Uddevalla

 Waar was ik? Noorwegen? Zweden? Er leek geen eind te komen aan de dennebomen. Ik had de nacht doorgebracht in m'n tentje in een bos en was gewekt door grote brokken steen die er op vielen. Buitengekomen zag ik arbeiders bezig stukken rots op te blazen. Weg hier dus. Verder.

 Eindelijk kwam ik aan de oever van het zoveelste meer, met grote stapels boomstam­men en luide zaag­machines. Maar waar? Ein­delijk kwam er een bord, met daarop het woord Uddevalla.

 Omdat ik nog rookte was een greep in mijn jaszak voldoende voor de bijbehorende woorden: 'Sakerhets tandstickör' en 'The Swallow'. Met medailles van wereldtentoonstellingen.

 En de wereld opende zich. Daar was het meisje van de lucifer­fabriek gespeeld door Kati Outinen, uit de meesterlijke film van Aki Kaurismaki.

 Ik gebruikte de lucifers, gespleten, vaak om troep tussen mijn tanden vandaan te halen. Kon een lucifer in het Zweeds ook een tandenstoker zijn?

 Ik wist nu tenminste hoe Kaurismäki aan z'n debuut was geko­men.

Bootje

 Het was kort nadat ik het Twentekanaal in het echt had gezien, een brede stroom vol grote en kleine boten. Vanuit de auto van meneer Besseling, waarvan de achterbak vol lag met dozen vol flessen wijn en jenever. Meneer Bes­seling was een grappen­maker.

 Hij kon zijn auto met een 'let op' kaars­recht op een lan­taarnpaal afsturen zodat zijn zoon Bertje en ik gilden van schrik. En dan op het laatste moment het stuur omgooien.

 Een dag later zat ik op de stoep met de jongens uit het buur­tje in de zon en vertelde een verhaal dat ik ter plaatse verzon zoals ik vaker deed. 'Ik heb een bootje,' zei ik. 'Het ligt in het kanaal. Jullie mogen allemaal meevaren. We varen tot de spoorbrug.'

 In mijn verbeelding zag ik het bootje het was wit, met een rode streep opzij. Ik zag het liggen. Als je maar hard genoeg denkt is zo 'n bootje er ook.

 'O ja,' zei Bertje, en hoe heet dat bootje dan?'

 Ai, een blunder. Alle boten hadden een naam, maar de mijne niet. Ik kon er geen verzinnen, zo vlug. Ik viel in een gat.

 'Zie je wel, je liegt,' zei Bertje, 'je hebt helemaal geen bootje.'

 Je kunt geen bootje verzinnen dat er dan ook echt is. Je moet opletten wat je zegt.

Kaiserstuhl

 Op de Kaiserstuhl, een bultberg met wijngaarden aan de Rijn halverwege de Noordrijnse laagvlakte vond ik, na een rondwan­deling met uitzicht over de rivier, die in de verre schemering ver­zonk, eindelijk een hotel. Was het hier dat Arnon Grunberg met zijn moeder logeerde?

 In het hotel hingen geen schilderijen aan de muur, maar in­gelijste, pagina's uit Illustrierten van vroeger. De Stern, de Neue Illustrierte, de Bunte, Burda en zo meer, de Bild niet te vergeten. Die layout! Zo keurig als het verleden daar hing. Het v­eranderde niet, alle dagen. De gezichten van Claus B­iederstä­dt, Vico Torriani, Catharina Valente - Zwei kleine Italiener, am Banhof da sieht man sie - en het bijna vergeten Hazy Oster­wald Sextet. De Nederlandse televisie zond Duitse shows uit, Rudy Carrell trad in Duitsland op en dat zag je dan weer hier.

 Hazy Osterwald, de kleine bebrilde Zwitser, was een uithang­bord van de Euro­pese integratie, de drummer was een Belg, de saxof­onist een Fran­sman en zo door. En nu vergeet ik Alfred Biolek met Bio's Bahnhof, die zijn hele show vanaf een station deed. En dan de gezichten. Van Karin Baal, Elke Sommer en de Kessler tweeling Alice en Ellen.

 En de jongens, van Hardy Kruger, Jan en Kjeld en Peter Kraus tot Gunther Sachs von Opel en mijn favoriet Horst Buchholz. De Duitse James Dean. Ze hingen hier allemaal.

Hilversum

 Toen ik pas het Hilversumse grint betrad moest ik veel leren. Ik werkte in de villa's van de omroepen. Kwam met mijn op­namebandjes aan en moest daar samen met de technicus van dienst op mijn instructies iets begrijpelijks uit maken. Peter Flik, chef jeugdprogramma's, leerde me alles.

 Technici werkten afwisselend voor alle omroepen en kenden de meeste radiomakers, al werden ze op de duur in groepen in­gedeeld, die ofwel voor de AVRO ofwel voor de VARA werkten, in steeds andere studio's. Mijn eerste technicus was Nol Gobits, die bij het beluisteren van mijn ruwe materiaal over de jeugd van tegenwoordig zei: 'En dat wil je gaan uit­zenden?' Nu hadden collega's me tevoren gezegd 'Nol Gobits. Geen vragen stellen. Jij bent de baas.'

 Een keer was me een vraag over de Telefunken M5 ontsnapt. Het kwam me op een exposé van een uur te staan. Weg montagetijd.

 Vaak droom ik nog van technici. Van wie je met sommigen bev­riend raakte. Immers, zat je in een ingewikkeld probleem met je onderwerp dan was er niemand anders dan de man met wie je lange dagen tussen de apparatuur zat, die 's zomers aardig warm werd.

 'Wordt dit te lang zo Tom?'

 'Hier dan maar een muziekbreak doen, Bert?'

 Ze wisten en begrepen alles. Je kon ze in vertrouwen nemen als je iets wilde uitzenden als twee uur stilte. Tom regelde dat.

 In mijn dromen tobde ik over wat er miste in mijn reportages. Wat er nog bij moest of wegkon. En dan was er altijd de tech­nicus, een volwassen man bij wie je te rade kon gaan. Over alles.

 'Kan wel weg, dit hoor.' 

Gebakjes

 De Eerste Kerstdag was voor de grootouders, die een geërfd servies uit de kast haalden. Uit verschillende bronnen. Er werd veel overleden. Indrukwekkende soepterrines, opscheplep­els van Gero Zilvium, waarbij een debat hoorde over in hoeve­rre het nu 'echt zilver' was, wat je kon zien aan de zil­vermer­kjes onderop.

 En 's middags de taartjes, waar ik het meest naar uitzag. Waarbij de vraag was welk kind een petit four kreeg, een tom pouce, een mokkapunt , een Berliner bol of een roomsoes, met als hoofdprijs de Bossche bol. Groot, gevuld met slagroom en met choc­ola bespoten en nog een kwak room er bovenop en wiew­eet bekroond met een chocolaatje. Daar waren er meestal maar twee van.

 Waarna de strijd losbrandde of je nu taartje of gebakje moest zeggen. Taartje dus. Ook ''banketbakkersroom'' was een punt.

 De taartvorkjes en de gebaksschuif zorgden voor meer discus­sie. Zouden er nog losse taartjes bestaan, in assortimenten naar keuze? Of gaat taart nu alleen nog in dozen?

 Afhankelijk van het aantal aanwezigen was dan de opgave zo'n taart, een feuilletétaart bijvoorbeeld, in bijvoorbeeld zeven eerlijke stukken te snijden.

Oom Jacques en Oom Kees

 Mijn vader had twee jeugdvrienden, die ook in jacquet en met hoge hoeden op zijn huwelijk verschenen. Oom Jacques en oom Kees. Ik heb ze weinig gezien. Het laatste bericht over schoo­lvriend Kees was dat hij aan de drank was.

 Mijn vader had hem nog eens bezocht op een huurkamer in de Haagse bin­nenstad. Hij zat daar op een stoel met rond zijn voeten al­lemaal lege flessen, die hij nog probeerde achter een kastje te verbergen. Kees moet een leuke jongen geweest zijn, die gedichtjes schreef, maar met tante Rie trouwde, wat verke­erd afliep. Hij verdween uit zicht.

 Dienstvriend Oom Jacques was een ongetrouwde hoge ambtenaar bij Binnenlandse Zaken. Een opgewekte man, maar hij kwam zelden langs. Grapsgewijs vroeg mijn vader dan steevast 'of hij niet eens aan de vrouw moest'.

 Op een middag dat mijn vader niet thuis was kwam hij aan en stortte zijn hart uit bij mijn moed­er. Hij was homoseksueel en werd gechanteerd door 'een jon­getje'. Had het nooit aan zijn vrienden verteld omdat hij wist dat mijn vader een hekel had aan homo's en graag grappen maakte over een collega die 'met een tasje liep' en raar praatte.

 Kort daarna is oom Jacques gestorven.

Aquarium

 Dit is Brussel in haast. Achter de cafétafel waaraan ik zit staat een aquarium. Daar moet een stukje uit komen. Maar ik staar meer dan ik schrijf. Het café ligt aan een dorpspleintje. Er zijn nog vergeten straten tussen de wolkenkrabbers, die hier 'torens' heten.

 Ik was eerder in dit dorpscafé, met polaroids van voorbije feesten aan de wand ('Anniversaire Françoise 23‑1‑1988'). Er verandert hier zelden iets.

Maar nu: een fonkelend, nieuw aquarium. Met aquaria loopt het slecht af. Ik ken een restaurant waar de bevolking van het aquarium elke keer dat ik er kom weer helemaal nieuw en onbekend is. Ik heb nooit durven vragen waar de oude vissen dan gebleven waren. Het glas ziet al weer erg dof en algen dringen op.

De eigenaar van een aquarium is God. Hij neemt de verantwoor­ding over een kubieke meter schepping. Zie wat daar van komt. Ik moet ophouden met naar dat aquarium te staren. De gouden, zilveren en gestreepte vlugge kleintjes, de traag zwenkende sluierstaarten, die zich zo mooi geïrriteerd, met een norse ruk kunnen afwenden.

 In 'Ik heb altijd gelijk' van W.F. Hermans gaat een aquarium aan scherven door toedoen van Lodewijk Stegman. De God denkbaar.

 Dit aquarium staat wel erg ongelukkig opgesteld op een hoogpotige, metalen tafel. Aan de andere kant leunen twee zware Brusselaars er met hun achterwerk tegen. De tafel beweegt. Het aquarium beweegt mee. Niemand die het ziet. Ik inspecteer de opstelling nog eens goed. Het zwaartepunt ligt angstig hoog. Straks zal het hier veel voller worden.

 Vaak wordt aangenomen dat de vissen die je elke dag uit de Noordzee opgehaald ziet worden, anders dan de Brexit-vissers, geen pijn lijden, omdat ze geen geluid maken.

Ruby Dorani

 De danslessen werden gegeven in een luxe villa schuin tegeno­ver wat nu het Haags Kunstmuseum moet heten.

 Onze leraren waren de zilvergrijze meneer (op z'n Frans) Bernard, die in z'n grijsblauwe pak sprekend op de griezelfilmster Boris Karloff leek en de elegante maar zeer sterke mevrouw De Kwant.

 Ik was twaalf en bracht er uit pure verlegenheid niets van terecht. De houdgreep van mevrouw De Kwant, die de mannenpas­sen deed dwong me in onmogelijke houdingen, meteen al bij de quick-step, waardoor een struikeldans ontstond.

 Deze vrouw had toch al al teveel veertienjarigen beet gehad. Verlegenheid, over je eigen voeten struikelen, is onuitleg­baar.  

 Al snel ging ik met mijn klasgenoot Renger Erenst op dinsdaga­vonden niet naar de dansles maar naar Cineac.

 Het kan altijd erger. Een andere klasgenoot Gosling Putto verscheen op de eerste les zonder colbertje en werd door meneer Bernard terug naar huis gezon­den. Volgde een college over het sluiten van colbertknopen. Heeft het jasje er drie, dan mag de onderste open, zijn het er twee dan schuift het knopenregime op. Nog zie ik op televisie staat­s­secretarissen hun colbertjes verkeerd dichtknopen.

 Het Kerstbal heb ik nooit gehaald. Ik kan niet dansen.

Viollet-le-Duc

 Hoe om te gaan met wat het verleden ons naliet? Zo goed mogel­ijk in de oude staat - zover je die weet - herstellen of aanvaarden dat de charme van het verleden tot in het nu reikt. Wat gevolgen heeft. Loop de stad Brugge rond en schat de leeftijd van de stenen en stijlen. Wat is 'echt', wat Ef­teling.

 Ik heb Anton Pieck ontmoet toen hij daar werkte. Het regende en was winter. Overal werd zijn versie van het verleden herst­eld voor een nieuw seizoen.

 Anton Pieck was en is onuitroeibaar. Bij de restauratie van de Nôtre Dame de Paris kruipt zijn Franse pendant Viollet-le-Duc (1814-1879) die de kerk eerder, ten tijde van de neo-gothiek, restaureerde alweer naar voren. Benieuwd hoe dat afloopt.

 In elk geval heb ik Viollet jarenlang gevolgd. Van het quasi middeleeuwse stad Carcassonne en het sprookjeskasteel in Pierrefonds tot de Sainte Chapelle en de kathedraal van Veze­lay (1840). Gek genoeg herken je hem aan zijn beelden. Net is in de oude tijden zie je in hoog weggestoken waterspugers en grap­penmakers het eerst dat een 19de-eeuwer zijn grapjes - en daarmee zijn signatuur- kwijt moest.

 Ook herken je niet-functionele bouw als een kerk niet-dragende muren bevat, puur ingevoegd voor het middeleeuwse ef­fect. De slopers in onze steden wisten wel raad met authenticiteit. Als het verleden in de weg stond kon het weg.

Prik

 Het waren gedenkwaardige dagen op de Zonnebloemschool aan de Haagse Zonnebloemstraat, die binnenkort afgebroken zal worden. Al mijn Lagere Scholen, van Zutphen tot Den Haag, worden af­gebroken. Waarom is nooit duidelijk, misschien om herinneringen uit te vagen.

 Misschien aan het parelgrijze Hoofd der School C.Eegdeman, wiens gestempelde signatuur zo groot was dat hij niet in de vakjes op de rapporten paste.

 Of aan de hoogtijdagen dat er 'geprikt' werd en geruchten rondsuisden over twee witgejaste dames in het kantoortje, waarvan er een 'heel gemeen' prikte.

 Nu waren er in de kinderprikwereld van toen twee varianten. Je had 'het krasje', waarbij met een soort kroontjespen de huid een beetje werd opengehaald. Deed geen pijn. De echte prik was indrukwekkend. Vooral het tegen het licht houden van de spuit 'om te zien of er geen lucht in zat'.

 Je voelde nauwelijks iets, maar je fantasie sloeg op hol, in het kantoortje. Niet de reden dat de school nu wordt af­gebroken, maar wel een goede.

 Vandaag zag ik de oerkomische vaccinatie special van F.C.De Kampioenen bij de Belgen, waarin volwassenen nog even bang zijn als wij toen. En dat niet willen laten blijken. Het doet immers geen pijn. Staat op hun Uitzending Gemist. 

Dit moet wel de bron van de anti-vax beweging zijn.