Plaid

Mij eerste plaid was die van tante Wies, die in Engeland had gewoond en 'jam'op z'n Engels uitsprak. Zelfs de Maggi sprak ze uit als 'Mekki'. En haar hond heette Naughty. Ik verbeeld me dat ik nu weer onder dezelfde plaid lig als toen in Leersum, waar ze woonde. Weer probeer ik de overgangen het zich herhalende ruitpatroon te vinden. De plaid is een halverwege. Tussen zomer en winter, ziek en gezond. Ook nu probeer ik de lighouding te vinden waarin het lijf zich wil schikken. De neus tenslotte tegen de dekenrand. 

De taal der ziekte komt ook nu. Met verhoging',  'instoppen' en 'toedekken'. Ook eetwoorden als 'geen trek', waarna het kopje bouillon oprukt. De plaid weet er alles van, met z'n schotse ruit en z'n geur van generaties verhoging. Schoolziek ben ik, ik weet het. De wereld weet intussen van geen ophouden, fietst in razend tempo voorbij.  

Wegraking

De eerste keer dat ze water over mijn hoofd gooiden, tegen mijn wangen sloegen en hee tegen me riepen was tijdens de dodenherdenking op het gymnasium. Na ellenlange voordracht en klassieke muziek moet ik vanuit mijn staande houding als een zoutpilaar recht vooruit zijn gevallen en neer gekomen op mijn voorhoofd, waar nu een buil groeide.

Ik werd wakker in het kantoor van de administratie waar mevrouw van der Laan me een fles onder de neus hield waaruit een verpestende stank opsteeg die me liet opschrikken. Waarbij het woordje 'vlugzout' hoorde, dat heel een verleden meebracht. Een wereld van adellijke dames waaruit ik zo snel mogelijk wilde ontsnappen. Maarja, dit was ook niet zomaar een school.

Wat ik had meegemaakt werd ''een wegraking' genoemd. Juffrouw Klink, de kwieke lerares Frans, bracht me in haar Fiat 600 naar huis. Heel haar auto rook Frans. Ik zag uit op haar hoge laklaarsjes. Nee jongens hoorden niet flauw te vallen.

Vorige week gebeurde me het zelfde, maar er was geen vlugzout, wel de huisdokter, die mijn levenslange raadsel oploste met een nieuw woord: ''lage bloeddruk''. Misselijk en duizelig. languit liggen en zweten. En na al die jaren een uitleg. Er was kortweg niets aan te doen. Hooguit je vuisten ballen. 

Vlugzout bestaat niet meer.

Zomer

Een stilte waarin je eens – heel in de verte – de bel van Jamin, de eerste gemotoriseerde ijskar met zijn ‘dubbeldik’  hoorde naderen. Misschien ook een drumband. Straks zouden de moeders met hun portemonnees in de hand naar buiten komen.

Achter zo ’n drumband  heb ik meermalen de Duinenmars uitgelopen, de Rode Kruis mars, de Sint Jorismars.  Strak in het gelid, zodat je niet de groep uit mocht om te gaan pissen en het moest laten lopen.

Waar bleef de zakdoek met vier knopen aan de hoeken als hoofddeksel? Ach, er zijn weinig zakdoeken meer. 
Mijn laatste kreeg ik van Els Moors en die heb ik altijd in hun doosje bewaard. Aan de overkant vliegt een koolwitje tussen de brandnetels en het is stil.

it bij wijze van oefening. Later meer.

 

Zacht

Behandel de dieren met zachtheid. Spaar de vogels. Stond op de bordjes rond natuurgebieden. Ook ik wil graag met zachtheid behandeld worden. Vooral door nieuwslezers.

Met nieuwslezers en –lezeressen ontwikkel je een band. Er is in ons land vanouds een strenge, rechtlijnige school van nieuwslezen. De lezer of lezeres dist neutraal de rampen op. Annechien is er zoeen, al voegt ze soms een frivool leren rokje toe. Rob Trip blijft ook onbewogen.

Hoe anders zijn de Belgische huisgenoten! Ze vertellen je het nieuws, laten soms ook merken dat het ze raakt. En af en toe een glimlach loslaten.  Annelies van Herck zie ik zo graag, Wim de Vilder ook. Zij mogen soms ook korte gesprekjes doen met nieuwspersonen, waar bij ons de talloze talkshows het aanbod kaal grazen.

Maar mijn kampioene is Goedele Wachters. Zij heeft de passende mimiek bij alle soorten berichtgeving, is zeer aantrekkelijk en kan de wereld toedekken met een glimlach waarin o zo veel schuilgaat, speciaal bedoeld voor mij.

Uitzicht

Beterschap. Meer dan een mens aankan. Nu maar zien of mijn neuropathie er iets mee kan. Nee, corona is het niet.

Maar mijn straatzicht en de overburen heb ik terug. Overbuurvrouw met een nieuwe fiets en langer haar dan ooit, meer voorbijgaande rugzakjes ook. De acacia-plumeau reikt hoger dan ooit en plant zich voort langs de gevel.

En dan de damesbroeken, waarin de draagsters zich uitleven sinds de stretch-jeans weg zijn. Ruim gesneden en vol bizarre fantasiemotiefjes. Terwijl daaronder strak getrainde ledematen bewegen op de fiets.

Dit is geen straat waar overbuurvrouwen elkaar toewuiven met stofdoeken. En kleedjes kloppen buiten is sinds de jaren ’30 nog steeds verboden. Nu bevatten die vloermatten ook Covid 19 denk ik. Alles komt terug.

Family Guy

Wat me in mijn bedlegerige maanden erg hielp was de strip Family Guy, vooral met de domme hangbuik-vader Pete en bovenal met het hyperintelligente duo baby Stewie en zijn hond Brian. In stijl verwant aan de Simpsons, maar in de teksten onvergelijkbaar snedig.

Family Guy gaat over alles, heel de wereld zoals de televisie die vertoont en dan geanimeerd zoals alleen strips dat kunnen. Je denkt iets en het is zo, de werelden van Me Too, black Lives of feminisme buitelen over het scherm, doodleuk en kalmpjes gadegeslagen door Pete en zijn gezin.

Maar baby Stewie – altijd nog met luier - en hond Brian gaan met dit speelgoed aan de haal, wat voor rampen er ook van komen.

Family Guy is bovenal een laconiek antwoord op de heersende hysterie. Een Nederlandse versie met Broekers-Knol, Rutte en Baudet zou erg welkom zijn. Stewie en Brian weten wel raad met ze.

 

Duizelngen

Duizelingen

Welke kwaal me sinds januari begeleidt weet ik niet. De dokters ook niet. Duizelingen zijn een symptoom. Net als niet kunnen lopen en evenwichtsstoornissen. Ik lig in bed zoals vele zieken, en kijk uit het enige raam binnen mijn gezichtsveld.

Daar zijn bloemen te zien en verderop bomen, die nu van ver wuiven in de wind. De klimmende winde maakt elke dag nieuwe paarse, roze of witte bloemen die ’s nachts sterven, de geraniums doen hun werk, maar ik kan ze van hier niet ruiken.

Het meisje van de kapper aan de overkant laat een klant binnen. Zij is nieuw. Hoe vreemd, alles is nieuw, ik heb een aftastende blik ontwikkeld.

Om mijn werkhok met PC te kunnen bereiken heeft vriendin drie toestellen laten komen waarmee ik me kan verplaatsen. Dat lukt nu, de wereld opent zich, boompjes en struiken halen 8 maanden groei in. 

Uddevalla

 Waar was ik? Noorwegen? Zweden? Er leek geen eind te komen aan de dennebomen. Ik had de nacht doorgebracht in m'n tentje in een bos en was gewekt door grote brokken steen die er op vielen. Buitengekomen zag ik arbeiders bezig stukken rots op te blazen. Weg hier dus. Verder.

 Eindelijk kwam ik aan de oever van het zoveelste meer, met grote stapels boomstam­men en luide zaag­machines. Maar waar? Ein­delijk kwam er een bord, met daarop het woord Uddevalla.

 Omdat ik nog rookte was een greep in mijn jaszak voldoende voor de bijbehorende woorden: 'Sakerhets tandstickör' en 'The Swallow'. Met medailles van wereldtentoonstellingen.

 En de wereld opende zich. Daar was het meisje van de lucifer­fabriek gespeeld door Kati Outinen, uit de meesterlijke film van Aki Kaurismaki.

 Ik gebruikte de lucifers, gespleten, vaak om troep tussen mijn tanden vandaan te halen. Kon een lucifer in het Zweeds ook een tandenstoker zijn?

 Ik wist nu tenminste hoe Kaurismäki aan z'n debuut was geko­men.

Bootje

 Het was kort nadat ik het Twentekanaal in het echt had gezien, een brede stroom vol grote en kleine boten. Vanuit de auto van meneer Besseling, waarvan de achterbak vol lag met dozen vol flessen wijn en jenever. Meneer Bes­seling was een grappen­maker.

 Hij kon zijn auto met een 'let op' kaars­recht op een lan­taarnpaal afsturen zodat zijn zoon Bertje en ik gilden van schrik. En dan op het laatste moment het stuur omgooien.

 Een dag later zat ik op de stoep met de jongens uit het buur­tje in de zon en vertelde een verhaal dat ik ter plaatse verzon zoals ik vaker deed. 'Ik heb een bootje,' zei ik. 'Het ligt in het kanaal. Jullie mogen allemaal meevaren. We varen tot de spoorbrug.'

 In mijn verbeelding zag ik het bootje het was wit, met een rode streep opzij. Ik zag het liggen. Als je maar hard genoeg denkt is zo 'n bootje er ook.

 'O ja,' zei Bertje, en hoe heet dat bootje dan?'

 Ai, een blunder. Alle boten hadden een naam, maar de mijne niet. Ik kon er geen verzinnen, zo vlug. Ik viel in een gat.

 'Zie je wel, je liegt,' zei Bertje, 'je hebt helemaal geen bootje.'

 Je kunt geen bootje verzinnen dat er dan ook echt is. Je moet opletten wat je zegt.

Kaiserstuhl

 Op de Kaiserstuhl, een bultberg met wijngaarden aan de Rijn halverwege de Noordrijnse laagvlakte vond ik, na een rondwan­deling met uitzicht over de rivier, die in de verre schemering ver­zonk, eindelijk een hotel. Was het hier dat Arnon Grunberg met zijn moeder logeerde?

 In het hotel hingen geen schilderijen aan de muur, maar in­gelijste, pagina's uit Illustrierten van vroeger. De Stern, de Neue Illustrierte, de Bunte, Burda en zo meer, de Bild niet te vergeten. Die layout! Zo keurig als het verleden daar hing. Het v­eranderde niet, alle dagen. De gezichten van Claus B­iederstä­dt, Vico Torriani, Catharina Valente - Zwei kleine Italiener, am Banhof da sieht man sie - en het bijna vergeten Hazy Oster­wald Sextet. De Nederlandse televisie zond Duitse shows uit, Rudy Carrell trad in Duitsland op en dat zag je dan weer hier.

 Hazy Osterwald, de kleine bebrilde Zwitser, was een uithang­bord van de Euro­pese integratie, de drummer was een Belg, de saxof­onist een Fran­sman en zo door. En nu vergeet ik Alfred Biolek met Bio's Bahnhof, die zijn hele show vanaf een station deed. En dan de gezichten. Van Karin Baal, Elke Sommer en de Kessler tweeling Alice en Ellen.

 En de jongens, van Hardy Kruger, Jan en Kjeld en Peter Kraus tot Gunther Sachs von Opel en mijn favoriet Horst Buchholz. De Duitse James Dean. Ze hingen hier allemaal.