Erker

 In het Haagse Statenkwartier woonden mijn grootouders. Ik werd daar vaak te logeren gedaan. De monumen­ta­le erker van het huis Franken­slag 178 is er nog. Wat is een erker?

 Het woord komt uit in Noord-Frankrijk: 'ar­quière' was de boogvormige uitbouw in kasteel- of stadsmuren waarin geschut kon staan. Een schietgat dus, van waaruit mijn grootmoeder haar zuinige opmer­kingen over voorbijgaande de buren losliet. Hoe de boogvormige uitbouw zich ont­wikkeld heeft naar de vorm die nog het meest doet denken aan een drieluik, weet ik niet. Er moet verwantschap zijn met de Italiaanse arcaden van De Chirico.

Ik kom uit een familie van erkermensen. Die peinzend, veilig onzichtbaar achter hun vitrage staan, de handen op de rug, te kijken naar te luidruch­tig afscheid nemende buren, naar te mooie vrouwen die pas­seren.

Mijn grootvader was ouderling van de Nederlands Hervormde Kerk. Mijn moeder vertelt dat ze, als haar schoonouders op zondag op visite kwamen, niet mocht breien of handwer­ken. Dat had hij liever niet.

Hij snee zich nogal eens met scheren. Mijn grootvader was een aluinman. Ik klamp me vast aan een indruk van peilloze melancholie. Er is één foto waarop hij bijna lacht. Uit zijn studententijd. Samen met een vriend is hij uit fietsen. De fietsen liggen tegen een Zeeuwse dijk op de achtergrond.

Hij was de enige zoon van een bakker in Wolp­haartsdijk. Waarom trok de bakkers­zoon in 1921 naar Den Haag, vraag ik mijn vader? Hij werd leraar in Goes, waar hij zelf als dorpsjongen de HBS had mogen bezoe­ken. Hij had een meisje uit een rijke boerenfamilie getrouwd.

'Dat was het hem nu juist,' zegt mijn vader. 'Je grootmoeder zocht het altijd hoger­op. Die wou iets bijzonders wezen. Ze ging als enige van haar zusters naar de HBS. Maar ze zakte voor het eindexamen. En ze was te trots om het over te doen. Inplaats daarvan stuurde ze de leraren toen haar verlo­vings­kaartje.

De Frankenslag in Den Haag. Daar kon ze een echte mevrouw zijn. Er kwam een vreemd eind aan de eerzucht van mijn grootmoeder. Ik stond er bij, een jaar of elf. Er was sprake van nieuwe gordijnen, voor in de erker. De oude waren op, de rafels hingen er bij. Maar ze wilde er niet aan.

‘Je bent pas zestig.’

'Het is de moeite niet meer.'

Zon

 Waar zon is, is schaduw, alleen soms niet. Schaduwloosheid is griezelig, in de woestijn om twaalf uur 's middags. Levenloos. Wij leven van de schaduwen, die alles in de wereld zijn proporties en kleuren geven.

 Het nieuwe Kunstschrift is gewijd aan 'Zon' en dus aan schaduw. Schaduw is drama, is theater. Vertelt je hoe laat het is. De zonnewijzer is onze oudste klok. Die niet werkt als er wolken voor de zon trekken.

 Hoofdbestanddeel van het Nederlandse weerbericht is dan ook de te verwachten hoeveelheid zonneschijn, die samen met de wind ons humeur bepaalt. Ooit zal er een boek verschijnen waarin je de precieze weersgesteldheid ten tijde van 'grote gebeurtenissen' kunt opzoeken.

 Kunstschrift maakt werk van wat er omgaat tussen zon en schaduw, tussen dag en nacht, en al wat daar tussen ligt.

 Zo is er de dramatisch opwaaiende vitrage in de 'balkonkamer' van Adolph Menzel (1845), het door de ruiten op de wand vallende licht in de 'Aardappelschillende vrouw' van Pieter de Hoogh (ca. 1663) en alle floersen daar tussenin.

 Alsof de zon spelletjes speelt die de schilder moet achterhalen.

Silly Talks

 Hhet heeft me wat tijd gekost voor ik begreep dat pratende mensen naast of achter me het niet tegen mij hadden. Vroeger gingen er ook wel mensen over straat die het woord voerden tegen niemand, maar die waren niet goed wijs.

 Het blijft vreemd, een ander die alle gebaren en bewegingen maakt van een pratende, die aan iemand iets uitlegt of iets beaamt dat een onzichtbare medemens beweert. Vreemdat het iemand horen praten ook de eigen praatmotoriek aan het werk zet.

 Het doet denken aan het schilderij van Jan Breughel met de kinderspele­n in de versie van de schilder Michel Van Dam. Hij liet al Breughels mensen weg. Er blijft een angstwekkende leegte over.

 En zo zie ik nu mijn eigen straat vol in de leegte g­ebarende, p­rotestere­nde of berustende voetgangers zonder geprekspartner.

 Het is nog niet geschilderd of gefilmd, hoewel John Cleese wel weg zou weten met een serie 'Silly talks'.

 Maar grappig zou het niet meer zijn. Zo gewoon als het is geworden.

Thomas Rap

 En weer is er een najaarsaabieding van boeken uitgegeven bij Thomas Rap, die al lang niet meer leeft. De postume uitgever. Hem en zijn compagnon Jaco Groot, nu succesvol chef van De Harmonie, heb ik van het begin meegemaakt.

 Ik heb twee auto's van Rap gekocht, een oude 2CV en een rode Volvo met een tweedelige voorruit die maar zelden wilde star­ten. Ook wist Rap niet hoeveel versnellingen hij had, zodat ik pas op de Autobahn ontdekte dat het er vier waren. Opgehaald bij zijn boerderijtje in Eemdijk, waar wel meer wrakken ston­den. Uitgeven deed hij wat hem inviel. Een van zijn eerste boeken was het Groot Cocktailboek. Hij reed die boeken zelf langs de boekwinkels. Een goede gewoonte van hem was om schrijvers als Hermans en Kousbroek te vragen of ze nog wat op de plank hadden liggen.

Zo ontstond het boek '14 etsen, voor arbeiders verklaard' van Frans Lodewijk Pannekoek en Gerard Reve. Ik vergezelde Rap op veel uitstapjes, zoals dit naar Reve, die toen in Osdorp woonde, in een flatje bij het eindpunt van lijn 17.

Het is 1969. Rap belt aan. Door de inter­com klinkt - geheel in stijl - 'wiedaar'. Waarop Thomas met de stem van een leverancier roept 'De huit­geverrr...'

Bovengekomen zien we dat de schrijver zich voorbereidt op zijn  verhuizing naar Greonterp. Hij bekijkt mij aandachtig. Mijn rossige complexie valt op: 'Jij mag zeker niet te lang in de zon'. En gaat zitten op een houten pakkist ‑ er zijn in die dagen nog geen kartonnen verhuisdozen.

Het uitgeverijtje van Rap en zijn al spoedig aangesloten compagnon Jaco Groot was gevestigd in de Reguliersdwarsstraat op een etage driehoog 'boven de kapper'. Daar werd ook de voorraad opgeslagen, op de vliering.

Zo komt het dat ik nog altijd een van het vocht kromgetrokken exemplaar van Reve's 14 etsen heb.

Tao

 Toen ik bij Kristofer Schipper kwam om hem voor de radio op te nemen over 'Tao, de levende religie van China' (1988) zei hij: een vraag voor we beginnen: 'Hoe doe je dit ongeveer?'. 'Goh,' zei ik. 'ik doe het ongeveer zoals het gaat.' Waarop hij zei: 'Kijk, dat is nou Tao.'

 Dit omdat ik Patricia de Martelaere lees, haar boek over Taoïsme. Nadat ik haar prachtige liefdesroman ‘Het onverwachte antwoord’ had herlezen en de commentaren erop herkauwd. In het hoofdstuk 'De Gele Rivier en de Noordelijke Oceaan' uit de Zhuangzi tref ik nu deze passage: 'Een kikker in een regenput kan niet praten over de oceaan omdat hij beperkt is door de omvang van zijn put. Een zomerinsect kan niet spreken over ijs omdat het alleen zijn eigen seizoen kent. Een bekompen geleerde kan niet over Tao spreken, omdat hij gehinderd wordt door zijn onderricht. Nu ben je buiten je oevers getreden, en heb je de Grote Oceaan gezien. Je kent nu je eigen minderwaardigheid daardoor wordt het mogelijk te spreken over het Grote Principe.' 

Wat zou dat kunnen zijn? Wat is Tao, ook wel Dao? In de eerste vier verzen van Lao Zi's Geschrift over Zuivere Leegte en Innerlijke Rust staat:

1. De DaDao heeft als eerste beginsel en bron van het al geen vorm Het is de oorsprong en voeding van Hemel en Aarde Hoewel het geen drijfveren heeft, geen begeerte kent is het de oorzaak van de omloop van Zon en Maan (van de cirkelgang van het Zelf).

2. De DaDao kan niet benoemd worden, het is de oorsprong en voeding van al het bestaande. Het is niet benoembaar, om het een naam te geven stel ik Dao voor.

3. De Dao als eerste beginsel omsluit Leegte en Vorm, beweging en rust De Hemel is Leegte, de Aarde is Vorm De Hemel is beweging, de Aarde is rust Yang is Leegte, Yin is Vorm.

4. Het is als bron van ontstaan tot vergaan de oorsprong van alle bestaan Leegte de bron van Vorm beweging de bron van rust.

Angst

 Maarten Biesheuvel droeg in Eik & Linde aan de Plantage Middenlaan en op de radio zijn verhaal 'De a­ngstkunstenaar' voor. Er was publiek bij, dat kon je horen. En wat er dan gebeurt, dat probeer ik te begrijpen.

 De schrijver beeldt uit wat iemand overkomt bij plotselinge, onverklaarbare angst‑ of paniekaanvallen. De wereld wordt op slag dreigend, onbegrijpelijk, verschrikkelijk, de angstlijder raakt letterlijk buiten zichzelf. Hij 'heeft het niet meer'. En in zijn radeloosheid probeert hij weer wat houvast te krijgen door vragen te formuleren, door een bezwe­rende vorm van humor toe te passen op de onbegrijpelijke, angstaanjagende wereld om hem heen. Een kat in nood die vreem­de sprongen maakt.

 Wat doet het publiek. Het lacht. En de voorlezende schrijver lacht af en toe zelf ook. Misschien is dat het enige wat ze kunnen doen. Biesheuvel heeft weleens gezegd zich een ambassadeur van de angst te voelen. Hij wil aan mensen die nergens last van hebben duide­lijk maken wat angst eigenlijk is.

 Zou dat mogelijk zijn? In elk geval eindigt het verhaal zo: 'De mensen zullen met ern­stige gezichten over straat gaan en zeggen: "De angstkunste­naar is gestorven, wat een weertje anders hè? Hoe gaat het?".'

 Volgt applaus. En eerder staat al: 'Het leven is angst en onbegrip, wij leven zo ondeskundig'.

Een heiligverklaring

 Zo heet een boek van Willem Brakman, waarin er bij zijn oom op het Weigeliaplein wordt aangebeld door een functionaris van het Vaticaan.

 Heiligverklaringen zijn schaars geworden en betreffen meestal gestorven pausen. Terwijl ik zo graag degenen die het echt verdienen zou aanwijzen. Zoals Jan van Es, die een fotowinkel had op de hoek van de Rotterdamse Jacob Catsstraat en leefde van het fotograferen van zeelieden in koopvaardijuniform naast hun aanstaande en samenwoonde met zijn demente zuster Sjaan. Ze deelden de bedstee. In het weekend maakte Jan natuurdia's, altijd met Sjaan in een hoekje er op, want die eiste dat. Met haar achterop de brommer doorkruiste hij in de weekends mooi Nederland.

 Hij was een neef van de moeder van mijn vriend Kees. Een soort Hyacinth Bucket die klassiek piano wilde spelen. Op een middag troffen we haar in wanhoop achter het klavier. Ze had de langspeelplaat gekocht waarop het Residentie Orkest een pianoconcert van Beethoven uitvoerde, maar dan zonder de solopartij, die amateurs zelf moesten invullen. Maar dat lukte haar niet, ze raakte steeds achterop. In tranen smeekte ze het orkest minder vlug te spelen.

 Toen haar dochter trouwde was er geen sprake van dat Jan van Es de huwelijksreportage zou doen. Er kwam een deftige, 'echte' fotograaf. Maar ik filmde alles op 8mm. Jan was er, met Sjaan, op de brommer uit Rotterdam. Zodat Hyacint bij elke vertoning in familiekring moest uitleggen wie dat vreemde tweetal toch was.  'O dat is een verre neef'.

 Laat de heiligverklaring in ere hersteld worden, En Jan van Es de eerste Rotterdamse heilige zijn.

Wrakken

 Toen haar boek verschenen was vertelde ik aan Remco Camperts biografe Mirjam van Hengel nog dit. Op een avond kreeg ik een nerveuze Remco aan de lijn. Hij schreef toen radiostukjes, en soms lukte dat niet, dus ik dacht ojee. 

 Maar er kwam iets heel anders. 'Morgen,' zei hij, 'komt Wim Kayzer mij opnemen voor de radio. En ik ben bang dat hij het over mijn vader wil hebben. En je weet hoe hij dat soort dingen doet. Ik krijg er de zenuwen van. Maar ik kan het nu toch niet meer afzeggen. En nu is mijn vraag, zou jij niet langs kunnen komen, met een smoes. Hij komt om acht uur.'

 Om acht uur was ik op de Alexander Boersstraat waar hij toen woonde. Wim Kayzer kwam met zijn NAGRA. Remco en ik zaten aan ene kant van de tafel, hij aan de andere.

 En na korte tijd kwam inderdaad de vraag naar zijn vader. Remco antwoordde moedig, maar onder de tafel had hij wel mijn hand vastgepakt, waar hij af en toe hard in kneep. Toen ik dit later aan Mirjam vertelde zei ze 'Had ik dit geweten, dan was het zeker in het boek gekomen.'

 Later, toen Remco en ik in de Brakke Grond van twee kanten het podium beklommen - allebei met behulp van een stok - en neerzegen voor een gesprek over zijn 'radiojar­en' zei hij met het Camp­ert-lachje 'Twee wrakken'.

 De foto die toen gemaakt werd is van Bianca Sistermans.

Vincent

 Vandaag is het zijn sterfdag. Wind en regen. De zonnebloemen aan mijn Amsterdamse overkant zijn al hoog opgeschoten. In Auvers ben ik nog om het kerkje heen gelopen, langs de nu beroemde boomwortels, de helling op naar het graf van de broers tegen het muurtje. Zo 'n stille plek.

 Theo stierf in Utrecht, 33 jaar oud en werd in 1914 door de zorgzame Jo herbegraven in Auvers, naast zijn broer. Je hoort de kraaien overvliegen. Lees Jo's biografie door Hans Luij­ten.

 En weer schiet me mijn pelgrimstocht naar de Borinage te binnen, in 2006. Ik kwam in Cuesmes, een van de aaneengegroeide dorpen onder Mons waar Vincent van Gogh woonde. Bij het mijnwerkersgezin Decrucq deelde hij een kamertje met de kinderen. En daar besloot hij niet langer evangelist te zijn maar te gaan tekenen, voorgoed. Aan Theo schreef hij: 'en in een schilderij zou ik iets troostends willen zeggen, als muziek'.

 De woorden komen van ver, maar hier herkrijgen ze hun beteken­is. Waar eens priesters heersten en fabriekseigenaren. Maar de katholieke complexen vallen in elkaar.

 Waar woonde hij? Ik vraag het bij de sigarenwinkel in het centrum. Oh, Fan Kok bedoel ik, dat is rechtsaf en dan na 200 meter links. Weinig maakt moedelozer dan de aanduiding 'deux cent metres'.Dat kan alles zijn tussen om de hoek en pak maar liever de auto. Lopen, besluit ik. In de voetsporen van Vincent. Nu zie ik de monumentale mijnw­erkerslamp, op de rotonde. Het gaat harder regenen. Niemand op straat. Doorweekt bereik ik het huisje van Fan Kok. In het bos, bij het moeras. Gesloten. Het staat scheef en wordt gerestaureerd.

Tags: 

Spoorbio Utrecht (1942-1964)

 De vele malen dat ik met mijn moeder naar de strenge grootouders in Den Haag moest - mijn vader zat in Indië, maar ook toen hij terug was ging hij niet mee - waren er twee lichtpuntjes. Eerst de zandafgravingen bij Maarn, waar ik de eerste keer tot luid gelach van de coupe riep: 'Is dit Zandvoort?' En daarna de geheimzinnige 'Spoorbio' op het station Utrecht. Een omgebouwde treinwagon op het eerste perron.

 Ik zag hem uit het treinraampje. Tijd om er in te gaan zitten ontbrak. Opa en oma laten wachten? Geen sprake van. Mijn moeder was doodsbang voor ze.

 In 1942 was de bio geopend, als dienstverlening aan wachtende reizigers, lees ik nu. Een doorlopend programma van 20 minuten met journaal en tekenfilms. Entree een dubbeltje.

 De voorstellingen begonnen 's morgens om 8 uur en liepen door tot 's avonds 21.00 uur. Tijdens de vertoningen werden treinreizigers op de hoogte gehouden van de vertrektijden van de treinen. In 1947 werd de oude Spoorbio vervangen door een nieuwe, met 84 zitplaatsen. Het programma bleef net als de Cineac uit die tijd: journaals, tekenfilms en korte documentaires. De Spoorbio sloot in december 1964.

 Een rijdende filmtrein stelde ik me in mijn dromen voor, maar hij stond daar altijd stil te wachten.