Jon Fosse's Non-plaats

 'Voor mij is de beste plek geen plaats, het is een non-plaats. Maar net als alle anderen moet ik toch ergens zijn. Als ik al ergens moet zijn, geef ik de voorkeur aan een plek die voor mij zo min mogelijk een plaats is, een plek die voor mij zoveel mogelijk een non-plaats is (...)'

 Zo begint een tekst van de Noorse dichter Jon Fosse (1959) in het 'Elders'-nummer van Tijdschrift Terras. Fosse eindigt met de conclusie: 'In de non-plaats ligt de verzoening, de verzoening die goede literatuur en kunst ons ondanks alles bieden, als opening waar lichaam en ziel elkaar ontmoeten, waar vorm en inhoud, leven en dood elkaar ontmoeten.'

 En die non-plaats is niet 'ergens'.

 Even verderop in Terras staat dan dit gedichtje van Fosse:

'Het is niet zo lang geleden/ Een paar dagen maar/ misschien een paar jaar/ een paar weken/ Het is net gebeurd/ Het was er/ toen was het weg/ Het kwam/ verdween/ was er/ was weg/ als een zwaaiende beweging/ naar binnen waar je kunt zien/ en weggaan en blijven/ zonder dat er iets/ wordt veranderd'

 Zodat er bij Jon Fosse behalve een Non-plaats ook een non-tijd is.

 Aldus vertaald door Roald van Elswijk.

Tags: 

Een overbodige vrouw

 Al lezend verzink ik in het leesleven van Aalia, de heldin van 'Een overbodige vrouw' van de Libanees Rabih Alameddine. Levenslang staat ze in een boekwinkel in Beiroet, tegelijk vertaalt ze de wereldliteratuur in het Frans..

 En zo komen heel terloops toepasselijke regels van Sebald, Pessoa of Bruno Schulz het verhaal binnen. Afgewisseld met familieruzies en geve­chten. Zoals dit, in 1982 als Israël de stad belegert en mensen de stad ontvluchten. De weduwe Aalia blijft. Er dringen plunderaars haar huis binnen: 'Ik sprong uit bed, nog in mijn nachtjapon. We zaten al weken zonder water - mijn haar en mijn nachtjapon waren in geen tijden gewassen. Ik pakte mijn Kalasjnikov 47 die naast me aan de rechterkant lag, waar mijn echtgenoot zoveel jaren terug had geslapen. De 47 hield me de hele burgeroorlog lang gezelschap in bed. Blootsvo­ets stormde ik de kamer uit met het wapen in de aanslag. De mannen in hun werkkloffie wierpen een blik op de aanvallende krankzinnige vrouw en maakten dat ze wegkwamen (...)'

 Overbuurvrouw Fadia weet ook raad met indringers: 'Ook zij had haar medusaharen of haar versleten nachthemd in geen tijden gewassen. Ze zag er waarschijnlijk net zo angstwekkend uit als ik, maar gewoonlijk waren haar vingernagels smetteloos verzorgd. Van twee verdiepingen lager kon ik de subtiel gevormde vuurrode nagel van haar wijsvinger zich rond de trekker zien krommen.'

 En nu duik ik weer in het boek terug, 'Een overbodige vrouw' werd door Adriaan Krabbendam vertaald voor kleine uitgever Meridiaan.

September

 De tuindeur klappert, de zon staat laag. Zo kan ik moeiteloos overstappen in een titelloos gedicht van Alexander Koesjner dat juist voorbij komt:

 ‘Kordaat neemt september een bezem ter hand,/ Veegt kevers en torren voorgoed aan de kant,/ En spinnetjes in hun doorzichtige webben,/ Geknakte libellen zieltogende wespen,/ Hun voelsprieten, grijpertjes, pootjes en kaakjes,/ Loepzuivere lenzen, als cirkels zo rond,/ Hun ragfijne vleugeltjes, stuifmeel en haakjes,/ Het frêle gefrutsel dat ooit zo mooi stond.

 Kordaat neemt september een bezem ter hand/ Veegt restjes chitine weg, ruches en kant,/ Alsof een balletmeester zijn ballerina's/ Van 't podium stuurt, hen verjaagt uit de broeikas./ September begint met een bezem te vegen,/ En alles verdwijnt in de verte, in mist,/ In herfstige nachten en inktzwarte regen:/ De hoop op geluk, waaiers, franje, batist.

 Vaarwel vreugd! Tot bij de begraafplaats der vliegen,/ Het kerkhof der wespen, het graf der libellen,/ Tot in Pluto's rijk, tot aan tranen die vlieten/ En uitbloeiende Elyseïsche velden.'

 Aldus uit de bundel 'Apollo in de sneeuw' in de vertaling van Peter Zeeman. Het wachten is nu op November, de maand van Franz Kafka.

I am not a witch

 Zo heet de film, maar die ontkenning is nu juist het enige dat de achtjarige Shula - haar heksennaam - niet over te lippen komt. Beschul­digd van hekserij. Waarom? Omdat iets altijd iemand zijn schuld is en in landelijk Zambia het volksgericht beslist.

 Ze mag kiezen, ofwel ze wordt een geit - en dan waarschijnlijk geslacht - of een heks. Er leven daar heksenkolonies - altijd vrouwen - die het vuile werk doen en met linten vastzitten aan hun kamp.

 Shula komt terecht tussen twee kampen. Een corrupte regeringsfunctionaris en de dorpsgemeenschap, die heel traditioneel een schuldige zoekt voor het feit dat het niet regent. De overheid stuurt haar naar een schooltje, maar het dorp ontvoert haar. Ze moet regen maken.

 Pijnlijk in de film is de rol van een groep toeristen die het heksje graag wil filmen.

 Ook wordt ze ingezet als rechter, een hoofdknik van haar beschikt over beklaagden.

 Tja, dat is die mensen hun cultuur. Interessant toch.

 Het tragisch slot verklap ik niet. Je blijft zitten met de rol van intelligente Shula, die alles doorziet en eenmaal als heks bestempeld besluit te zwijgen. En zich daarna heel geleidelijk neerlegt bij haar gruwelijk lot.

Vlier

 Van planten weet ik wat jongetjes nodig hebben voor het bouwen van hutten, zoals de bijvoet, waarmee je wandjes kunt vlech­ten. Belangrijk was de vlier, uit de takken waarvan je het merg kon schrapen om de pijlen van je pijlenboog te verzwaren.

 't Is vlierbessentijd nu. Van Ria Lohuizen, de vriendin van W.G. (Max) Sebald die aan zijn vertaalinstituut in Norwich werkte hoor ik over Sebalds grootvader, die hem in het All­gaü waar ze woonden leerde wat eetbaar was in het veld en in de schaarse oorlogsjaren voor het gezin kookte. Vlier was vitami­nerijk, maar je kon er ook inkt van maken. Je kon de bessen ook inmaken.

 De vlier Is vanouds een mythische boom of struik. je kunt een afgebroken vliertak zo in de grond steken, dan schiet hij wortel.

 De vlier is de 'gastboom' van het 'Judasoor' een eetbare paddenstoel. Die zo heet omdat Judas zich na zijn verraad aan een vlierboom ophing.

 De vlier wordt beschermd door de Witte Godin Diana die de deur naar de onderwereld en de dood bewaakt. Zeer geneeskrachtig ook, vlierbessensap! Sebald maakte er eens een soepje van voor Ria Loohuizen.

 Lees ook Reizen en avonturen van mijnheer Prikkebeen, van J.J.A. Gouverneur. Als hij aan de Noordpool als een plank bevroren raakt weet zijn vreselijke zuster Ursula wel raad:

 'Al wat zij bedenken kan,/ Doet zij voor den armen man/ Kommen vlierthee, kokend heet,/ Giet zij in hem. 't Klamme zweet breekt weldra den sukkel uit/ En ontdooit zijn harde huid.'

Tags: 

Doof

 Ik ben doof. Doofheid betekent niet: 'niets horen', leven in absolute stilte, zoals soms gedacht wordt. Doofheid betekent lawaai, veelsoortig, onbestemd geluid. Zoals de astronaut moest ervaren toen zijn voorzieningen uitvielen. Hij hoorde zijn eigen lichaam en werd meer gewaar dan ooit. Omdat zintuigen samenspelen.

 In het 'Elders'-nummer van tijdschrift Terras vind ik het gedicht 'Doof' van de Engelse Fiona Sampson (MBE), vertaald door Menno Wigman en Willem Groenewegen.

 'Luister je wel je luistert/ naar de wereld denk je/ ook al hoor je jezelf/ keer op keer de donkere taal

 van de wereld haar schaduwplekken/ onder de bomen voorbij de lampen/ het donker dat van je voeten valt/ zo diep dat je erdoorheen zou kunnen vallen

 aldoor en hoe luidruchtig de wereld/ is met het donker tussen de bomen/ dat krast als parkieten kronkelt door/ het gras het peilt het midden

 in je oog de donkere taal van de wereld/ door je omhoog komt terwijl je valt/ lieve zelf eenzame zelf val je/ klankloos woorden vormend zonder geluid'

Verder Vicki Baum

 Een ontdekking, door haar Menschen im Hotel (1929), haar kennis van zaken, de detaillering van de interieurs in het Grand Hotel en zijn gasten. Het werd een bestseller, maar in 't Nederlands (1930) kreeg het maar een enkele druk. Die ik niet heb.

 In de lobby van het hotel, temidden van overvloedig personeel, van pages, portiers, obers, een oorlogsinvalide liftbediende. Overal klinkt levende muziek, in de tearoom, het restaurant, van jazz tot strijkjes. En dan komt daar door de draaideur opeens een totaal verlopen dorpeling uit Saksen, Otto Kringelein binnen. Hij krijgt een kamer door bemiddeling van de oorlogsgewonde Doktor Otternschlag die aan 'Vlaanderen' maar een half gezicht overhield.

 'Daar stond hij nu, in de hal van het Grand Hotel, de boekhouder Otto Kringelein, geboren in Fredersdorf, in zijn oude overjas, en de hongerige glazen van zijn knijpbrilletje dronken alles in ene keer in. Hij was uitgeput, als een hardloper van wie de borst het witte lint aanraakt (en met deze uitputting was hij bijzonder vertrouwd), maar hij zag: de marmeren zuilen met gipsornamenten, de verlichte fontein, de clubfauteuils. Hij zag heren in rokkostuum, heren in smokings, elegante wereldse heren. Dames met naakte armen in glimmende kleren, met sieraden, bont, uitzonderlijk mooie en smaakvolle dames. Hij hoorde verwijderde muziek. Hij rook koffie, sigaretten, parfums en de bloemen die op een tafel ter verkoop uit vazen puilden.'

 En zo door. Een verslavend boek. De arme Kringelein, zo zal blijken, is dodelijk ziek, heeft al zijn spaargeld bij zich en wil nog een keer in zijn leven in een hotel als dit overnachten. Zojuist verscheen de negende druk, in het Duits.

Tags: 

Extaze en Willem van Genk

 Haagser dan de beeldend kunstenaar Willem van Genk (1927-2005) kun je moeilijk zijn. Raadpleeg Gerard Fieret, Mensje van Keulen, Marcel van Eeden, Afred Birney of Philip Akkerman. Van Genk-nieuws lees ik in het nieuwe nummer van het 'Haagse' literaire tijdschrift Extaze, bij Jack van der Weide.

 Van Genk werkte al sinds 1947 in de werkplaats van Arbeid Voor Onvolwaardigen. Lang is hij voor gek aangezien en zo behandeld. Als J.J.Beljon, directeur van de Haagse academie probeert Van Genk een dag in de week op de academie te laten werken krijgt hij honend commentaar van de Dienst Geestelijke Volksgezondheid (zie eerder op Avondlog). Geen sprake van.

 Gek? Ja, haarfetisjist als hij was ging hij vaak in de tram achter een meisje met vlechten zitten, een schaar gereed om zo'n vlecht af te knippen. Maar hij deed het nooit.

 Pas toen hij in 1964 arbeidsongeschikt werd verklaard en geen wasknijpers meer hoefde maken kon hij bij zijn ongetrouwde zuster Willy in de Harmelenstraat - Zuiderparkbuurt - wonen en werken. Daar is zijn nalatenschap gevonden, nu nog deels te zien in Dr.Guislain in Gent.

 Ook in dat jaar kwam zijn eerste tentoonstelling, waarover W.F. Hermans enthousiast schreef. Van Genk, die een jongensschtige  almachtsfantasie projecteerde op stations en treinen heeft meer gereisd dan je zou denken. Moskou, zijn grote reisdoel was toen lastig te bereiken, maar uit zijn collectie reisgidsen kon hij hele steden putten.

 In voorbereiding is een grote Van Genk-tentoonstelling 'Thrills of Power', volgend jaar oa. in de Amsterdamse Hermitage. Het boek 'Koning der stations' van zijn vriend en biograaf Dick Walda wordt dan ook eindelijk herzien herdrukt.

 En laat het in godsnaam gaan over de kunst van Van Genk en niet over wat hem geestelijk mankeerde. Kunstenaars zijn weleens wat vreemd. Nu ja.

Tags: 

Remco’s vader

 Veel Remco Campert, op televisie, in boekwinkels. Wij deden veel radio, zodat ik nogal wat Campert-momenten meedraag. Zoals dit. Ik kom elke dinsdag bij hem langs om een verhaaltje op te nemen voor een zomerprogramma. Ik bel aan op de Alexander Boersstraat. Als er niet wordt opengedaan is de deur nog op slot en komt Remco de trap af om te zeggen dat er geen ver­haaltje is. Als hij opendoet is er een verhaaltje en kunnen we opnemen. Zover onze wekelijkse routine. Maar dan.

 Op een avond in ik schat 1985 wordt er gebeld, het is Remco, die nooit belt. Als er iets moet bel ik hem en krijg zijn versleten antwoordapparaat: 'Ja, ik zit met iets moeilijks. Ik moet geïnterviewd worden. Door die eh.. Wim Kayzer. En die wil het over mijn vader hebben. En dat vind ik een beetje eng.'

 Het vader-verhaal lag moeilijk bij Remco, zoveel wist ik. Hij had er nog nauwelijks in het openbaar over gepraat. 

'En nou wilde ik vragen, zou je misschien morgenavond bij me langs kunnen komen, dan komt hij namelijk.'

 En zo zat ik de volgende avond op de Alexander Boersstraat aan de rechthoekige tafel, naast Remco, met Wim Kayzer en zijn recorder tegenover ons. Toen Wim Kayzer zijn recorder startte pakte Remco mijn linker hand vast, die onder de tafel op mijn knie lag. Telkens als het gesprek over zijn vader ging kneep hij me in mijn hand. Dat bleef hij doen, elke keer als het daar over ging.

 Wim Kayzer heeft er niets van gemerkt. Het werd een goed inter­view.

Vicki Baum

 Als ik koorts had werd ik op de logeerkamer gelegd, waar de boeken van mijn vader stonden. Daar keek ik naar boekrug­gen en titels die ik nooit vergeten zou. Een daarvan was 'Menschen im Hotel' van Vicki Baum, dat ik nu pas lees.

 Het brengt je naar 1929, naar een Berlijns luxe-hotel waar ver­doolde mensen elkaar treffen. Zoals de wat oudere ballerina Grusinskaja die voor halflege zalen optreedt en de verlopen baron Gaigern, die het op de parels van de ballerina voorzien heeft.

 Als ze de geveltourist in haar kamer ontdekt doet die zich heel slim voor als een bewonderaar. 'Je 't aime', zegt hij. Er zit niet anders op dan haar te kussen. En ze gaat er op in: 'Met een kunstig gespeelde beweging draaide ze haar lange hals naar Gaigern toe. Gaigern nam haar kleine schouders in zijn warme, vaardige handen en toen kuste hij Grusinskaja bekwaam in de mooie groeve tussen de schouderbladen.

 Deze kus, die tussen twee elkaar vreemde lichamen koel begon duurde lang. Hij zakte als een fijne, warme naald in de ruggegraat van de vrouw, haar hart begon te kloppen. Haar bloed werd zwaar en zoet, het klopte, ja het klopte, dit verkilde hart begon te beven, de ogen sloten zich, ze sidderde. Maar ook Gaigern sidderde toen hij haar losliet en zich oprichtte; een ader kwam blauw en hoog op zijn voorhoofd. Plotseling voelde hij deze Grusinskaja overal tegelijk in zich, haar haren, haar bittere geur, haar langzaam ontwakende en genotzuchtige beven (...).'

 Menschen im Hotel werd meermalen verfilmd, ook in Amerika.

 Ze ontvluchtte Duitsland, stierf in 1960 in Los Angeles en schreef ook in het Engels.

Tags: