Ziekenbezoek

 Nu ik zelf zo'n beetje ziek ben doet het goed hoofdstuk IV van 'Hoofsche welgemaniertheid' in te zien (Sijthoff, 1733). Onder de subtitel 'Om gehoor te hebben bij een Groot Heer, , die kennelijk niet wel is':

 'Wanneer men in de Kamer of in 't Vertrek van een Groot Heer treedt, moet men zachtjes gaan, zijn Lichgaam buigen, en een laage groetenis doen, zo hij daar tegenwoordig is: doch zo daar niemand tevoorschijn komt, moet men hier n daar niet gaan snuffelen; aar op staande voet  daar weder uytgaan, en buyten wagten.

 Indien de Heer ziek is en te bedde legt, moet men zig on­thouden van hem te willen spreken, zo hij daartoe geen ordre geeft: en als wij hem dan spreken , moet men zijn bezoek kort maken, omdat zieken onrustig zyn, en op hunne tijd  en genees­middelen te pasen hebben hebben. Men moet daar en boven zacht­jes spreken en hem zo weynig als mogelijk is, daartoe nood­zaken.' 

Het gezicht van het Lam

 Al jaren kan ik niet door de binnenstad van Gent lopen zonder aan de Rechtvaardige Rechters te denken. Het gestolen paneel uit het veelluik Het Lam Gods. Achter iedere gevel, in elke nis zou een dichtgemetselde ruimte kunnen zitten met daarachter het gestolen paneel van de gebroeders Van Eijk.

 En zo vergaat het eenieder. Mijn eerste ontmoeting met Het Lam dateert van begin jaren '60. We bezochten de St. Baafs op een stil uur. Het veelluik hing nog in de kapel waar het voor gemaakt was, rechtsachter in de kerk.

 Eigenlijk bedoeld om alleen op hoogtijdagen geopend te worden. Maar nu was het alle dagen hoogtij en een zeer oude kenner gaf zijn voorstelling voor het handjevol bezoekers. Vertelde het verhaal en opende stuk voor stuk de panelen, zoals het bedoeld was. Zijn tongval deed de rest. Onvergetelijk. Ook door de geluiden van de scharnieren.

 Alle toen bekende bloemen en planten zouden erop staan.

 Het sluitstuk, het lam, had een omfloerste blik, die alles te raden overliet.

 Nu is het gerestaureerd en ik kan er geen vrede me hebben.

 Het lam heeft een heldere, bijna gemaquilleerde blik gekregen. Het is kortweg mens geworden, terwijl dat juist zo mooi in het midden was gebleven.

 En het veelluik zelf is uiteen genomen en wordt in stukken geëxposeerd. Van de middeleeuwse voorstelling is niets over. Soms moet je de tijd zijn werk laten doen.

Crossroads

 In de meesterlijke bundel 'Rotonde' van Mark Boog (2015) is de hoofdfiguur, meneer van Dam zomaar de stad uit gelopen, zijn leven uit. Meneer Van Dam is een Elcerlyc, iedereen en niemand. Faust is niet ver weg. Het onweert in de verte. Maar, het kruispunt waar Robert John­son zijn ziel aan de duivel komt verkopen is - veelbetekenend een Rotonde geworden.

Een fragment:

 'Maar zelfs Van Dam herbergt een ziel. Hij loopt

er jaren al mee rond, en is het dan

een grauwe ziel, een ongevleugelde,

het is er een. Zijn kostbaarste bezit.

 

De advertentie die hij ooit de krant

heeft aangeboden: Ziel te koop. Niet duur.

Als nieuw, haast ongebruikt. Gevraagde prijs:

talent, genie, genot, iets groots en vurigs.

 

Ik wacht op vrijdagavond bij het kruispunt,

na zonsondergang. U herkent mij

aan de lege blik, de grijze jas,

het stof tussen de kaken. Geen reacties.'

Antjie Krogs opvliegers

 Wat een opvlieger was wist ik niet tot ik het 'Sonnet van de opvliegers' van Antjie Krog las.

 Iets kramt zich ergens in je ruggenmerg vast je voelt

een pas ontstane angst opwellen

in je borst. je aderen zinderen van vuur

je vlees ontvlamt je hart kookt vuurvast door

 

je benen klappen naar buiten je gezicht

verzengt je wangen spuwen vuur en vlam

en telkens breek je uit in lagen

zweet je huid witheet in lichterlaaie schuivend

 

op je stoel besef je pas hoe een vrouw

op hete kolen zit terwijl de overgang

haar sappigheid verwoest. genoeg.

 

als een krijger sta je op en smijt je wapens

vlammend weg - je grijpt de dood. je drukt

die rotgok van 'm in je korrelige kaalgeplukte kut.

 

Weet ik het nu? Ik maakte haar mee, en ja, steeds dichtbij het kook­punt.

Tags: 

Snoeren

 De televisie viel uit. Na een stoot tegen het tafeltje waarop hij staat. Wel beeld, maar 'geen signaal' meer. Wat nu? De bekende bewegingen: aan en uit doen. Uit het lichtnet trekken en er weer in stoppen. Geen resultaat.

 En dan? Het modem uit het lichtnet en na enige tijd er weer in. Geen resultaat. Meer weet ik niet. En dus doe ik wat eerder wel eens resultaat opleverde: knopjes en stekkertjes in en aan en uit, niets. Het is avond. De klantendienst van xs4all bellen? Altijd aardig. Weinig wachtenden voor je.

 Het echte probleem is de hoeveelheid snoeren en apparatuur. Waar­van veel al weggekund had. Een huis vol snoeren.

 Ik denk aan mijn schoonvader en de koekoeksklok. Die het altijd keurig deed. Tot hij stopte. Zijn reactie: 'Maar hij heeft het toch altijd keurig gedaan!'

 Het leven zelf. Dat op een dag ophoudt. Iets wat het altijd deed moet het blijven doen.  

 Minder snoeren is de oplossing, dat begrijpt een kind. Maar welke kunnen weg en welke niet?

 Heel Nederland ligt vol snoeren.

Succes

 Nooit zal ik dat woordje meer anders kunnen horen dan als het klonk uit de mond van Guus. Zo heette hij, ving ik eens op bij een van mijn vele bezoeken aan de verfwinkel. Gunstig gelegen in die tijd omdat de buurt in razend tempo betrokken werd door gretige doe-het-zelvers.

 Guus bleef altijd rustig onder de bestellingen van studentes die nooit eerder een flesje peut of een kwast hadden aangeraakt. Roerstokjes kregen ze erbij bij de vleet. Guus kon kleuren feilloos namengen van een oude splinter.

 Waterbasis of oliebasis, het is even weten. Adviezen gaf Guus ongevraagd.

 Voor mij kwam zijn moment van glorie bij het vertrek als de student of artieste de zaak verliet met zakken vol verfpotten, stapels kwasten, schuurpapier en afkrabmateriaal.

 Dan zei Guus altijd die magische woorden: 'Veel succes'. Langzaam uitgesproken. Op het omineuze af. Waarna de tevreden klant opgewekt de zaak verliet, meewarig nagestaard door types als ik, die hun leergeld al betaald hadden. Door schade en schande.

 Ja, ik heb mezelf een kamer uitgeverfd, maar de kat erin achtergelaten. Een huis vol blauwe pootafdrukken was wat bleef.

 'Veel succes', denk ik nog vaak.

Knoop

 Wie de uitvinder van de knoop is heb ik niet opgezocht. Hij moet toch meteen het knoopsgat erbij bedacht hebben.

 Nu ik ziek ben en me met een enkele handige hand moet aankleden merk ik de onhandigheden van knopen en knoopsga­ten. Bij nieuw goed zijn de knoopsgaten vaak te nauw. Prutsen maar.

 Het licht moet ook goed vallen. De plotselinge nabijheid en tastbaarheid helpen iets, maar weinig.

 Ook word ik afgeleid door het kijken naar mijn eigen hand. Is dat mijn hand? Het zou ieders hand kunnen zijn.

 Ik ben terug in de tijd dat mijn moeder me haar 'knopendoos' gaf om mee te spelen. Met de koopvaardijknopen van H.A.L. van m'n opa met de ankers erop. En onbegrijpelijke lingerie exotica. Haakjes in soorten.

 Trouwens vrouwen-overhemden hebben de knopen andersom, erg onhandig. Waarom toch?

 Steeds weer verbluffend is de ontdekking dat je verkeerd hebt geknoopt. Eentje te hoog begonnen of of te laag. Dan moet alles weer los en opnieuw.

Glimlach

 Er wordt weinig geglimlacht in de kunst. Marina Vaizey van het British Museum schreef er een boekje over, 'door de eeuwen heen'. Wat de glimlach eigenlijk is? Iets tussen volle lach en strak voor je uit kijken?

 Een compromis vaak. Voluit lachen is niet beschaafd, zeker niet voor vorsten. Toch mag in een portret schilderij iets te merken zijn van binnenpretjes. De kijker wordt verplaatst naar het tussengebied van 'net wel, net niet'. In het ongewisse gelaten.

 Je mag naar haar gevoelens raden zoals de kijkers naar dit gebarsten gezichtsmasker uit Egypte, ca 1400 voor Chr..

 Ook toen al kon je kennelijk je reserve mee het graf in nemen.

 Er zijn veel verschillende glimlachen. Je hebt er die ronduit verleiden, maar ook heel dunne, waar het lachje er nog net af kan.

 Dieren glimlachen niet, zover ik weet. Baby's beginnen met vijf weken al naar hun moeder te glimlachen. En zoeken con­tact.

Zit

 Een veronachtzaamde houding in de schilderkunst is het zitten. Een bijzaak, terwijl hoe iemand zit zoveel uitdrukt. Hier een doek van de bergenschilder de Zwitser Ferdinand Hodler. Waarop de werkmens een berg wordt. Zouden bergen ook uitrusten?

 Op mijn eerste Zwitserse reis probeerde ik ze met mijn eerste olieverfdoosje te pakken te krijgen.

 'Daarom zijn er zo weinig bergschilders,' begreep ik. 'De bergen gaan ons te boven.

 De kleuren zaten niet in mijn verfdoos.

 Lord Byron schreef nog berggedichten maar daarna werden ze een toeristische attractie,

 En hier is dan de bergmens. kort, gedrongen, sterk. Een klimmer. Ik heb een oude Zwitser gekend die op hem leek en die me uitlegde: 'Ik sprechte drei Sprach­en, Frans, Duuts und Swiets.'

Dans

 Tante Nel, die na een reeks van rampen uit Indië was gekomen om gymnastiekles te geven aan de school van mijn vader was zo Hollands-Indisch als het maar kon. Het 'adoe' lag in haar mond bestorven. Al spoedig was ze zijn minnares.

Haar gezin dat in de Haagse vogelwijk woonde, bestond uit Paps, Mams. en haar broer Rein en diens echtgenote Lenie. Paps was een genie - 'Paps kan alles'. Hij was doof en legde overal 'ringleidingen' aan voor slechthorenden.

Tante Nel leerde me pianospelen. nu ja. Het begon met de Tjing tjang babi. Waarbij ik alleen de zwarte toetsen hoefde aanslaan terwijl zij er hele begeleidingen bij improviseerde.

 Het ging om een pianospelend varken 'babi' en het leek of ik dan ook echt kon spelen. Rein had op een onderzeeboot gewerkt, waar hem was aan­geleerd - net als de hele bemanning heel preciese tijden naar de WC te gaan waarvoor vaste tijden bestonden.

 'Paps kan alles'. Tante Nel heeft nog geprobeerd me te leren dansen. Nam me in een ijzeren greep tijdens een uitstapje naar Brugge. Het gebouw kan ik nog aanwijzen. Het behoort tot de mislukkingen van mijn leven: 'nee, nee...'. Doof, blind en kreupel was ik. Een dansend varken. Nooit heb ik een oud-Indisch gast horen praten over de Tsjing tsjang babi. Zelfs Rudy Kousbroek niet.