Nôtre Dame de Paris

 Het verhaal van de Notre Dame de Paris heeft door de brand in het koor van vorig jaar niet geleden. Integendeel, het is gegroeid. We hadden Huizinga en Victor Hugo's en Disney ‘s Geboc­helde, maar dit was precies wat de kathedraal nodig had.

 Meteen werd ontzaglijk veel geld gestort maar waarvoor? Nauwkeurige herbouw? Vooral van de fleche, de vieringtoren, die zo mooi ineengestort was, maar die restaurateur Viollet-le-Duc er pas in 1853 op had gezet. Of? De premier zou een prijsvraag uitschrijven. Een Rus wilde het hele dak in glas uitvoeren, met een terras er bovenop.

 Dit lees ik in het zeer aan te raden Nôtre Dame-nummer van Kunstschrift. En waarom niet? Wat je in zo'n themanummer doet is eigenlijk niet anders dan door de geschiedenis, met zijn vele lagen, heen kijken. En de Nôtre Dame is toch een levend verhaal waar ieder het zijne aan toevoegt of vanaf haalt. Wat de neogoticus Viollet-le-Duc deed was zijn idee van de middeleeuwen. Van de 28 koningen van Frankrijk uit 1230 in het front - tijdens de revolutie verwijderd - werden brokken langs de Seine teruggevonden en nagebeiteld en in 1977 herplaatst. Hier een teruggevonden hoofd.  

Faverey in 't Frans

 Bij De Bezige Bij is geen bundel van Hans Faverey meer te krijgen, ook niet de Verzamelde gedichten. Sinds enkele weken is er wel een Franse vertaling van zijn complete oeuvre beschikbaar, bij de Brusselse uitgever Vies Paralleles. De vertaling is gemaakt door Kim Andringa, Erik Lindner en Eric Suchere. De eenvoud gehandhaafd, het spel serieus. Neem nu:

 'Steeds al er iets aan komt

 

is er ooit iets geweest

hoort er iets geweest te zijn

 

Hoe het begint te waaien.

En ik zeg: ga liggen.

Dat het niet gaat liggen

 

Soms is er ineens het dreigende.

 

Ik roep: ga liggen; het geeft geen

krimp. Als het dit is, dan is dit het:

zo lang als het zich duurt. En de steen

die ik wilde werpen wordt de steen

 

die ik bij mij hield:

de bij mij behouden steen. Ach,

strelen om gestreeld te kunnen

worden; gestreeld te worden om

te kunnen strelen. Het zijnde

is: het laten begaan;

 

zich te laten begaan.'

 

Een bloemlezing 100 gedichten is toegezegd voor 2020, dertig jaar na het overlij­den van Hans Faverey.

Tags: 

Geloof

 Wat geloof is leerde ik al jong. Niet op de zondagsschool, waar het viltbord weinig overtuigde omdat de versleten figuren steeds weer van het bord op de grond vielen: Jezus, de karavaan in de woestijn, de stad in de verte, de vrouwen met kruiken op het hoofd, ze gleden allemaal, stuk voor stuk naar beneden en op de grond. Daar lag mijn Jezus. In een Jezus die niet blijft plakken kun je moeilijk geloven.

 In Sinterklaas heb ik werkelijk geloofd, de intocht met het bootje aan de Zutphense Ijssel, de paarden, het fluweel, ze waren onmiskenbaar echt.

 Het waren de ongelovigen die mij aan het wankelen brachten. Op straat zongen ze heidense liedjes als Sinterklaas is jarig, zet hem op de pot, o wat zal ie stinken, doe de deur op slot. Ik had aanvechtingen die jongens te lijf te gaan. De kruistochten en de Inquisitie leefden in me op. Onmogelijk dat er geen bliksemende banvloeken op ze neerdaalden.   

 Maar het was juffrouw Annie van Bochove van het postagentschap bij de drogisterij die mijn geloof voorgoed deed tuimelen. Er kwam achter het Sinterklaaspaard een open autootje met een keurig in het pak gestoken Zwarte Piet. Maar onder de fluwelen baret herkende ik duidelijk het zwartgemaakte gezicht van juffrouw Annie van Bochove. Dat was het einde. Kinderen voor de gek houden? Vergeet het.

 Wat geloof is weet ik sindsdien. Een ware gelovige is tot moord en doodslag, tot alles in staat. In een tram in Utrecht of waar ook.

Pessoa's Chevrolet.

 Van Pessoa (1888-1935) weet ik zo goed als niets. Had hij een Chevrolet zoals deze? Of droomde hij zich er een. Hij schreef wel een gedicht 'Aan het stuur van mijn Chevrolet'. Vertaler August Willemsen drukte fragmenten af in zijn nawoord bij de verzamelde brieven. Zoals:

 'Aan het stuur van mijn Chevrolet over de weg naar Sintra,

In maanlicht en in droom op de verlaten weg,

Rijd ik alleen, rijd ik bijna langzaam, en denk ik bijna,

Of dwing mij bijna te denken dat ik over een andere weg

Rijd, door een andere droom, door een andere wereld,

Rijd, zonder Lissabon achter mij of Sintra om naar toe te gaan,

Rijd, en wat anders is rijden dan niet stilstaan maar rijden?' (...)

'Ik ga in Sintra slapen omdat ik niet in Lissabon kan slapen, naar wanneer ik in Sintra aankom zal het me spijten niet in Lissabon te zijn gebleven. Altijd die onrust zonder zin, zonder verband, zonder gevolgen, altijd, altijd, altijd die buitensporige beklemming van de geest om niets, op de weg naar Sintra, of op de weg van de droom, of op de weg van het leven... Ik ga in Sintra slapen omdat ik niet in Lissabon kan slapen, maar wanneer ik in Sintra aankom zal het me spijten niet in Lissabon te zijn gebleven. Altijd die onrust zonder zin, zonder verband, zonder gevolgen, altijd, altijd, altijd die buitensporige beklemming van de geest om niets, op de weg naar Sintra, of op de weg van de droom, of op de weg van het leven...'

Maar er is meer, veel meer.

Tags: 

Delphine Lecompte zijn

 Het is wennen, maar het lucht reusachtig op. Zoveel uitwegen, zoveel luchtgaten en aanvechtingen. Het begint al met hoe ik haar 'Dichter, bokser, koningsdochter' (2015) vond. In de uitverkoop van de bibliotheek op het Roelof Hartplein. Met op het schutblad een onontcijferbare handtekening onder het woord 'AFGESCHREVEN'. Delphine Lecompte uit Brugge kunnen zijn, al is het maar voor een middag, Lees maar waarom ik zo graag met haar speel, bijvoorbeeld 'Rits een wesp':

 'Ik kom mijn tweede redder tegen in de nachtwinkel/ Van de zwaarmoedige Liberiaan die altijd loenst/ En moeilijke boeken over gemakkelijke planeten leest/ Mijn tweede redder leest de Zweedse ingrediëntenlijst/ Van een pak puddingpoeder, hij lijkt teleurgesteld in de ingrediënten.

 Hij merkt dat ik hem aanstaar en zegt 'Je rits is kapot, het is niet erg/ Want ik ben een gerenommeerde de ritsenhersteller!'/ Mijn tweede redder koopt uiteindelijk toch het pak puddingpoeder,/ En ook nog een bokaal augurken, en een tube secondelijm/ Ik koop niets , maar ik steel zonder zelfverwijt een fles roséwijn.

 Buiten vraag ik aan mijn tweede redder: 'Is het ver naar de plaats/ Waar je gezwind en opgewekt ritsen herstelt omdat het je roeping was?'/ Hij antwoordt nors: 'Het was mijn roeping niet, mijn roeping was imker.'/ Het was niet ver na vijf minuten wandelen mag ik/ Mijn eerste ritsenparadijs betreden, zoals elk paradijs is ook dit paradijs onbeschrijflijk.

 Na de ritsherstelling bekijken we in de woonkamer van mijn tweede redder Casablanca/ De zon komt op en een wesp ontwaakt op de vensterbank/ Mijn tweede redder maakt pudding voor ons ontbijt/ We neuken zodat de pudding rap lauw wordt, het schijn te werken/ Helaas heeft de wesp dezelfde honger als ik , voor ik het besef heb ik hem verzwolgen.

 Mijn tweede redder haalt traag en koelbloedig een scalpel/ En een gifgroen rietje uit zijn ritsenparadijs/ Hij maakt een soort rits van mijn keel, bedenk ik mij al te sentimenteel/ Na de redding keer ik niet huiswaarts; ik ga naar het pompeuze Astridpark/ En luister naar de monarchiehatende monoloog van de meest tandrijke clochard van West-Europa.

Theater

 Het nieuwe nummer van Tijdschrift Terras is gewijd aan 'Theater'. Hier een fragment van de Zwitser Jur Federspiel (1931-2007): 'De buren, een geval van vervr­eemding.' (vertaald door Erik de Smedt)

 'Slechts voor drie notabelen in het dorp had Branger de gewoonte zelf de postzegels met zijn tong te bevochtigen. Vandaag was een soort rustdag, een overwinningsdag, als je na achttien jaar ongeduldig wachten en ingehouden verontwaardiging van een overwinning kon spreken. Vanuit zijn loket - Branger moest daarbij zijn zitvlak van de kruk oplichten - keek hij recht in de wild overgroeide patriciertuin van de oude mevrouw Rumald en naar de klaterende fontein. Sinds vanochtend klaterde die niet meer. Johanna Rumald was gestorven, zonder veel ophef te maken. De kleine oude  dame, haar gezicht met kant omgeven, lag gewoon in bed en verraste de even oude kokkin door stipt om kwart over zeven niet te komen ontbijten. Om half negen verscheen de dokter  sloot haar ogen, waarschuwde de familie en het gemeentesecretariaat. Anderhalf uur later - Branger kon het van op zijn zitplek precies in het oog houden - verscheen de jongste zoon, samen met zijn vrouw. Ze waren allebei in het zwart gekleed, bleven een ogenblik in de botanische wildernis staan en lieten de oude poort met houtsnijwerk achter zich open. De jonge heer Rumald gaf de kokkin een aanwijzing en bleef voor de fontein staan wachten tot die begon te stokken, nog een keer sputterde en vervolgens met een klokkend geluid in elkaar zakte en opdroogde.'

Menselijke maat

 Architectuur is psychologie. Afmetingen van gebouwen kun je niet anders zien dan met een mensengestalte ernaast. Of het nu om de god van de kathedralen gaat of om een gouden toren van Donald Trump het gaat om imponeren. Pyramides kunnen niet kleiner zijn dan hun voorgangers.

 Aan Albert Speer, Hitlers architect, werd pas nog een expositie gewijd in Berlijn. Daar is de leidraad de Mythos Ger­mania het nieuwe Berlijn van Hitler en Speer. In 'Duitse passages' beschrijft Lo van Driel de ontwerpen voor het nieuwe Berlijn.

 Speer was gek op schijnwerpers en 'Fahnen', grote wapperende vlaggen en spandoeken. Dat was net wat architectuur nodig had. Een 'kathedraal van licht.' Parades werden liepen zorgvuldig uitgelicht in de pas. Hitler hielp mee met de ontwerpen. Er moest een soort Arc de Triomfe komen in het midden. En o nee, geen bierbuiken. Speer verzorgde de choreografie en de decors, de techniek en requisieten in Neurenberg. Al wist hij zich daarvan bij zijn proces niets meer van te herinneren.

 Er moest een Forum Germaniae komen met een centrale hal van 320 meter hoog. Baudet zou er zijn vingers bij aflikken.

Hoe Han van Meegeren verdween

 Het liefhebbers tijdschrift 'Eigenbouwer' is het thuis van de zich verdiepende mens. Die buiten modes om, puur op eigen inzicht de ruimte buiten het gangbare in kunst en architectuur verkent, met als gangmaker Hans Oldewarris. 

 Zo verscheen er nu nummer 11 waarin Martijn le Coutre de geschiedenis van Han van Meegeren - de Vermeer-vervalser die Hermann Göring voor 1,5 miljoen oplichtte - verder uitzoekt. Waar bleven de miljoenen? Een Hilversumse geschiedenis, zich afspelend aan de 's Gravelandseweg 31A, vlakbij de VPRO-villa, maar dit ter­zijde. Er huizen veel raadselen in die villa's.

 Van Meegeren stierf in 1947. De schrijver, tevens notaris, zocht het uit.

 Er kwam een proces in de Verenigde Staten waar hij werd geprezen als 'de man die de Nazi's belazerde'. Een tijdlang was hij ook hier heel populair. Tegelijk stonden de kunstkenners, waaronder Boymans directeur Hannema, die van Meegeren geloofde, volkomen voor joker.

 Wonderlijk verhaal met twee kanten. Je kunt Van Meegeren prijzen omdat hij de Nazi's bezwendelde, maar anderzijds was hij toch een oplichter. Er zat voor Van Meegeren niet anders op dan het maar toe te geven. De processen sleepten tot 1954.

 Maar het geld was weg.

 De Eigenbouwer is te krijgen bij oa. Athenaeum.

De taal van cijfers

 Het nieuwe Terras nummer 17 is gewijd aan 'Theater'. Dit in de ruimste zin. Theater is overal. Zo ook in deze tekst van de Duitse Kathrin Roggla (1971), 'Buiten waart een duister cijfer rond (zes scenes),' vertaald door Ralph Aarnout. waaruit deze passage:

 'dat is mijn stelling, dat er een duister cijfer rondwaart, waar niemand zicht op heeft, wat je hoort is dat een op de tien huishoudens zus, of dat een op de acht huishoudens zo. en dan is het weer een achtste van de bevolking of opeens een vijfde, terwijl we uiteindelijk gewoon niet weten wat er aan de hand is, wat er echt aan de hand is. wat ik zeg, is: het duistere cijfer! we weten helemaal niet wat daar buiten aan de hand is, ja, daar buiten! omdat niemand ons de juiste data geeft. ondanks alle peilingen, ondanks de hele enquetecultuur, ondanks al die demografische instrumenten van ze, de marktsegmenten, die huiveringwekkende biometrische methodes van ze, we weten helemaal niets we hebben wel getallen, natuurlijk, we hebben eindeloze hoeveelheden getallen.'  

 Ik dacht aan mijn leraar wiskunde, die op zekere dag een grote papieren zak met spijkers mee had gebracht. Die hij uitstortte op zijn tafel. En ons vroeg: 'Hoeveel spijkers zijn dit, denken jullie? Honderd? Duizend? Tienduizend?'

 De klas zweeg. 

Telefoontje

 Ik was bezig met langzaam wakker worden. Een kwetsbaar proces waarbij ook de geestelijke vermogens maar langzaam bij de tijd komen. Routineus haalde ik het vuile wasgoed uit de wasmand, deed het in de wasmachine en zette hem aan. De dag was begonnen. Een ATAL-dag, de prikvrouw zou komen voor mijn bloedverdunning.

 Nu zocht ik mijn telefoontje om te zien of er nog Boris Johnson-nieuws was bij de Guardian. Maar kon het nergens vinden. Ook mijn vriendin die allang op was kon het na alles, boeken, beddegoed, ondersteboven te hebben gekeerd nergens vinden.

 De dame van de ATAL kwam om in mijn vinger te prikken en ging weer. Maar waar was het telefoontje? Paniek. Ik had vast iets doms gedaan. Maar wat? Ik ontwikkelde een in­gewikkelde een theorie, ik had het de vorige avond waarsc­hijnlijk tezamen met het vuile wasgoed alvast in de wasmachine gedaan. En nu draaide het apparaat vrolijk zijn rondjes met mijn telefoontje in zijn trommel. Kon ik hem nog stilzetten? Dat bleek onmogelijk. Het programma moest kennelijk geheel afgewerkt worden.

Het was mijn vriendin die op het idee kwam mij op te bellen. Ik hoorde mijn eigen stem al door bubbelgeluiden heen. Voorgoed onbruikbaar. En daarna ontrolde zich wat er allemaal mis zou gaan. Afspraken, nummers, alles was weg.

Maar, o wonder, ergens in huis ging nu mijn telefoontje. De ontknoping bespaar ik u. Het was, natuurlijk, mijn eigen stomme schuld.