Graflegging

 Denkelijk is dit notenhouten beeld (1470-1480) uit Boymans nu niet te bekijken. Er wordt gebouwd. Het stamt (2014) uit de Rotterdamse collectie Schouf­our-Martin. Precies uit de tijd dat voor de kerken en kloosters de mooiste Bijbelse - of uit de volkstraditie afkomstige - voorstellingen ontstonden.

 Wat gebeurt hier? Dit is een zg. passieretabel. Maria Magdalena houdt de hand van de dode Christus vast, die in zijn sarcofaag wordt neergelaten. In het midden daarachter staat zijn moeder, Maria, in tranen, die zijn linkerarm omhoog houdt. Ze wordt ondersteund door de jonge Johannes, rechts. Naast hem staan de twee andere Maria's die in de Bijbel genoemd worden, net als de twee dragers, Jozef van Arimathea en Nicodemus.

 Over de herkomst weten we weinig. Er zijn sporen van insectenvraat: afgebroken delen van de rand van de grond; achterzijde gescheurd; polychromie gesleten, beschadigd en vuil.

 Deze beeldengroep komt uit Brussel. De afzonderlijke gezichten, heel de rolverdeling komt in het notenhout heel verfijnd over, zodat ieders rol in het drama volstrekt overtuigt, zo anders dan in veel latere schilder en beeldhouwkunst. Zodat je al kijkend je gaat verdiepen, niet alleen in de karakters, maar ook in de persoon van de beeldhouwer. Hij kon zich kennelijk diep inleven in al zijn personages.

 Had hun verhaal hem overtuigd? Ik weet wel zeker van wel. 

 Later is dat zo anders.

.

 

Dakpan

 De limes, grens van het Romeinse rijk, liep op Nederlands gebied van Nijmegen tot pakweg Valkenburg (de oude Marine vliegbasis waarvan mij Oom Bob nog commandant is geweest). Oom Bob, die een groot gezelschap trakteerde op een uitvoerige r­ijsttafel, geserveerd door 'Jannen' vanuit een mess heel verderop. Elke matroos heet Jan, zo spreek je hem ook aan.

 En paar Jannen bedienden en anderen vormden een bandje en speelden jazz. Ze waren allen in matrozenuniform. De tafels stonden uitgestald op een landingsbaan. Oom Bob was een oorlogsheld, had in Indië gevlogen en later bij de RAF maar dit terzijde.

 Hij legde me uit hoe hij met zijn 'jannen' omging. 'Problemen met je vriendin Jan, mijn deur staat altijd voor je open.'

 Geen Romeinse dakpan gezien op Valkenburg.

Op Valkenburg vlogen de Orions van de kustbewaking, langzame schroefvliegtuigen die heel den Haag kende en waarvan Fay Lovsky in Oegstgeest nog slecht sliep.

 Later op vakanties was bij zuidwaarts rijden altijd het wachten op de eerste Romeinse dakpannen bezuiden Dijon. Eerst de wijnbouw, dan de pannen.

 Ze worden nog steeds gelegd. Wat het voordeel van de Romeinse is weet ik niet.

Sängerknaben

 Mijn vader werd als leraar Duits en zodoende als tolk opgeroepen in het gerechtsgebouw in Zutphen bij een zaak tegen de dirigent van de Wiener Sangerknaben. In de Gazet van Antwerpen van 22 maart 2010 vond ik iets soortgelijks.

 'Walter Nettig, de directeur van de Wiener Sangerknaben, heeft zich verontschuldigd voor elf gevallen van misbruik. De directeur benadrukt dat de klachten vooral handelen over de strenge aanpak van leerkrachten, en in mindere mate over seksueel misbruik bij het Weense jongenskoor. Eerder deze maand kwam het koor in opspraak nadat twee oud‑le­den seksueel misbruik aan de kaak stelden.'

 Als jonge radioluisteraar hoorde ik vrijwel alles. Zo op zondag de KRO met de jeugduitzending van het Jeugdcentrale koor uit Vught onder leiding van broeder Laetantius. Er zijn veel platen van ze uitgebracht. Ook frivole teksten als 'Morgen, morgen, morgen is het zondag. Morgen zijn we liever lui dan moe.'

 Later kwamen de zingende fraters. Ik herinner me hun plaatje 'Het leven is een jachten en een jagen. Tempo, tempo, tempo.'

 In die tijd ook verscheen Wim Sonneveld op tv met zijn 'Frater Venantius'.

 Maar 'Gaudeumus igitur' en 'De schoonheid van het Gregoriaans' waren nooit ver weg. 

Pessoa nog

De vertaling van Pessoa's (1888-1935) 'Kroniek van een leven dat voorbij gaat' is verschenen, vertaald door Michael Stoker. Dit is aantekening 12:

 'Ik weet niet wie ik ben, noch welke ziel de mijne is. Wanneer ik oprecht spreek, dan weet ik niet met wiens oprechtheid. Ik ben op vele wijzen een ander dan de ik waarvan ik niet weet of hij bestaat.

 Ik heb religieuze overtuigingen die ik niet heb. Er flakkeren heftige gevoelens in mij op die ik veracht. De onophoudelijke aandacht die ik aan mijzelf besteed, maakt mij opmerkzaam op het eindeloze verraad van de ziel op een karakter dat ik misschien helemaal niet heb en dat karakter zelf ook niet als het mijne beschouw. Ik voel me meervoud.'

 Ik voel mij meervoud.'

Rolina

 Een zeldzaam bezit is het 'Album' van Rolina Nell, de schilde­res en tekenares van vrouwen en meisjes, dat vandaag bij mij in de bus viel. In dit boekje geen gezichten. Alleen wat ze omringt, kleren, haren, zodat je naar ze kunt raden.

 Alsof de personages zich verbergen. Hun verlegenheid hebben losgemaakt.

 Die verlegenheid is verdwenen in het afzakken en ophijsen, het rimpelen en slobberen, in het ongemak van de omgang met het eigen lijf. Dat je terugbrengt naar de strijd om 'pasvorm', die mannen al in de middeleeuwen streden. De technieken om stoffen met de naden tegen elkaar in te weven, zodat ze zich strak zouden trekken. Het effect van wat nu 'stretch' heet. Ach, de schilders konden lubberende kleren  wel de goede vorm geven.

 Wat ik van Rolina Nell zag, kortgeleden in Charlois liet de onverwachte kanten van het vrouwen -of meisjes- lichaam zien. Te beginnen met de achterkant. Het onelegantste lichaamsdeel, de knie. En dan de houdingen: het wassen van haar van voor en achteren in een emmer. Het uitdruipen.

 De oude, onelegante tijd komt boven. In het wollen zwempak, de Oostduitse kunststof. Zo zie je meisjes en vrouwen die proberen aan hun ongemakkelijk zittende kleren te ontsnappen.

 Is het lelijk? Nee, het ongemak wordt een tweede natuur. Het onhandige jongemeisjes achtige, het proberen een jongen te zijn. Het op hun handen staan, waardoor hun rokjes omlaag vallen.

 De elegantie van het ongemak.

Isabella

 In 2007 schreef Frits Scholten een boekje over wat voorgangers van het Rijksmuseum in 1691 kochten: tien bronzen beelden van zg. 'pleurants' (treurenden) afkomstig van het graf van Isabella van Bourbon, de Bourgondische vrouw van Karel de Stoute. Met illustraties die de Bourgondische hofcultuur in beeld brengen, precies in de tijd dat kunst en politiek elkaar vonden en er even geen oorlog was.

 Al had Karel de Stoute de gewoonte zijn kostbare tapijten overal - ook naar de slagvelden - mee te nemen. Tapijten waren duurder en belangrijker dan schilderijen.

 Maar waar het in de Amsterdamse aankoop om draaide, je krijgt een prachtig overzicht van de Bourgondische hofmode, de telkenjare wisselende modes en vooral de hoofddeksels, sieraden, schilderijen en schoenen.

 Er is nooit meer een modebewuster, inventiever tijd geweest.

 Aan het hof op de Brusselse Coudenberg - een paar jaar terug was de nu ondergrondse grote zaal nog te bezoeken - werkten niet minder dan 131 man personeel, waaronder 18 'dames en demoiselles d'honneur', 6 kameniers, 3 chevaliers 'd honneur' en 3 'maitres d'hotel'. De adel reisde veel om zijn macht te bevestigen. In 1464 stierf Isabelle, op de terugtocht uit Gorkum

Huizenruil

 De eerste keer dat ik iets zag werd meestal vooraf gegaan door de verhalen die erover werden verteld. Waaruit maar al te vaak een heel ander beeld was opgerezen dan wat ik in mijn hoofd had gehaald.

 Het buitenland is veranderd in een groot Ibis-hotel. Waar bleef het andere? Samen met de hotels en logeerpartijen is het weg.

 'Niet aankomen' was de permanente vermaning toen het gezin een huizenruil deed met de familie Gerritsen op de Veluwe. Er stond een piano, maar ik kon mijn etudes niet doen. Over het toetsenbord lag een onberispelijk kanten lopertje. En de piano zelf glom. Je zag de gepoetste kaarsenhouders in de weerschijn. Je ging er binnen door de achterdeur, een waagstuk waar­mee je 'inloop' riskeerde.

 Omdat ik het gezin Gerritsen zelf niet te zien kreeg was ik aangewezen op de ingelijste foto's op de piano. Ze zagen er net zo keurig uit als heel het huis.

 Voor we daar weg konden moest mijn moeder heel het huis wel drie keer stofzuigen. Die middag zouden de Gerritsens terugkomen van hun vakantie.

 Ze kwamen. In een golf van geuren en gefluisterd. Kort daarna stopte de lijnbus van de Veluwse Auto Diensten, 'op de Veluwe ook wel 'VOD'genoemd', met het springend hert erop.

IJs

 Een van de namen die bij me blijven is die van Garage Vlas­winkel in Zutphen, waar de eerste autobus stond, in de Bernerstraat, om de hoek. Rijke mensen, met een zonnig afdak boven de garage, waar ik in 1947 mee heen genomen werd omdat daar een wondermachine stond, waarmee je zelf ijs kon maken.

 Er was een speciaal poeder voor nodig. Maar het werd niks, met dat poeder.

 Pas twee jaar later kwamen de Italiaanse ijsmachines, die je kon zien draaien als je door een ijsloket naar binnen keek. Dat was een omhoog geschoven zijraam in een winkelpui.

 Je zag een verchroomde staaf, waar ijs aan klonterde, dat er af en toe met een houten spatel afgeschraapt moest worden, waarna er een hoorntje mee aangestreken werd. Veel later kwam de 'oubliehoorn', een delicatesse. Dat kon voordelig uitvallen maar ook zuinig. De tang of ijsknijper waarmee zuinige bolletjes werden geschept kwam later.

 In de smaken heerste een vliegensvlugge evolutie. Alles begon met vanille, dan mokka en chocolade, maar frambozen en pistache wonnen toch? Tot Jamin met z'n dubbeldik onder de prijs ging.

 'Aardappelmeel', werd gefluisterd. Maar wel veel.

T.M.F. Steen weer .

 In het nieuwe nummer van Piet Schreuders' Furore staat onder veel meer werk van strippionier Tom Steen (1927-1969). Nog zie ik hem zitten op het kantoortje van uitgevers Thomas Rap en Jaco Groot aan de Regulie­rsdwarsstraat, driehoog boven de kapper. Hij sprak je aan met voor- en achternaam. 'Ja Wim Noordh­oek, jij moet iets aan de Mother Magoo Suite doen op de radio.'

 Het moet in 1968, 1969 geweest zijn. Niet lang daarna stierf hij. Ik kreeg platen van hem, waarop stond op T.M.F.Steen, Zwarteweg 35B, Bussum. Ik maakte er jingles uit, daarna gingen ze gingen naar Piet Schreuders die er nog jaren later voor zorgde dat het Metropole Orkest de Mother Magoo Suite van Dennis Farnon uitvoerde. Vergeten muziek bij een tekenfilm over de moeder van het vergeten cartoonkarakter Mister Magoo, wiens bijziendheid zijn enige gimmick was (en de kreet om Waldo, zijn knechtje). Hij introduceerde oa. Little Nemo, Peanuts en veel meer.

 Tom Steen, in leven corrector bij het Algemeen Handelsblad. was een unieke voorloper van veel wat in de jaren '60 en '70‑ werd opgerakeld aan oude films, strips en lichte muziek. In Hitweek liet ons ook nog kennismaken met de strip Krazy Kat van George Herriman. En werkte mee aan Barbarber, aan het filmblad Skoop en meer nog, ook internationaal.

 Tom Steen was een fervent hashroker. Op een dag kwam hij op het kantoortje met een schoenendoos vol hashpijpen en chillums. Hij wilde ze kwijt, het kostte hem z'n concentratie.

 Zijn veelbesproken biografie is nooit verschenen.

 

Tags: 

Du beurre, du beurre, toujours...

 Dat zijn de woorden die ik Depardieu hoorde zeggen in de film 'Vatel'. Over de grote kok in dienst van de prins van Condé, die een culinaire ontvangst van de koning moet voorbereiden. Met Depardieu als kok en organisator. De vis moet uit Dieppe komen, op ijs dat uit de Alpen is aangereden.

 En dan leer je het geheim: 'du beurre, du beurre, toujours du beurre...'. Ik was in Chantilly, waar in een restant van dat kasteel een schitterend museum is.

 Dat van die boter leerde ik in Lombardije, de enige streek waar de olijfolie niet oppermachtig is. En waar 'speck' bij de pasta een standaardgerecht is. Om precies te zijn in Pavia, waar de houten brug over de Po meermalen instortte en weer opgebouwd werd. Dit is geen Italië. Gallia Cisalpina noemden de Romeinen het al. Hier moest Han­nibal met z'n olifanten langs.

 Het toerisme vindt z'n oorsprong in de 'grand tours' van Engelse studenten naar de eerste universiteiten, zoals hier in Pavia en verderop in Padua. Er zijn wat studentenkamers bewaard uit de zestiende eeuw, waarop bordjes met teksten als 'wake me at ten'.