Keerpunt 1961

 Steeds kom ik steeds terecht op het kantel­punt. Het jaar waarin de oude tijd voorgoed overging in de nieuwe moet wel zijn 1961.

 Een jaartal dat het zelfde blijft als je het op z'n kop zet. Zodat de tijd stilstaat, zoals in de film Marienbad van Resnais uit dat zelfde jaar. Het jaar waarin mijn Indische overbuurman - een beminnelijke kantoorman die in een Rover reed met veel hout van binnen en die zijn gitaar - hij was de enige vader in de straat met een gitaar - aansloot op zijn radiotoestel en me betoverde met fluwelen klanken.

Niet wetend dat in dat zelfde jaar in Liverpoolse keldertjes Engelse jongens de blues van Muddy, Howlin' Wolf en Hubert Sumlin probeerden na te spelen.

Ik zag in Den Haag de Indische gitaarband René en his Alligators in de aula van een katholieke school. Indische meisjes liepen als eersten in petticoats. Indië, dat ze ontvlucht waren lag nu eenmaal dichter bij Amerika. Indische mensen waren modern. Lagen voor.

Elke maandagochtend reed een busje de straat in volgestouwd met Hoover-wasmachientjes, waarmee ook mijn moeder waste. Tegen zessen werden ze weer opgehaald. En dat was nog maar het begin.

Fouten

 Afrika, een kruispunt van talen en culturen. Er is zoveel dat ik blijf speuren in het Afrika-nummer van Tijdschrift Terras. Zo kom ik bij de Zuid-Afrikaanse dichter Charl-Pierre Naudé (1958), vertaald door Alfred Schaffer. Dit heet 'Fouten'. Ik zou het graag in onze Tweede Kamer ophan­gen:

 'Wee onze fouten./ Ze verdienen beter/ dan verspild te worden/ aan onherbergzame wezens als wij./ Natuurlijk, ze drijven aan op de lucht, als ziektes./ Natuurlijk, ze landen in kleine hoekjes, als motten.

 Maar waarom die beledigende termen?/ Onze fouten zijn gewoon insecten, zoals we allemaal ooit waren;/ een primitief soort ruimtevaarders,/ onzichtbare, vliegende kringspieren/ zonder lichamen, uitzettend en krimpend -/ een luchtmacht die geen zier om anderen geeft./ Ze verwoesten enkel in het voorbijgaan,/ als Amerikaanse huursoldaten.

 Zo tonen zij nu eenmaal hun voorkomendheid./ Zoals kiemen proberen ze te zeggen:/ jouw problemen hadden erger kunnen zijn.'

Tags: 

Geur van vijvers

 Als ik een vijver zie, zoals vanmiddag in de tuin van het Voorschotense landgoed Berbice denk ik aan mijn jeugd in het Huis te Eerbeek, waar toen de vijver en de voormalige slotgracht werden leeggeschept door mannen in dienst van de DUW. Ik herinner me de kolenfornuizen waarop voor 50 man gekookt werd.

 De Dienst Uitvoering Werken was kort na de oorlog een methode om werklozen bezig te houden. En de grachten en vijver van Eerbeek lagen vol in de loop der eeuwen afgevallen blaren. Zo reden mannen in overall op kaplaarzen uit de drooggelegde grachten kruiwagens vol dood blad over wiebelende planken naar de kant.

Sindsdien ben ik gefascineerd door vijvers, met hun ringslangen. En de eenden en zwanen die ik vanmiddag niet zag.

In Eerbeek vergaten eenden vaak hun nesten zodat je in een stinkende eierschalenberg trapte.

Berbice dateert van de 17de eeuw, het oorspronkelijk Middeleeuwse Huis te Eerbeek uit de 18de, de barokke Buitenplaatsen zijn stilistisch verwant in hun restanten van Engelse tuinen. Die buitenplaatsen hebben een heel aparte geur, die van vocht, schimmel en kromtrekkend hout vol schilfers.

Binnen en buiten

 Gisteren zat ik buiten en voelde. De zon had al kracht. En dacht aan de renaissance wandtapijten in het Haags gemeentemuseum. Waar binnen buiten is en buiten binnen. Het spel der seizoenen. De mooiste zag ik ooit in Gent.

 's Winters als het binnenshuis nog koud was en men hokte rond het haardvuur, waren de stenen muren behangen met tapijten, waarop, jawel, zomerse landschappen, gazons met nimfen en half naakte godinnen. Zodat de zomer 's winters toch om de vorsten heen kon zijn.

Als je de haard maar stookte. Karel de Stoute nam zijn tapijten mee naar het slagveld en liet ze uitrollen in zijn tent.

Tapijten, zoals ontworpen in het atelier van Rubens waren vol betekenis. Zijn olieverfschetsen waren voorbeelden voor de wevers.

Het bisschopslijf begaf zich in de buitenlucht en werd daar warm gehouden in een stoffelijke omhelzing van Bijbelse figuren. Vol verwijzingen. Maria Magdalena op het lijf dragen! Maar de tijd dat tapisserie, warm, aanraakbaar, voelbaar, het eindproduct was ging voorbij. Stoffen blijven lang bewaard. Ik zag wat overbleef op kazuifels in het Catharijne Convent in Utrecht.

Onsterfelijke Annie

 Op mijn gymnasium was het werk van Annie Schmidt taboe. Geen literatuur. Wat het dan wel was? Ik wissel soms regels van Annie uit met leeftijdsgenoten.

 En zo kom ik opeens bij 'Amandeltjesrijst met bessensap' en is de vraag hoe het verder gaat met de slaapwandelende koning getekend door Wim Bijmoer. De koning  die in de dakgoot staat. Men houdt z'n hart vast. Alleen zijn lievelingsgerecht kan de koning wekken. Maar hoe loopt het af.

 'Amandeltjesrijst met bessensap,' fluistert de koningin. En opeens weet ik het: 'En dan zei de koning "waar dan?"' Weerkerend thema is bij Annie is benauwenis gevolgd door opluchting.

 Ik bezit de boekjes niet meer. Alles moet nu uit het hoofd. Wat beter is. Was het ook een koning die zo vreselijk moest niezen? Waarop volgt: 'Hèhè zei de koning en toch lucht het op?' Natuurlijk blijft Ubbeltje van de bakker wakker, hoeveel zand Klaas Vaak ook over haar heen strooit. En loopt het met Juffrouw Scholten in de hitte verkeerd af: 'Enkel nog haar tasje lag daar in een plasje. Arme juffrouw Scholten, helemaal gesmolten op de Dam.'

 Het braafste kind dat ik ooit zag de blijft Pieter Hendrik Hagelsl­ag. Zoals de kleine Annabel prikkel­baar blijft. 'Ik zal dat snertkind leren p­rikkel­baar te zijn.'

 Maar bij mij komt de bevrijding met Meester van Zoeten, die zijn voeten wast, zaterdags in het aquarium. Zie hem daar zitten, op zaterdag, want dan is het zoetwaterdag.

 Door Annie heb ik mijn jeugd overleefd.

Tags: 

Tom Lanoye en de vrijheid

 Toen Tom Lanoye, de slagerszoon met het brilletje uit Sint-Niklaas bij wie het hakblok van zijn vader nog in de kamer staat, op de radio begon op te treden viel meteen op hoeveel er bij hem uit moest. Half zingend, half orakelend over Gent-Wevelgem (zijn debuut). Soms niet meer te stoppen in de rondedans met zijn gettoblaster. En nu is er bij de Poëzieweek met het thema 'vrijheid' zijn bundeltje vrij-wij? Ons aangeboden dor de boekhandel. Weer half performance. Dat opent met 'zonder handen, zonder tanden':

 Geen woord zo vrij als vrij/ Het weert wat men verbiedt./ Smetvrij/ Vetvrij./Kogelvrij.

 Maar wat is dan gastvrij?/ (ontdaan van vreemdelingenwaan?)/ En vogelvrij: een doel, een straf/ of een verzuchting op een graf?/ ('Hier ligt hij: Eindelijk vrij')

 Geen woord zit zo ongestoord vol zwijnerij./ Vrije jongen, vrije liefde, vrije handel. En/ toch loert overal ook angst voor vrije val.

 Geen woord bekoort zozeer/ voor wie het hoort./ Geen woord vermoordt zoveel/ van wie er niet bij hoort.

 vrij-wij?

 De lucht is vrij,/ De vraag is vrij./ De vrijheid niet./ Ze lonkt en vrijt./ Maar zij ontschiet.

Tags: 

Vierkant denken

 Altijd weer kan ik gefascineerd kijken naar een parade in het Noord-Korea van Kim Jong-il. Het is de orde die het hem doet. En de vraag blijft hoe al die eender geklede mensen hun eendere bewegingen kunnen blijven maken.

 Het nieuwe, fraaie nummer van het tijdschrift Extaze heeft het debuut van Ferdinand Bordewijk, zijn 'moderne' novelle 'Blokken' (1931) als uitgangspunt genomen, waarin hij onze stedenbouw ziet voortkomen uit een geestesgesteldheid. Wij denken en bouwen vierkant. In Rusland kwam het constructivisme, bij ons was het de Stijl die de planologie stuurde. En Bordewijk laat het echec van dat denken zien.

 Leven in maquettes waaruit het individu verdwenen is, dat loopt spaak. Blokken is ook verwant met Fritz Langs Metropolis (1927).

 Ik heb de dochter van Bordewijk gekend, die ook schreef als Nick Funke. Ze vertelde dat haar vader elke zondag een Nederlandse stad bezocht met haar broer Robert, zij mocht niet mee. 'Geveltjes kijken' noemde hij dat. En hij hield zeker niet van het rechtlijnige Nieuwe Bouwen, juist van sloppen en stegen.

 Eens, tijdens een Rotterdamse stadswandeling met de architect Wiek Röling vroeg ik waar al die rechte lijnen vandaan kwamen en hij zei 'Als je bouwt moet je zo'n kraan neerzetten die op rails loopt om het bouwmateriaal aan te voeren. En dan kan er kan beter geen bocht of hoek in die rails zitten, want dan wordt alles een stuk duurder.'

Doorgebroken suite

 Rond 1950 veranderde de wereld. Dat begon met het huis waarin we woonden, naast de zg. Volkshogeschool in Eerbeek, waar elke week een autobus met plattelandsvr­ouwen, fabrieksarbeiders of bibliothecaressen bezorgd werd, die een week lang gingen pottenbakken, in de tuin werken en zich creatief leren uiten.

 Veel in het nieuwe Kunstschrift, gewijd aan Bauhaus, herinnert me daaraan. Er was na 1950 wat geld en de interieurs uit grootmoeders tijd moesten eraan geloven. Ik speelde op kokosmatten, onaangenaam spul, maar modern.

 We verhuisden. Op mijn vijftiende werd de Haagse suite 'doorgebroken', als een van de laatste in de straat. De glas-in-lood schuifdeuren eruit, linoleum kamerbreed, banaantafeltjes met formica erin.

 Mijn ouders ­begrepen het slecht en zo werd ik binnenhuisarchitect. Liefst had ik het hele huis op z'n Mondriaans gestileerd, maar de crapauds werden alleen maar overgetrokken in matgeel, matrood en zwart.

 Later ging ik de bronnen terugzoeken, tot ik in Dessau kwam in het Bauhaus. Nu een doodgewoon modern schoolgebouw, waar kinderen de kantine binnenstormden.

 Nu in Boijmans een grote Bauhaus expositie begint kom ik terug bij de bedoelingen. De nieuwe interieurs zouden een nieuwe mens moeten scheppen. Maar wat je ook bouwde, weldra stonden de geraniums weer in de vensterbanken. En Bauhaus kende een strikt gescheiden vrouwenafdeling - vrouwen konden niet in drie dimensies denken en het ging daar om architectuur. En bovenal, het individu was taboe. Kunst was van iedereen, voor iedereen. Het latere motto van de publieke omroep in Nederland. Maar de geraniums komen altijd en overal terug. Ik hou van ze.

Roberta Petzoldt

 Je bent een lichaam, onthou dat. Niet iets dat je hebt, je bent het. Zo las ik het tijdens een slapeloze nacht in een Zwitsers hotel. En nu denk ik daaraan bij 'Vruchtwatervuu­rlinie' van Roberta Petzoldt. Gedichten die de afstand tussen jou en de wereld, de anderen kleiner maken. Zoals 'Nageslacht':

 'Op een dag liep ik door een veld afgekeurde alikruiken/ een fluisterde een toonaard.

 Elk had iets achter zich gelaten/ de wangzak van een kolibrie/ de suggestie van blindelings geboren worden/ de grap met de stofzuiger.

 Een dagdeel kwam aangezet, bang om herkend te worden/ deed het een hert na./ Het was de achternaam die uiteindelijk aan zichzelf deed denken.

 Antieke koebellen die geveild werden, lagen/ geluidloos op het glas en niemand stond op om flauw te vallen./ Kieuwslak koos zeven/ de alarmstem verslikte zich in de zandverstuiving.

 Het wolkendek verdeelde zich in schaapjes die liefelijk/ afdreven naar de denkbeeldige herder./ Anders dan het stampij van de branding waar vlokken schuim/ zich van de kustlijn afscheurde en koortsachtig over het strand draafde.

 Wil je en baby? vraagt de man, terwijl hij mijn sigaret uit/ een pakje trekt.'

Wandelende vrouwen

 In haar boek Wanderlust geeft Rebecca Solnit de geschiedenis en betekenis van het wandelen. Het lopen zonder direct prak­tisch doel. Alleen of in gezelschap. En na de eenzelvige wijsgerige bespiegelingen is daar het meisje.

 In 'The dead' van James Joyce ontdekt een man dat zijn echtgenote in haar jeugd een vriendje had en vraagt of ze van hem  hield. Waarop ze antwoordt, vernietigend: 'We gingen samen wandelen.'

 Naast elkaar lopen, ontdekte ik zelf, is niet eenvoudig. Hoe stem je de tred op elkaar af. Hoeveel afstand hou je. Komt er een aanraking? Waar gaat toeval over in opzet? Hoe kan steunzoeken bij het passeren van een modderplas overgaan in hand-in-hand.

 Zonder chaperonne wandelen op een verkeerde tijd en plaats maakte een vrouw altijd al verdacht. Ze kon gearresteerd worden en onderzocht op geslachtsziekte. Zou een hoer in de VS nog een streetwalker heten?

 Begin jaren '60 nog werden we tijdens zo'n wandeling op afstand gevolgd door de moeder van het meisje in haar autootje. Er zijn oneindig veel liedjes gemaakt over hoe vrouwen over straat lopen. Het onschuldigste is 'Poetry in motion'.

 Mooi is het verhaal over Marilyn Monroe die met een vriendin over straat liep. En tot verbazing van de vriendin totaal niet herkend werd. Toen de vriendin dat tegen haar zei antwoordde ze: 'O, zal ik haar even doen?'  Waarop ze op z'n Marilyns ging lopen, met haar kont bewegend en al. En jawel, overal in die straat draaiende mannenkoppen.

 Waartegenover de verbergende voorschriften van streng gelovigen staan. Wat kan en mag nu waar en wanneer? Zoals Sylvia Plath zei: 'Als vrouw geboren worden is een vreselijke tragedie.'

Tags: