Hij was het zoontje van de leraar Duits in Keulen waar ons gezin vaak logeerde. Hij hield de helft van zijn zwarte zakkammetje onder zijn neus. We speelden in de achtertuin aan de Klettenberggürtel. Een luxe, ongeschonden allee. Gierend van de pret verdween hij.

 Verderop was het anders. De trams reden. Naar het station, dat wel. Maar mijn Duitsland was het Duitsland van de Trümmer. Puinhopen, houten hutten midden in de stad, bidonvilles, met modderige paadjes. Slatuintjes ertussen. Voor een jongen machtig interessant.

 Er waren twee mogelijkheden ofwel, iets was kapot of ganz nett wieder aufgebaut. Nog kan ik niet door Duitsland rijden zonder die blik. Resten van vreemde, Wilhelminische stati­ons en postkan­toren. Waarvan alleen de onderlaag gespaard bleef. Wat de vuurstormen van de geallieerde strafbombardementen van Bomber Harris overlieten. In Hannover zag ik zo'n onderbouw waar stoom­lo­komotieven doorheen tuften door stations van triplex en hardboard, krom­getrokken van het vocht.

 W.G.Sebald heeft de Duitse schrijvers verweten dat ze de vuu­rst­o­rmen onbeschreven lieten. Duitsers wilden de gruwelen niet weer oproepen, zegt Sebald in zijn 'Luftkrieg und Literatur'.

 Maar de Zweedse schrijver en journalist Stig Dagerman maakte het goed in z'n onvergetelijke reportage 'Duitse herfst'. Hij was er in de jaren '40.

 Dat boekje heruitgeven, dat zou nog eens wat wat zijn in een Boekenweek op het thema Duitsland.

 Niemand leert meer Duits op school, terwijl Duitsland onze belangrijkste partner is, niet alleen in de handel.  We zijn een eenkennig landje geworden. 

Op schrikbarend dun ijs

 Zal de Nederlandse titel worden van de - nog onvertaalde - gesprekken van journalisten met W.G.Sebald (1944-2001). Een selectie vol wetenswaardigheden. Vanwaar die titel?

 Kort voor zijn dood zei Sebald tegen een Amerikaanse interviewer dat hij het geloof in 'de controleerbaarheid van zijn eigen biografie' rond zijn vijfendertigste had verloren: 'I'm out of control' is de kern van de zelfbeschrijving die hij geeft. 'Wat zich voordoet is altijd het onverwachte.'

 Ik herinner me de verhalen van vriendin Ria Loohuizen uit Norwich, waar ze met Sebald samenwerkte, over de ‘toevalsclub’ die hij grapsgewijs stichtte. Zie eerder in Avondlog

 Het inzicht in de instabiliteit en onberekenbaarheid van het eigen leven komt in de verzamelde gesprekken in steeds andere samenhangen voor. De beelden die Sebald daarbij gebruikt zijn vaak die van vallen, kantelen of inbreuk.

 Geschokt is hij bijvoorbeeld als het ouder worden van zijn ouders tot hem doordringt en hij moet inzien dat een nu meer dan tachtigjarige 'toen pas tweeëntwintig moest zijn geweest'.

 En dan zegt hij dat hij bij zichzelf heeft vastgesteld 'dat we ons steeds op schrikbarend dun ijs bewegen, dat we elk ogenblik weggerukt kunnen worden, dat het geheel van een breekbaarheid is die je bijna niet toelaat van de ene dag naar de andere te komen, en dat je, als je dat onder ogen ziet eigenlijk weet dat je alleen maar stil zou moeten zitten en je niet bewegen, opdat alles als het kan maar langzaam vergaat.'

 Vier jaar later kreeg Sebald bij Norwich, waar hij woonde, een hartaanval achter het stuur. 

Sebalds geboorteland

 Zo W.G.Sebald (1944-201) iets was dan een reiziger, schreef ik. Hij reisde vaak vanuit Norwich, waar hij doceerde, naar het con­tinent en vooral zijn geboorteland, maar altijd als een bezoeker. Zoals in 'Op een herfstochtend in '94', uit de nu vertaalde gedichtenverzameling Over het land en het water. Helmut Kohl is nog Bundeskanzler.

 'op een onbemand station/ van Wolfenbüttel/ wacht ik op de motor/ wagen van Göttingen naar/ Braunschweig. Schapen/ wolken staan aan de hemel/ af&toe dwarrelt er een blad/ van de bomen een bejaarde man/ in een bruine kniebroek rijdt/ op een damesfiets dwars/ over de rails. Ik hoor

 de klokken luiden herinner/ mij de kathedraal van Naumburg & de domkerken/ van Ulm & Freiburg de/ O.L.Vrouwekerk in München/ lang voorbije oudjaarsavonden/ & andere rampen./ Videotheek Herzog August/ een erwtenworstkleurig/ gebouw met uniforme ramen/ is gesloten maar de kiosk

 tussen de döner kebab/ & kapsalon Wellaform/ is open voor mensen die/ even gauw de Bild komen/ halen of een pornoblaadje./ Op het plein bij een met rode rozen/ begroeid schaarhek/ een klein groepje/ weerbestendige drinkers/ met baarden & baseball

 petjes als gouddelvers/ uit de Australische/ outback zien ze eruit./ De fles Chantré gaat/ rond & vanaf een/ verkiezingsaffiche/ op de reclamezuil/ kijkt de vader van/ het Duitse volk/ bezorgd zijn/ herenigde land in.

Sebald begon pas in 1990 met prozaboeken, maar schreef zijn leven lang al gedichten. Meest prozagedichten. Aantekeningsgewijs.

 

Tags: 

Sebald in Holland

 Als een gedicht heet 'Door Holland in het donker' en de eerste twee regels luiden 'In de kassen/ loeren de komkommers' lees ik even niet verder. W.G.Sebald kwam vaak in Nederland. Andermans ogen doen een land goed, zoals deze in de gedichtenverzameling 'Over het land en het water'.

 Voor ik verder ga moet ik terug. Naar Sebalds bezoek aan Den Haag in De ringen van Saturnus (ong. 1994). Hij komt op een warme dag aan op Hollands Spoor en logeert in een 'twijfelachtig' hotel aan de Stationsweg. En dan komt deze zin: 'In elk geval zaten in recep­tienis van het zelfs de bescheide­nste reiziger met een gevoel van de diepste terneergeslagenheid vervullende etablissement twee niet meer zo heel jonge, kennelijk met elkaar verbonden heren en tussen hen in, inplaats van een kind zogezegd, een abrikooskleurige poedel.'

 Die avond loopt hij rond door de desolate, dichtgetimmerde - nu goeddeels gesloopte - stationsbuurt vol allochtonen, koopt een zak chips en raakt bijna betrokken in een steekpartij. De dag daarop bereikt hij het Mauritshuis. Daarna besluit hij naar zee te wandelen. Dat is nog ver. Uitgeput valt hij voor het Kurhaus op het strand in slaap en wordt pas 's middags wakker.

 'Ik hoorde het ruisen van de zee, verstond half in mijn droom elk woord Hollands en geloofde dat ik voor het eerst in mijn leven aangekomen was, thuis

 

Tags: 

De gedichten van W.G.Sebald

 W.G.Sebald (1944-2001 blijft op vele manieren onder ons. Al is er nog steeds geen biografie. Nu met de gedichtenbloemlezing 'Over het land en het water'. Sebald, altijd op zoek, altijd onderweg, door het landschap, door de tijd. Als student schreef hij al (1964):

 'Moeilijk te begrijpen/ is namelijk het landschap/ wanneer je in de sneltrein/ van daar naar ginds voorbijrijdt/ terwijl het zwijgend/ toekijkt hoe jij verdwijnt.'

Reizen en reizigers. Landv­e­rhuizers als hij zelf - geboren in Wertach, Schwaben, geëmigreerd naar Norwich, waar hij Duits doceerde. Een schrijver voor deze eeuw van volksverhuizi­ngen. Die slag levert met de vergankelijkheid. En recht wil doen aan wat en wie was. Zoals Beethoven in 'Mölker Bastei' - al spelt hij het anders - het adres van de componist, nu museum, in Wenen (1974):

 'Beethovens kamer/ is opgeruimd nu

 De schilderijen recht/ de gordijnen gewassen/en elke week de vloer/ opnieuw geboend

 Maar de stoel/ achter de vleugel/ is weggehaald

 Toch komt hij soms/ 's nachts wat componeren/ staande

 Als voorschrift alleen/ met de hoorbuis/ luisteren'

Vertaald, als al zijn andere werk door Ria van Hengel.

Tags: 

Grasspriet

 Vanmiddag voor het eerst een grasspriet als boekenlegger gebruikt. In de verzamelde interviews van en met W.G.Sebald: 'Auf ungeheuer dünnem Eis'. Waarin ook het gesprek dat hij in 2001 had met Jean-Pierre Rondas voor de Vlaamse cultuur­zender Radio Klara. Sebald kwam vaak en graag in België, per auto of met de trein, halverwege Schwaben waar hij vandaan kwam en Norwich waar hij als emigré doceerde.

 In de jaren '60 had hij in Brussel een vriendin die als au-pair werkte bij een EEG-burocraat. Zijn roman Austerlitz speelt er voor een deel.

 'Hoe meer ik van het land gezien heb, hoe vreemder het me voorkwam. Het is werkelijk aan de ene kant het centrum van Europa en aan de andere kant leek het me iets totaal extraterritoriaals, een plaats met louter eigenaardige zaken.  En dat beviel me, onmiddellijk, waar ik ook was, in Luik of in de kustplaatsen, Zeebrugge, Oostende. Als je met de trein vanuit Antwerpen in Brussel komt bij het Noordstation, dan rijdt de trein over een viaduct met links onder je een straat  waar je op zondagmorgen de hoeren voor de ramen ziet zitten...'. (..) België komt in mijn boeken bijna overal voor, eens of ergens aan de rand duikt het op. België staat voor mij voor Europa.'

 Het zou mooi zijn als Ria van Hengel ook deze bundel gesprekken vertaalde voor de Bezige Bij. Terzijde: in die nu verdwenen hoerenstraat logeerde ik eens en maakte een nachtelijkse politie-inval mee in een inmiddels afgebroken hotel. Er staan daar nu glazen torens. Ook dat is België. De macht van de ímmobilieën. 

 

Tags: 

Pagina's