Shellshock

 Gisteren, op 11/11 de film 'They shall not grow old' van Peter Jackson. De slag­velden van de Eerste Wereldoorlog in kleur. Zeeën van prikkeldraad. Stukges­choten lichamen in resten uniform. Célines Voyage au bout de la nuit maar dan echt.

 In kleur. Wat maakt dat uit? Heel veel. Het wordt aanraakbaar, voelbaar. Roken, ook pijpjes zolang je kan. Bajonetten op je geweren zetten en dan trenches uit, de dood in. Aan flarden ges­choten worden.

 Veel hospikken zijn er niet. Soms wordt iemand ondersteund door kameraden met een half hoofd naar een EHBO-tent gezeu­ld. Duitse jongens worden uit de loopgraven geleid, heel vrien­delijk. Gedeeld lot leidt tot kameraadschap. Ze wisselen petten. Levende mensen. Het is de kleur die honderd jaar later zegt dat het echt is.

 Dat het ondraaglijke pijn doet. Celine beschrijft de kolonel die nog net een bevel kan geven voor hij in flarden vliegt. Weg kolonel.

 De tanks in actie over de loopgraven zijn verbazend, Maar het zijn de gezichten, hier en daar geanimeerd, die het ­doen. De starre grijns van de dood ligt er al op. Ze kijken je aan. Een enkeling houdt zich nog flink voor hij de loopgraaf uit moet. Starre shellshock blikken naar de camera, die vastlegt wat straks dood zal zijn.

 Wat hou je eraan over? Voorbij het leven bestaat iets als dit. Ik dacht aan de Duitse troepen die op het eind van WOII niet te verslaan waren. Ze bleven vechten, ze hadden alleen nog hun kameraden. Die het begrepen.

Nooit meer ten oorlog

 Dat was de slagzin in Brussel en Parijs bij de herdenking van de wapenstilstand van 1918. Zelden zie je zoveel generaals op tv. Onmatig dikke ook, veel. Generaals sneuvelen zelden. En dat terwijl er op vele plaatsen ter wereld oorlog is, van Konga tot Jemen. De wapenleveranciers zijn bekend.

 Tegelijk keek ik uit het raam en zag een keurig geklede man bij de overburen aanbellen. Er werd niet opengedaan. De man had een van boven een kaal hoofd, een 'maneschijntje'.

 De wapenleveranciers op de televisie moesten de Bolero van Ravel uitzitten. Trump beheerste zich zichtbaar, de toespraak van Macron op zijn oortje verveelde hem duidelijk. Poetin is een betere acteur. Hij keek ik de regenhemel met een 'hier heb ik niets mee te maken'-blik. Merkel was huismoederlijk. De Engelsen ontbraken, alsof de Brexit al een feit was.

 Aan de overkant werd de aanbeller ongeduldig. Hij liep naar de spiegelruit opzij en controleerde zijn uiterlijk, deed iets aan z'n haar. Ging nogeens bellen. Ik keek naar het maneschijntje en gaf hem weinig kans bij de overbuurvrouw.

 De Bolero van Ravel duurt veertien minuten. Een eeuwigheid. Van het begin tot het eind begeleid door een trommel. Alsof er ten strijde getrokken moest worden. Toen was het voorbij. Aftocht.

 De aanbeller aan de overkant gaf het op en liep uit beeld.

Frans Budé

 Lezend in de bundel 'Zoveel nabijheid' van Frans Budé dacht ik aan de marconist op de grote vaart die me uitlegde hoe dat gaat: 'Soms zie je wat hijskranen in de mist opdoemen en dan zeggen ze aan boord: "Daar komt een dorp voorbij." Je moet weten, het schip ligt stil, en de wereld komt voorbij.' In de afdeling 'Overgang en ontwrichting' gaat het bij Budé over die zelfde dingen. Wat beweegt? Wat staat stil? Dit heet 'Overgang':

 'De avond komt met de verte mee, hinkelt even, legt

zich breeduit neer. Niets is hem vreemd als hij langs

het lover strijkt, muren lijkt weg te vagen, gedaantes

 

van in schemer gehulde wandelaars. Zij beklimmen

de laatste heuvel vandaag, klemmen zich vast aan

hun stok als omarmen zij een pas ontdekte minnaar

 

Onverstoorbaar gaat het wegdek hen vooruit, bocht

na bocht. Een vlier langs de kant, zwart en zoet, ploft

in eigen zwaarte neer. Totdat in de vroege ochtend

 

een zachte bries komt opdagen, opwaartse stroom wordt,

overal vandaan, warm, wakkerend - als aanloop tot.’

Zeeuws geluk (2)

 Het weerkerende woordje in het memorabele 'Zeeuws Geluk' van Carolijn Visser is 'ei'. Ik herkende het onmiddellijk. Het is een wat zangerige toevoeging aan iets wat je zegt en het betekent iets als 'nietwaar' of 'he'. 'Het is allemaal zo lang geleden, ei.' en het is warm, ei.'

 Carolijn maakte een rondreis door haar geboortestreek, meest Walcheren en Noord-Beveland, waar mijn familie ook vandaan komt. Ik ben er met mijn vader nog een paar keer rondgereden. Hij herkende de daken van veel boerderijen en wist de verhalen. We aten paling en ik leerde dat je die vangt vlakbij een gemaal. Daar is het water warmer, ei.

 Op de schitterende foto's kom ik ook de hoedjes tegen die op een zondag ter kerke gaan. 'De Gereformeerde Bond binnen de Nederlands Hervormde Kerk' werd me uitgelegd, 'die stemden CHU, Christelijk Historische Unie'.

 Dat was te merken, toen we de Middeleeuwse kerk op St. Maartensdijk ('Smerdiek') wilden bezoeken werden we door een hoedje tegengehouden. Geen toegang voor niet-leden. Wat mijn vader ook tegenwierp over tante Eva, die in de pastorie er tegenover had gewoond, niets hielp.

 Later hoorde ik dat er tussen de pastorie en de kerk nog een oude ondergrondse gang moest zijn.

 We bekeken een stokoude moerbeiboom er naast. 'Die stond er toen al, ei. Wat ze ook zeggen, niet te eten hoor.'

Tags: 

Styx

 Rike, een 40jarige Duitse arts op sabbatical zeilt solo over de oceaan. Doel, het eiland Ascuncion. O die mooie natuur. Haar zeewaardig jacht heet ook Asa Gray. Naar de concurrent van Darwin. Maar er komt veel tussen.

 Midden op de oceaan krijgt ze na een storm een zinkende vissersboot in zicht vol vluchtelingen. Sommige ziet ze overboord springen. Eentje de 14-jarige Kingsley, in een verscheurd shirt met Ronaldo erop, nummer 7, waarin heel het drama besloten ligt. lukt het zwemmend haar zeiljacht te bereiken, halfdood. Ze vist hem op en redt hem. En hij komt bij. Maar wat nu? De kunstwacht beveelt haar per marifoon in haar eigen belang verder te varen. Er komt wel hulp, maar dat duurt en duurt. Een handelschip weigert hulp want dat wil zijn firma niet.

 De boot blijft in zicht en Kingsley weet dat oa. zijn zuster aan boord is en wieweet al omgekomen van dorst of hoe ook. Hij gooit in wanhoop Rike overboord, maar die komt terug.

 In het script van Wolfgang Fischer is de titel, Styx, de rivier in de onderwereld tussen leven en dood tot z'n morele essentie teruggebracht. Blanke rijke vrouw op vakantie ontmoet vluchteling. Ze kan onmogelijk iedereen aan boord van het wrak opnemen, dat zou ook haar eigen dood betekenen. Het jongetje wil op z'n minst zijn zuster redden. Allebei onmogelijk.

 Als de kustwacht eindelijk komt zijn de vluchtelingen bijna allemaal dood en is Rike vervallen in een catatone zwijgzaamheid. Niets dringt meer tot haar door. Van haar dokterseed van Hippocrates is niets meer over.

De uitvinding van het mobieltje

 Gisteren werd ‘We waren erbij’ ofwel 'De eeuw van de radio' van Jan Westerhof gepresenteerd. Maar dit verhaal staat er niet in. Het speelde zich af, lang voor de uitvinding van de mobiele telefoon.

 We zaten op Scheveningen, Radiopionier Peter Flik en ik, jaren ’70. De radiowagen stond naast het Kurhaus. En Peter had op het strand, boven op een zandhoop een telefoontoestel laten zetten. Zonder snoer. Nu kwam het. Hij vroeg aan twee dames, duidelijke badgasten, waar ze vandaan kwamen. Ik stond terzijde met de microfoon, we waren live in de uitzending.

'Aus Wuppertal.'

'Schön,' zei Peter en wees op het telefoontoestel. 'Wollen sie nach Hause anrufen?'

 Verbazing bij de dames. 'Aber das geht doch nicht,'

'Aber doch! 'Versuchen sie es mal.'

 Voorzichtig pakte de ene de telefoon op. En jawel, een kiestoon.

'Wählen sie doch eine Nummer. Wissen sie eine?' 'Ja doch, meine Freundin.'

 Ze draaide een nummer in Duitsland. Op mijn koptelefoon hoorde ik het overgaan. Een vrouwenstem.

'Thilde, wo bist du denn?'

'Am strand, in Scheveningen'

'Am strand? Wo denn? Wie ist das möglich?'

 Klaterend gesprek. Op dat moment kwam een agent van de strandpolitie zich mengen in onze uitzending, niet merkend dat hij werd uitgezonden.

'Komt u maar es mee.'

 En daarna ontwikkelde zich het voorspelbare gesprek. Of we een vergunning hadden etc. We wezen op de radiowagen naast het Kurhaus. Ah.. Zo ging de uitvinding van het mobieltje.

Tags: 

Honderd jaar radio

 De radio bestaat honderd jaar en oud radiochef Jan Westerhof schreef het grote boek dat daar bij hoort: 'We waren erbij'. Vanmiddag wordt het gepresenteerd.

 Toen ik in 1966 in Hilversumse kwam werken heeft Peter Flik mij rondgeleid door alle gebouwen en studio-villa's waar de omroepen toen nog zaten. Wat het tot een geheel smeedde was de technische dienst van de Nederlandse Radio Unie, die alles beheerde, van de micro­foons tot het gaatjesboard aan de wanden en de asbakken: alles eigendom NRU.

 Sinds de geluidsband was weinig meer live. Een rigide DDR-achtig systeem met veel bonnen zorgde dat het nooit stil was op de radio en alles onder controle. In Eindco­ntrole­kamers (ECK) keken verveelde technici op een metertje, startten soms een band of schoven een omroepster open die weer een lang band-programma aankondigde. Pien Koolschijn, heeft veel gebreid in al die uren. Maar ook Annemarie Oster wist ervan.

 In de ECK's werd gewaakt. Een potloodje registreerde op voorbijdraaiende strook ruitjespapier de geluidssterkte. Aan het eind van de dag controleerde de studiochef of het stil geweest was en werd de technicus op het matje geroepen. Eens na een montage van ons jongerenprogramma was een doos met overgebleven broodjes blijven staan. Die werd weken later met verschimmelde inhoud en een woedend briefje aan onze directie gestuurd: 'Wij vertrouwen erop.. '.. 'In het vervolg..'. etc.

 En nu? Nu zijn de meeste technici verdwenen en doen programmamakers het o zo goedkoop zelf en zelden meer op band. Live, net als honderd jaar geleden, in de tijd van Idzerda. Leve de achteruitgang! 

Toeschouwers

 'Niet om te zien gaan zij, maar om gezien te worden', schreef Ovidius al over publiek. Ook gisteren bij Ikeda in Eye waren de toeschouwers interessanter dan de voorstelling. Of beter, de combinatie van de twee.

 Ik deelde hun tasten in het letterlijke en figuurlijke duister. Twee jongetjes probeerden of Ikeda interactief was. Toen bleek dat zijn kleine deeltjes niet met zich lieten spelen verzonnen ze zelf wel wat

 Een beetje museumbezoeker laat zich niet kennen. Je kunt altijd nog mmm ínteressant.. interessant mompelen. Alleen bij Gummbah komen apen uit de mouw.

 Maar waar ik ook kom, vaak wedijveren toeschouwers in bezienswaardigheid met de kunst. Veel vrouwen. Veel met z'n tweeën, vaak ook groepsgewijs.

 Ik fotografeer liefst naar kunst kijkende vrouwen. Wat ze tegen mekaar zeggen weet ik niet, wel is er altijd een die het beter weet en haar vriendin iets uitlegt. En, ze hebben zich erop gekleed.

Ikeda

 De Japanner Ryoji Ikeda exposeert in Eye. Maar wat exposeert hij? Ik begeef me in een donkere ruimte waar mensen langs de wanden op de vloer zitten en kijken. Naar wat?

 Werk van 'Extreme precisie, minimalisme en een wiskundige esthetiek' zegt de toelichting. Een mengeling van beeld, geluid en computerdata. Samen 'georkestreerd tot meeslepende synthetische ervaringen'. Zijn computerprogramma's en algoritmes genereren het beeld en geluid waar ik doorheen dwaal.

 Meestal tegen wanden geprojecteerd, maar ook eenmaal, in 'data.gram' (2009) op de vloer, op wie daar rondloopt zoals ik en wat kleine jongetjes die het spel net zo min begrijpen. Is er een conclusie? Nee, het gaat om reductie. geluid wordt sinustonen, licht wordt pixels, alles ontleed tot in de kleinste delen.

 Ikeda is 'gefascineerd door oneindigheid'. En ja, er komen beelden van sterrenstelsels voorbij. Fundamentele vragen als 'Hoeveel getallen zijn er? Bestaat er echte willekeurigheid? Hoeveel punten gaan er in een lijn tussen 0 en 1. Is de werkelijkheid continu of niet?

 Vragen, geen antwoorden. En dus, zegt Ikeda, kunnen we niet anders dan haar reduceren tot de elementaire deeltjes beeld en geluid die je hier ziet. En daar naar staren, zoals hier gebeurt. In afwachting van de vorderingen van de wetenschap.

 Waar kijk je dan naar? Kennelijk naar wat je niet weet. De charme van het niet-weten.

Zeeuws Geluk

 In haar nieuwe boek na het China van 'Selma' duikt Carolijn Visser diep Zeeland in. Te beginnen met haar eigen Zeeuwse jeugd, het dichten van het Veerse Gat, de eerste stap van de Deltawerken. En daarna fietst ze rond en praat met meest oude Zeeuwen en Zeeuwsen over hun land en leven.

 Ik weet iets, mijn familie van vaderskant waren Zeeuwen. Mijn grootvader, zoon van de bakker op Wolphaartsdijk was de eerste die eruit brak en Duits ging studeren in Groningen.

 Een melancholieke man. Halverwege zijn studie zat hij lang  depressief thuis en wandelde van de bakkerij over de Veerweg naar de dijk van het Veerse Meer, waar hij over het water staarde naar de plek op Noord-Beveland waar later Carolijn en haar moeder zouden staan. Ach, het silhouet van Veere.

 Mijn grootvader, die ook Wim heette kwam dan langs het enige stukje grond dat de familie nog in bezit had: twee meter breed en tweehonderd lang, na de vele erfenissen waarbij de grond eindeloos versplinterd was.

 Hij werd leraar en ouderling in Den Haag. We wandelden naar de stenen kikker in de vijver van het Gemeentemuseum. Nog hoor ik zijn onuitwisbare Zeeuwse accent: 'Kees de kikker zingt zijn lied, heel mooi zingen kan hij niet.' En nu pas begrijp ik dat hij zich herkende in die kikker.

 Zeeuws Geluk? De verhalen die Carolijn Visser rondfietsend door Zeeland optekende hebben dezelfde mengeling van vrede, pech en berusting tegen zeldzame achtergronden als het silhouet van Veere.