Het onontdekte land

 De roman Het Slot van Franz Kafka bestaat uit wat je niet weet. W.G.Sebald schreef er een essay over in 'Die beschreibung des Unglücks', een bundel over Oostenrijkse literatuur met beschouwingen over oa. Thomas Bernhard, Peter Handke en Adal­bert Stifter. Hij opent met dit citaat:

 'De dood ligt voor ons, ongeveer zoals in het klaslokaal aan de muur een plaat van de Alexanderslag.' Een schoolplaat van oor­log­voering door Alexander de Grote waar Kafka meermalen op terug­komt.   

 Tegen het eind van het boek heeft K. eindelijk een gesprek met de waardin van de 'Herrenhof' het stamcafe van de hooggeplaatsten op het slot.

 De vraag luidt wat en wie hij nu eigenlijk is. 'Heb je zelfs niet leren kleermaken?' vroeg de waardin 'Nee, nooit, zegt K. 'Wat ben je dan eigenlijk?' 'Landmeter.' 'Wat is dat dan?' K. legde het uit, de uitleg liet haar gapen. 'Je spreekt de waarheid niet. Maar waarom spreek je niet de waarheid?' 'Jij doet het ook niet.'

 - K. is dus geen landmeter, hij heeft niets bij zich wat zijn bewering bevestigde. Hij is maar een wandelaar die net opkomt met een kleine rugzak en een knapzak.' Symbolen van de dood, zegt Sebald. Zoals heel Het Slot over de dood gaat. K. bevindt zich tussen leven en dood.

Tags: 

Trekker

 Het gezin reisde op een zondag naar Tholen, naar oom Kees en tante Mien. Die woonden op de eeuwenoude boerderij de Kettingshoeve, omdat hij aan het eind lag van de Kettingdijk, die daar doodloopt op de Oosterschelde.

 Het was warm, oom en tante zaten in het prieel en verveelden zich. Oom Kees, de dijkgraaf, wees in de verte over de Schakerlose polder en zei 'Da's allemaal van mie'.

 Dan naar het water. Eerst keek ik vanaf het betonnen muurtje op de dijk uit over de Oosterschelde. En kreeg uitgelegd dat daar Reimerswaal gelegen had. Dat er soms nog knekels van het kerkhof gevonden werden. De bakstenen waren met platte schuiten afgevoerd en in de buurt weer gebruikt.  

 Met Maris, de meesterknecht kwam ik we bij de oude tractor, de 'trekker'. Of ik erop wilde rijden? Er werd toch gier uitgereden, De aanhanger stond nog aangekoppeld. Ik was twaalf en wist van niks, maar eenmaal op het ijzeren zadel was ik mijn nieuwe zondagse terlenka broek en mijn colbert van Peek en Cloppenburg vergeten en kende nog maar drie versnellingen. Keek ik achterom dan zag ik het brede spoor van pis dat ik achterliet.

 'Beetje netjes verspreiden,' zei Maris.

 Toen het werk gedaan was kwam mijn moeder kijken. Van schrik kon ze alleen 'helemaal bedorven' uitbrengen.

 Later vond ik het boek 'De ondergang van Reimerswaal' van J. Stamperius, waarin feestende edelen verzuimen de dijken te versterken.

Halfslaap

 De toestand halverwege waken en slapen in het schemerduister is weinig beschreven, zover ik weet. Meestal gebeurt het in bed. Achter het stuur van een rij­dende auto soms bij korte momenten. Je merkt het als je 'een stoepje meepikt'.

 Wat zit waar? Een warboel is het.

 Weerkerend is de manier waarop het eigen lichaam wordt gevoeld en waar­genomen. De laatste tijd heb ik vaak twee neuzen. Ook wel twee monden. En alleen door in de halfslaap met mijn vingers af te tasten kom ik langzaam bij wat werkelijkheid moet zijn. Al blijft het onwaarschijnlijk. Is dit mijn linkerbeen? De kleuren zijn die van vergeelde kleurenfoto‘s.

 Wat ik daarbij zie heeft vaak wel een zekere logica. Niet dat ik meteen aan gezichten van Picasso denk. Zou hij 's nachts ook wel eens met zijn handen over zijn gezicht zijn gegaan? Of kwam het meervoudige zien bij hem puur voort uit de waarneming

Doden sta op!

 In zijn verzameling van '500 historische oneliners' van Paul Claes vond ik 'Debout les morts!', een citaat uit de 'Echo de Paris' van 18 november 1915, tekst van een Franse adjudant vanuit een met lijken gevulde loopgraaf bij Verdun.

 Hij sommeerde zijn regiment de tegenaanval in te zetten. Ik ben een keer vanuit het Maasdal afgeslagen richting het Os­suaire de Douaumont', wellicht het grootst knekelhuis ter wereld. Wat me overkwam was alleszeggend: naarmate de weg iets bergop ging werd ik omringd door doden. Ze zijn daar overal om je heen. En ik kreeg het zo benauwd dat ik moest omkeren.

 In het Ossuaire zelf, dat beenderenpakhuis, ben ik dus nooit geweest.

 Door de stad Verdun met zijn griezelarchitectuur reed ik snel heen. Op sommige plekken kun je beter niet zijn.

 Ik eindigde bij het ondergrondse kanaal, bezuiden Commercy, waarlangs geschut en munitie werd aangevoerd. Door schuiten met een electrische bovenleiding. Het functioneert nog steeds, nu voor groente.

 Celine is daar, nog steeds.

Tags: 

P Haantje Luis

 Behalve konijnen en een uit het nest gevallen uil had ik op het dorp ook zes krielkippen, in een hok op het landje achter huize Schut. Hebben is een te groot woord. Je kunt dieren niet hebben. Ze zijn van zichzelf.

 Ik voerde ze, met ochtendvoer van P-haantje luis, zoals op de zakken van P.Sluis stond. Tot ze op zekere dag zo groot waren dat besloten werd dat ze verkocht moesten worden. Dat zou me meteen leren hoe dat in z'n werk ging.

En zo reden vriendje Evert en ik in de grote Opel met chauffeur van zijn opa, naar de markt in Apeldoorn. De krielkippen achterin, in een kistje. De markt bleek een enorm vierkant plein waar zeer veel kippen stonden uitgestald. Daar namen we een open plek in onder leiding van de chauffeur, en wachtten af.

Al vlug kwam er een boerse man op ons af en vroeg 'Wat moet het kosten'. Daarover was boven mijn hoofd besloten dat het drie gulden vijftig moest zijn. Dat bedrag herhaalde ik.

'Da's goed,' zei de man, overhandigde mij een blauwe papieren rijksdaalder en een bruine gulden. 'Verkocht.' En verdween met het kistje met mijn zes krielkippen in de menigte.

De terugtocht was bedrukt. Mijn krielkippen waren weg. En wat zou ik met dat papiergeld kunnen beginnen. 'IJsjes kopen,' zei Evert. Dat deden we, terug in het dorp, aan het loket van Nijk. Maar toen was er nog veel geld over. En mijn krielkippen die ik zo geduldig had verzorgd en die ik alle zes kende aan hun kleurtjes waren weg. Voorgoed.

Uitzicht

 Van een eerder ziekenhuisverblijf herinner ik meneer Loghies, die de scepter zwaaide over het uitzicht uit het zaaltje. Hij besliste wanneer ons het gordijn open mocht op de zevende. Hij opende dat als een toneelmeester.

 Er ontstond een rolverdeling onder zes mensen die elkaar nooit eerder zagen. De gesluierde vrouw die 's nachts werd binnengebracht huilde zodra haar bezoek binnenkwam. Dan begon ze te snikken en nam de prullaria - glimballonnetjes, hazen met smilegezichtjes - in ontvangst. Zodra het bezoek vertrokken was hield haar snikken op.

 Ook was er een vrouw die over de bloemen ging en wegdeed wat in haar ogen verlepte. Ik hou juist van uitvallende tulpen, maar nee. Het uitzicht over Amsterdam-Oost hielp weinig. Hijskranen in de verte en veel dakterrassen. Een bevriende fotografe die voor bed & breakfast werkt signaleerde die trend. Overal nieuwe dakterrassen. Die zelden gebruikt worden omdat het ofwel te warm of te koud is, teveel waait of de puf ontbreekt alles, kratten drank, voedsel de trap op te sjouwen. In Italie dienen ze alleen om de was te drogen, of voor zeldzame ontmoetingen als die van Loren en Mastroianni in Giornata Particolare.

 Dakterrassen in Nederland. Om met Gerard Reve te spreken, 'het is het idee'.

Afwezigheid

 Het was Jerom die bij het huis van zijn vriend Lambiek aan­gekomen daar een briefje aan de voordeur trof met de tekst 'niet thuis uit reden van afwezigheid'. Ja, ik was er niet uit reden van ziekte, nu weer genezen.

 Dit uit het hoofd wat ik gisteravond laat kon oproepen in een ziekenhuisbed met te weinig dek. Het is een manier om slaap te roepen die niet wil komen: in de wereld van Willy Vandersteen komen absur­dismen voor die zelden zijn opgemerkt omdat Suske & Wiske te veel werden gezien als voor kinderen waar de belevenissen van Kuifje en Guust volwassen trek­jes hadden.

 Maar de snibbigheden dan, tussen Sidonia en haar buurvrouw Celestine, die zich ver boven haar verheven voelt? Met scenes als deze: Sidonia heeft een nieuwe jurk gekocht en de buurvrouw kijkt over de schutting. Ze zegt iets als: 'Ach Sidonie wat een aardig kleedje heeft u daar. Ik heb ook een keu­ken­gordijntje van die stof.'

 Ik heb Vandersteen een keer ontmoet. Belgischer kon een meneer er niet uit zien. Een bruin pak, een naamloos brilmon­tuur en een glimlach voor alle gelegenheden.

 Hij had leren tekenen, vertelde hij, in het atelier van zijn vader die plafond-ornamenten ontwierp met engeltjes voor in de nieuwbouw van de jaren rond de vorige eeuwwisseling.

 

Ongelukkig

 Mijn tweede ziekenhuis was - na het Juliana kinderziekenhuis - het Haagse Zuidwal. Allebei afgebroken, maar de witte jassen, dee tegelwanden en de geur van lysol blijven.

 Ik kwam er met een voetbalknie, op het zondagspreekuur, het voetbalspreekuur. De knie was gezwollen, en niet zuinig.

 De arts, eens een bekende voetballer bij HBS, zette met ballpo­int een kruisje op de forse zwelling. En sommeerde de coassis­tent: 'Hier, hier moet je zijn.'

De naald ging erin en kwam terug met een grote een buis bloederig vloeistof. Daarna werd mijn knie ingezwachteld en mocht ik weg. Op twee krukken. 

 In de volle tram terug sommeerde de moeder die naast me zat haar zoontje om voor me op te staan. 'Laat die meneer eens netjes zitten. Dat zie je toch zo, die man is ongelukkig.'

 In 1882 lagen Vincent van Gogh en Breitner hier, met ges­l­achtsziekten. Vincent had tekengerei meegebracht.

Komende week wacht me een volgend ziekenhuisbezoek

Tags: 

De Lier

 Ik weet niet wanneer 'ze' hun intree hebben gedaan in onze en andere talen. Met verzuchtingen als 'ze doen maar wat’, of ‘ze doen ook maar'.

 Iets is altijd iemand z'n schuld. Juffrouw Molewijk, onze werkster die uit Loosduinen kwam, had een Westlands synoniem voor 'de dader ligt op het kerkhof'. Was de vraag wie z'n schuld iets was en de dader onbekend, dan zei ze 'jaja, Piet Pieltjes uit De Lier'.

 Nu zijn er veel - en steeds meer - kennelijk van overheidswege ingevoerde m­aatregelen of ingrepen in het dageli­jks leven waarvan niet te achterhalen is wie - 'welke idioot' in de woorden van mijn vader - ze heeft bedacht. Mag je 120, 130 of nog meer kilometers rijden op bepaalde wegen, en zo ja of nee, tussen welke tijdstippen?

 Een mooi oud gebouw wordt afgebroken om er een lelijk nieuw voor in de plaats te zetten (Nescio). Op last van wie? Juist, van 'ze'. En 'ze' heeft geen telefoon of mail. En er zijn nog onafzienbaar veel wachtenden voor u.

 Een legertje van rijdende rechters, dat zou de oplossing zijn. Tot Piet Pieltjes eindelijk eindelijk op het scherm verschijnt en het schavot beklimt als een moderne Van Oldebarnevelt.

 Daarna is het wachten tot er een rijdende rechter sneuvelt op het veld van eer.

Colette en Proust

 Het lijkt een 'odd couple' maar het tegendeel blijkt waar als je de stukjes leest die ze over Proust, die ze kende, schreef. Je ziet verwante geesten. Ze stuurden elkaar hun nieuw verschenen boeken met opdracht. In de stukken die Kiki Coumans verzamelde en ver­taalde ontmoeten ze elkaar op de woensdagen van madame Arman de Caillavet. En na jaren, in de oorlog, ziet ze hem terug in de Ritz:

 'Toen ik hem terugzag, hadden de jaren van ziekte diepe sporen achtergelaten. Zijn onrust en zijn bleekheid leken het resultaat van een schrikwekkende kracht. In zijn rokkostuum, midden in een verduisterd Parijs, in de schaars verlichte lobby ontving Marcel Proust me met een wankele vrolijkheid. Over zijn kostuum droeg hij een openhangende bontmantel. Ik schrok net zo van de expressiviteit van zijn gekreukelde witte plastron en zijn stuiptrekkende stropdas als van de roetbruine vlekken onder zijn ogen en rond zijn mond, die door een achteloze kwaal in het wilde weg op zijn gezicht waren geklad. De voorkomendheid en hoffelijkheid die hij zijn hele leven behield, waren met zijn woorden en gebaren vergroeid als de macabere sporen van een uitzonderlijke jeugdigheid. Hij bood ons drankjes en lekkernijen aan met de onhandigheid van een zestienjarige jongen. Zoals veel mensen met een uiterst broze gezondheid voelde hij zijn vermoeidheid niet meer op momenten dat gezonde mensen bekenden dat ze moe waren.'