Eten met Hergé

 'Als we klaar zijn neem ik jullie mee uit eten,' zei Hergé  tegen de cameraman, de geluidsman en mij. 'Heel bijzonder eten.'

 Nog een paar tussenshots van de tekenaar naast het borstbeeld van Kuifje in zijn werkkamer en een rondgang door de studio aan de voorkant, waar de mooie, parelgrijze vrouw pagina's inkleurde en dan de kleine man die niets deed dan nauwkeurig verkleinde auto's en vliegtuigen. 'Je ziet, alles moet kloppen,' zei Hergé. Om ons heen bewoog bedrijvig zijn secretaris baron Baudouin van den Brande de Reet.

 En toen langs de vitrine met Kuifje attributen - ach het vaandel van de harmonie van Molensloot - dan met de met lift naar beneden en de straat op naar links. De eerste linksaf en toen, vrijwel tegenover het achteruitzicht van de studio... Dit was het bijzondere eethuis dus. Voor mij een doodgewone Chinees, met rode, ronde lampen en slordig gefiguurzaagde Chinese motieven in zwart en goud. Zoals je er in Amsterdam toen nog tientallen had. Maar ik moest doen of het voor mij ook heel bijzonder was.

 Hergé kwam hier vaker omdat het hem deed denken aan zijn Chinese vriend Tsjang die ik vast nog wist uit De Blauwe Lotus. Het totaal onbijzondere interieur kreeg ook alle aandacht.

 'Het spoorwegincident van Moekden' wist ik nog van de colleges van Leonard C.Biegel, het begin van de Japans-Chinese oorlog. Tsjang komt meermalen terug in de Kuifje-boeken. 'Ik moet hem schrijven,' zei Hergé nog.   

 ps. De film die we maakten staat nog steeds op internet.

Tags: 

Nieuwbraak

 Diep in de jaren '80. En dan zeggen ze er trots bij 'van de vorige eeuw', alsof ze de baas zijn over de eeuwen. Ja welke anders, ik heb het niet over 1880. Was er een radiogesprek over architectuur met oa. Carel Weeber. Die zo kleurenblind was dat zijn Haagse Madonna wel zwart moest worden..

 Waarin ik eerst Nescio aanhaalde, die over architectuur schreef 'mooie oude gebouwen afbreken en er lelijke nieuwe voor in de plaats zetten'. waarna ik brutaal poneerde 'er mogen wat mij betreft nooit meer oude huizen worden afgebroken'.

 En ja, na die tijd werd veel bewaard door het in te bouwen in iets moderns en kwam ook de oud-nieuwbouw op die net echte huizen in jaren '30 stijl met donkere steen neerzette.

 Zouden die ook echte kelders en zolders hebben? Zolders om appels op te drogen tot ze rimpelen? Kelders om in te bewaren wat nu in vriezers verdwijnt. En vooruit, een vliegenkast op het balkon. Maar nee. Nescio, die sprak over 'de grafzerk van Amsterdam naar Nijmegen' is niet meer

Ingepakt

 Christo is gestorven. Ik was in Italië toen hij zijn laatste werkstuk afleverde, het als Christus 'lopen over het water' van een menigte mensen in het Lago d'Iseo.

 Er dreigde een storm, maar die ging liggen voor Christo het geheel moest afblazen. Er bestaat een film van een uur waarin je hem (84, geestig en erg aardig) in de weer ziet in Iseo.

 Het Lago d'Iseo, dat ik ken. Als je er overheen roeit wordt de steile rotswand aan de overzijde steeds steiler en steeds hoger. En jij steeds kleiner weet je hoe klein je zelf bent. Er is daar niets. Het meer, een smalle autoweg en dan de torenhoge, steile rots. Zo kwam ik dichter bij wat Christo dreef, denk ik.

 Ik ben al heel lang een bewonderaar. Maar waarvan en waarom? De macht over een rotswand of een meer. Of zoiets kolossaals als de Arc de Triomfe van 60 meter, want dat wordt zijn postume project. Ik stond daar eens bovenop, achter de dunne balustrade.

 Het temmen van een Mammoet? Het bouwen van een kathedraal? Iets reusachtigs naar je hand zetten? Het tarten van de menselijke maat? Architectuur is groot versus klein, dat begint bij de piramides en de toren van Babel.

 Zoals je als architect altijd een paar argeloze wandelaars of boompjes moet tekenen bij je ontwerpschets van een wolkenkrabber.

Tags: 

Holle weg

 Waar het gymnasium goed voor was heb ik in zes leerjaren niet kunnen ontdekken. Vooral de Oude Talen - twaalf uur in de week Latijn en Grieks – gleden van niets naar nergens. Een paar regels per les, van Xenophon, Caesar of Sallustius, en later Plato en Vergilius, zonder dat er bij verteld werd waar het boek over ging, laat staan wat er aardig aan was.

 Jan Van Gelder moest met ons Xenophon doorworstelen. Een eindeloze herhaling van de etappes in de rampspoedige terugtocht van Alexanders soldaten naar huis. Een comateuze ervaring voor leraar en klas. Ik althans ging me vereenbzelvigen met de sjokkende Griekse soldaten.

 Elke dag werd door Xenophon weer genoteerd hoeveel parasangen (lengtemaat) er enteuthen ('vervolgens' ) waren afgelegd. Met als enige oprispingen soms een 'holle weg'. Van Gelder legde zijn Lexington dan in de asbak, verrees van zijn stoel, pakte het krijtje en schetste erg slordig op het bord hoe de vijand zijn hinderlagen legde, door zich bovenop de randen van de holle weg te verschuilen met hun speren en pijl-en-bogen. En ja, Xenophons troepen marcheerden daar telkens weer nietsvermoedend onderdoor. Tot een regen van pijlen ze trof.

 Weken, maanden gingen voorbij tot ze de eindelijk de zee - 'thalassa, thalassa' in zicht kregen. Het enige dramatische moment in het hele boek.

 ps. Maar de Odyssee is goddank bij me gebleven , tot vandaag.

Berggraven

 Lang geleden stond er een stukje in de Margriet over de Cinque Terre. Een Terra is een stad of dorp met omgeving. De vijf dorpen ten zuiden van Levanto aan de Tyrrheense kust waren nog onontgonnen gebied.

 Er liep een spoorlijn door tientallen tunnels richting La Spezia. Licht, donker, zee en landschap wisselden elkaar snel af. Later ging ik te voet. In het eerste dorp, Monterosso was een steil pad omhoog. Een forse klim. En vreemd genoeg langs het pad, de trappen omhoog, liepen verroeste kabels. Waarheen? Een steengroeve? Een wijngaard? Nergens een richtingaanwijzer gezien. Steeds dieper onder ons klotste de zee tegen de rot­sen. Eindelijk kwamen we bij een klein plateau. Met hier en daar wat wel grafzerken moesten zijn. Dus? Dus!

 De kabels waren een lift voor lijkkisten die hier moesten worden bijgezet. Niet vreemd. Monterosso was geheel tegen de steile bergwand aan gebouwd, ruimte om de doden te begraven was daar niet. Vandaar deze oplossing.

 Te beduusd om foto's te maken daalden we af.

Tuinbonen

 Binnendoor, vanaf Terni langs de bovenloop van de Tiber op weg naar Rome kwam ik bij wat eens een beroemde plek was geweest, de Cascata delle marmore waar Pausen als Clemens 8 en Paulus 3 mediteerden en tot rust kwamen.

 Gebouwd bij drie tezamen 165 meter hoge watervallen in de rivier stonden wat renaissance prieeltjes met zuilen bij Pauselijke uitzichtpunten. Paulus liet nog een kanaaltje aanleggen om extra water aan te voeren. Een parkje lag er achter. Maar de watervallen deden het niet. Aan een groepje arbeiders in overalls die daar in het gras zaten te picknicken vroeg ik waarom niet.

 'Niet genoeg publiek,' wisten ze. Pas als er genoeg volk is zetten ze het aan. Het bleek dat je de watervallen met oude sluizen kon bedienen. Er stonden ook borden die waarschuwden dat er geluidssignalen zouden weerklinken als de waterval werd aangezet.

 Ik vroeg wat ze daar aan het eten waren. In vuilniszakken hadden ze ongepelde tuinbonen meegebracht die vlot naar binnen gingen. Of we wilden proeven?

 Heerlijk, die rauwe, jonge tuinbonen. 'Niet koken, niks meer aan doen. Zelfs geen zout.'

 De Romeinen begonnen hier in 270 na Chr. al uitspanningen te bouwen. En Lord Byron schreef er een verbluft gedicht over.

(Jacob Philip Hackert)

Prikkeldraad

 Je houdt je vast aan het paaltje en zet een voet op het doorbuigende prikkeldraad. Dan spring je het verboden gebied in. De duinen, waar de bramen nu wel rijp zijn.

 Er zijn tussen de paaltjes drie draden gespannen. Kleinere jongens konden wel tussen de onderste en de middelste draad door.

 Prikkeldraad, 'Stacheldraht' betekent overal het zelfde: oorlog. D tegenpartij waren hier de duinwachters. Eenmaal werden we gegrepen, onze blikken vol rijpe bramen.

 Er zijn twee soorten, de 'bedauwde', de lekkerste, en de glimmende. Juist wilden we het duingebied verlaten, met onze blikken vol bramen, of daar stond opeens een duinwachter in groen uniform met een hond.

 Hij bekeek onze oogst van de middag met een meewarige blik.

 'Keer die blikken maar om', beval hij. Na enige aarzeling deden we het, wat konden we anders?

 De duinwachter schopte nog een paar keer een bergje duinzand over onze voorgoed oneetbare oogst. 'Zo. Dat zal je leren.'

 Eenmaal heb ik geprobeerd aan zo'n man te ontkomen. Te haastig. Tot de dag van vandaag getuigt een langwerpig litteken van de diepe snee die het prikkeldraad maakte.

Vlucht

 Het eerste woord dat ik op straat leerde was 'vijand'. Dat sloeg op jongetjes uit naburige buurten of straten. We bouwden verdedigingswerken, tekenden plattegronden met onze geheime vluchtroutes.

 Best mogelijk dat ik de enige was die het zo ernstig nam.

 De meest gevreesde vijanden waren de Indische jongens op hun snelle brommers, daarna kwamen de Loosduiners. Sterke Tuindersknechts. Nog zie ik ze tegen een grauwe, lage lucht komen oprukken, in de verte opzij van de Laan van Meerdervoort, achter Meer en Bos. Gewapend met stokken en stenen. Ik hield stand, naast het eindpunt van lijn 2, waar de auto's geparkeerd stonden van de bewoners van de nieuwe flats. Toen kwamen de Loosduinse katapults in actie. Naast mij vloog een grote steen tegen de panoramische achterruit van een nieuwe Chevrolet, die in duizend stukjes ineen zeeg. Je jongens keken naar mij, ik was immers bevelhebber.

 We moesten vluchten, besloot ik. Het zou moeten worden wat de Wehrmacht een 'Strategische Terugtocht' noemde.

 Ik had hem uitgetekend. Onderlangs de vijver en dan Meer en Bos in, naar onze boomhut. Daar bleven we hijgend zitten. Het duurde lang voor ik een verkenner durfde uitsturen. Die immers zou onze schuilplaats kunnen verraden.

Thee in Brussel

 Toen het 'ijs eenmaal gebroken' was bij mijn bezoek aan W.F.Hermans in de Brusselse Atrebatenstraat - bij het Jubelpark - kwam de man ter sprake die ik kende uit het onovertroffen boekje, de Belgische dichter en radiomaker Freddy de Vree: 'De aardigste man ter wereld', met wie ik een radioserie maakte over Hermans.

 Freddy - 'Freddy, ach mijn Freddy' - had hem aan dat huis geholpen 'veel te duur'. En was de enige die hem bij elk nieuw boek steeds weer mocht interviewen.

 Toen kwam mevrouw Hermans, Emmy - uit haar keuken in het achterhuis vandaan met de thee. Bijzondere, door haar zelf gemengde thee. 'Ja,' zei Hermans, 'u drinkt thuis natuurlijk van die zakjes. Maar dit is iets heel anders. Proeft u maar. Ach weet u, wat er in die theezakjes zit? Nou, als ze aan het eind van de werkdag de vloeren van zo'n theepakhuis aanveegden, dan deden ze dat in van die zakjes.

 Daana spraken we over Hergé, die hier vlakbij, in Etterbeek opgroeide. 'Ja, Kuifje, daar moet Freddy niks van hebben, Freddy is een intellectueel.'  Ik weet dat Hermans landgenoten die het in de wereld ver schopten - Jan Cremer, Sylvia Kristel - bewonderde.

 Hij zou 'De God Denkbaar' gaan opnemen voor de radio. Freddy had luxe eten voor ons besteld in de VIP-room van de BRT. Obers in jasjes. En ik waagde het te zeggen dat ik ook wel had moeten lachten om 'Denkbaar'.

 Hermans: 'O ja, ik heb twee een beetje debiele nichtjes. En die hadden er ook zo om moeten lachen.' 

 Na het eten, met twee wijnen moesten we verder met opnemen. En ik hoorde het meteen: een dubbele tong. Dat kon zo niet. Overleg met Freddy. Die was het eens. Ik moest het hem zeggen.

 Hermans ging - hij had toch vaker met een slokje op voorgelezen - tenslotte akkoord. Morgen verder. Zonder wijn aan tafel. Ik was tenslotte de radioman, dit was mijn werk. Emmy kon er eerst niet naar luisteren, later schreef ze me een dankbare brief.

Tags: 

Verlegen

 Of verlegenheid nog bestaat of een erkende kinderziekte is weet ik niet. Ik hoorde het woord voor het eerst toen mijn vader uit Indië teruggekeerd was en zijn zoontje aanschouwde 'Dat kind is ziekelijk verlegen,' luidde zijn oordeel.

 Niet dat hij probeerde het kind op zijn gemak te stellen, het vertrouwen van het kind te winnen. Verlegenheid was een pijnlijke, ongene­eslijke kwaal. Mijn moeder wist er ook geen raad me. Ze was zelf verlegen en trok zich zoveel mogelijk uit gezelschappen terug. Dat vertelde ze me.

 Mijn eerste remedie was wegkruipen, me verstoppen. Met de illusie dat ik dan onzichtbaar zou zijn. Werd ik toch gevonden dan bloosde ik zo hevig dat iedereen lachte. Blozen kun je niet tegenhouden.

 Of verlegenheid nog bestaat? Zeker en blozen ook. Ik ken de tekenen. En ook het pogen hem te verbergen.

 Hoe ik mijn verlegenheid overwon? Voor een jongen zit er weinig anders op dan alle nederlagen die je dagelijks lijdt te verbloemen, te overstemmen met vertoon van flinkheid. Tot je op een dag toch weer door de mand valt.