De professor en Anna Weber

 Hoewel ik van mijn zesde tot mijn negende jaar woonde in het bijgebouw van het 'Huis te Eerbeek' aan de Professor Weberlaan 1 aldaar, ben ik pas dezer dagen op zoek gegaan naar de Duitse  professor Max Weber en zijn vrouw Anna. die er woonden tot 1937 en 1942, toen Anna stierf. Een geestrijke vrouw, volgens biografe E.D.Holsappel in de levensbeschrijving die nog leverbaar is bijn Primera in Brummen.

 Weber kwam uit Bonn, was een wereldberoemd zooloog en werd tot Nederlander genaturaliseerd. Hij doceerde in Amsterdam. Anna was gespecialiseerd in algen en publiceerde over de rol ervan bij het ontstaan van koraalriffen. Op een reis naar Nederlands Indie ontdekte Max 131 onbekende vissoorten. Later specialiseerde hij zich in walvissen. nna werd eredoctor in Utrecht.

 Op het Huis te Eerbeek logeerden internationale geleerden. Die zich verbaasden over de dieren die er rondliepen zoals Simpie, de aap die elke avond door Weber toegedekt moest worden voordat hij ging slapen en over de civetkat die tot schrik van de gasten nog wel eens plotseling onder de sofa vandaan kon springen. En over Piet, de kasuaris. De Webers bekommerden zich ook om het dorpsleven en stichtten oa. het gemeenschapshuis 'Eerbeeks Belang' dat ik goed kende en een Nutsschool. In de tuinen stonden exotische planten en bomen die ik - op sterven na dood - nog meegemaakt heb.

 Toen ik er woonde was alleen het echtpaar Pannekoek nog over, die de mooie kamer op de eerste verdieping bewoonden

Wouter op de markt

 In de zevende bundel met ideën van Multatuli verkent Wouter Pieterse - nu wat ouder - de rommelmarkt in de Jodenhoek. Waar de kooplui hun waar uitspreiden, 'met de bemodderde straatkeien als toonbank en uitstalkast.' De handelaar had de naam aangenomen van waar hij in handelde: 'heette Oud-roest, kan 't nederiger?'

 'Daar lagen alzoo doorluchtige kachels, halve kachels fragmenten van kachels. Daar lagen tweebeenige treeeften (...) . Daar lagen roosters zonder spylen, moeren zonder kroost, schroeven zonder moer... Niobees en weezen.. Daar lagen eenzame pooten van tan, en lemmetten van scharen, wreed gescheiden van hun tweelingen. Daar lagen onthoofde spijkers, tandelooze zagen, beitels zonder snee, sloten zonder veer, sleutels zonder slot, haken zonder oog, oogen zonder haak, gespen zonder tong. Daar lagen scharnieren, hoepels, stiften, krammen, ringen, deurkrukken, spanjoletten, grendels, sabels, bajonetten, bylen, hamers, vuurpoken, kolenscheppers, potten, pannen, ketels, deksels. Daar lag alles wat ooit van yzer had kunnen vervaardigd zijn maar onbruikbaar nu, verdraaid, gebersten, gespleten, verwrongen, inkompleet, en vooral: verroest.'

 En zo gaat hij de markt rond.

  'Ginds stond 'n kruiwagen volgeladen met potjes pomade en latynse dissertatieën, met almanakken en silhouetten van verloren jaren en dominees.'

Tags: 

Noto

 Een zomeravond in 1976, Eindelijk ben ik aangeland op Sicilië. In Noto, niet ver van Syracuse. Er is 1 hotel en dat heeft plaats. Het hele plaatsje bestaat uit barokke palazzi en kerken in goudbruine steen. Een deel ver­waarloosd of half ingestort.

 Boompjes groeien op de torens, zwaluwen scheren door de galmg­aten.

 De woonhuizen zijn appartementengebouwen. Alles lijkt wel volgens plan opgetrokken. Maar wanneer en waarom? Jongens sleutelen aan brommers. Op straat is het uitzonderlijk stil. 's Avonds rijd ik het stadje uit, de berg op in het gouden licht. Meer zwaluwen. Dan stuit ik op een bouwval. Prikkeldraad. Een handgeschilderd houten bordje zegt 'Noto Antica'. Er lopen varkens. Na een korte wandeling het restant van een poort. Eenmaal binnen dringt de omvang van het drama tot me door. Eens was hier blijkbaar een vrij grote stad, aan de rand van het ravijn waar nu de zwaluwen over vliegen. Krekels. In de stilte van het schitterende reuzengraf probeer ik te reconstrueren.

 Wat is er gebeurd? De varkensboer komt aan op z'n trekker en geeft het antwoord: 'terremoto'.

 Ik lees in 'In ruins' (1988) van Christopher Woodward, over de ramp van 1693 die veertig Siciliaanse steden platlegde. Noto werd in z'n geheel herbouwd. Met erg veel kerken ‑ na zo'n ramp moet je bidden ‑ in de toen nieuwe barokstijl.

 We vinden na lang zoeken een eetgelegenheid. Overal wijzen bordjes naar een 'Griekse Grot'. In een leeg appartement tweehoog (!) wordt haastig gedekt.

 Gegrilde kip. Iets anders is er niet. De rekening valt niet mee. Terug op straat worden we uitgelachen door de brommersleutelaars.

Vlugzout

 Of er nog veel flauwgevallen wordt weet ik niet. Mij overkwam het tijdens de plechtige dodenherdenking in de hal van het Gymnasium met de gipsen afgietsels van de Venus, Socrates, de Auriga, de Diskobolos en wie niet.

 Je wist wat er ging gebeuren als de tekenleraar klei liet aanrukken voor een les beeldhouwen. Opeens stond daar de gewoonlijk geslachtloze diskuswerper met een fors or­gaan van klei. Het Vaticaan heeft nogal huisgehouden onder de klassieken. In Rome schijn een enorme berging te zijn met afges­lagen lullen. Eddy de Jongh heeft erover geschreven in Kustschrift.

 Maar nu de dodenherdenking, in mijn eerste jaar. Liederen en toespraken, oneindig veel. En opeens voelde ik het bloed uit mijn hoofd wegtrekken en ik viel. Als een pilaar recht voorover op mijn voorhoofd. Zonder een hand uit te steken om mijn val te breken.

 Even werd ik nog wakker van de klap. Het eerste daarna was de afschuwelijke geur van wat vlugzout bleek te heten.

 Het was juffrouw Klink, lerares Frans, die me in haar Fiat 600 naar huis bracht. Maar zelfs de geur van haar parfum kon het vlugzout niet overstemmen.

Bakkersgeluk

 Het dorpscentrum werd gevormd door de kruising van twee hoofdwegen. Die van Brummen naar Loenen en die van Coldenhove naar het kanaal. Aan de ene kant van de kruising lag de ruïne van de half uitgebrande school waar ik les had, er schuin tegenover de bakkerij en winkel van Mulder. Waar ik binnen mocht omdat Heintje bij mij in klas zat.

 Omdat ook de schoolbel bij de brand verloren was gegaan blies de bovenmeester bij het aangaan van de school op een scheidsrechtersfluitje.

 Onze middagpauzes brachten we door in de geurige bakkerij, waar Heintjes Oom Puck, in geruite broek en met bakkersmuts op, brood en banket bakte. Er schoot vaak wel wat over. Mijn moeder klaagde dat ik thuis mijn bord niet leeg at.

 Het geluk woont in bakkerijen. Van mijn overgrootvader met de lange baard, die bakker was in het Zeeuwse Wolphaartsdijk, werd verteld dat hij 'aardig was'. Een uitzonderlijke eigenschap in die streken. Ook Oom Puck was een levende legende Nog zie ik hoe hij het witbrood met een kwast water bestreek en nog even nabakte, zodat er een glimmend bovenlaagje opkwam.

 Om niet te spreken van de bakplaten vol tompouces die hij vaardig in de juiste porties sneed. We staarden ernaar met open monden tot het fluitje van de bovenmeester weer klonk.

 Het banket op bestelling, met marsepeinen of chocolade felicitaties maakte de meeste indruk. En het grote moment van de week kwam op zaterdag, als na zessen bleek wat niet verkocht was en misschien zou overschieten voor ons jongens.

 Het graf van Oom Puck is er, op Coldenhove. Het lijkt door hem zelf ontworpen.

Heeroom

 Ging je in Leersum onder de beukenbomen van de Lomboklaan staan dan zag je hem van ver aankomen van de halte van de Blauwe Tram. Dat moest ik de tantes Be en Wies gaan zeggen. Dan konden ze wat meer eten opzetten. Heeroom at nogal veel.

 Heeroom was van de kant van tante Wies, die katholiek was maar 'er niets meer aan deed'. Heeroom at niet alleen mee, maar moest ook extra verwend worden. Hij was een belangrijk man. Er werd een fles wijn voor hem opengetrokken.

 Je herkende hem aan zijn bolle buik, zijn zwarte gewaad met vele knoopjes en vooral zijn omgekeerde witte kraag.

 Zelfs de honden, genaamd Naughty en Roetje zwegen. Tante Wies had in Engeland gewoond en sprak een ratjetoe, zelfs woorden als 'jam' zei ze op z'n Engels en de Maggi soep-aroma werd Engels.

 De honden zwegen eerbiedig als Heeroom binnen was. Alsof je wisten dat hij de sleutel van de hemelpoort op zak had.

 En ja, Heeroom bad aan tafel en ook ik sloot m'n ogen. Was hij familie? Nee, priesters mochten toch niet trouwen. Maar familie van God was Heeroom toch zeker.

Klomp

 Na lang aanhouden had ik ze dan toch. Klompen! De helft van de dorpsjongens liep erop, de andere helft droeg kaplaarzen. Op klompen lopen is heel wat. Tja, die randen. Er waren er, die zwartleren klompsloffen droegen in hun klompen. Slap!

 Het was een mooie zomer. Ik mocht na het eten buiten spelen. En in het dorpscentrum, Tegenover de school, naast de smederij was een landje waar 's avonds gevoetbald werd door wat oudere dorpsjongens. Ik was pas acht en stond te kijken op mijn al te nieuwe klompen. Zou ik? Zouden ze? En, kon ik voetballen op klompen?

 'We hebben nog een keeper nodig, ga jij maar in het doel staan.'

 We stonden voor, er kwamen geen ballen op me af. De zon stond al laag, het was nog warm. De geur van gras. De balgeluiden, het geschreeuw, de lage zon. Mijn gelukkigste moment als dorpsjongen. 

En toen kwam de aanval. Een dorpsjongen en ik schopten allebei naar de bal. Onze klompen knalden op elkaar. Mijn rechterklomp lag in tweeën in het gras. Daar zat ik met een halve klomp in het gelach. Zo'n stadse jongen dacht zeker dat ie..

Volgende dag zat ik bij de klompenmaker tegenover het stationnetje. In zijn pakhuis vol klompen. Hij legde over de kapotte klomp een ijzeren strip. Die hij met punten in het hout vast sloeg.

De klompen verdwenen naar zolder.

Hrabal

 Lezend in de brieven aan Dubenka van Bohumil Hrabal (1991, uitg. Pegasus, vert. Kees Mercks) zie ik het winterse, onverlichte Praag van 1976 voor me. Met hier en daar een klein lichtje en een wolk caférumoer.

 Hij is mank, net als ik, door een neurologische storing en falend hartritme, en moet steeds naar ziekenhuizen. En maakt zich zorgen over het voedsel voor zijn vele katten, thuis.

 'Dubenka, ik heb misschien al twee maanden niet geschreven, ik heb hoofdpijn en flink veel last van jicht, ik was weer in het ziekenhuis met hartklachten, als ik een sok aangetrokken heb, moet ik al rusten, dan trek ik die andere aan en moet weer even rusten, wanneer ik naar mijn poesjes in Kersko wil wacht ik bij de halte voor de deur op de bus en als die er aankomt, stap ik struikelend in, vervolgens moet ik oppassen dat ik niet van de metrotrap kukel, daarna strompel ik weer omhoog dan koop ik melk en worst en bij de snackbar gegrilde kippetjes, ik heb mazzel, voor mij staan jonge en knappe en in blauwe bloesjes glinsterende Vietnamese vrouwen, ze buigen voorover, pakken mes en vork uit bestekbakjes en laten me ruiken aan hun sterk geurende, vette haren... dan eet ik soep en begint mijn hand te trillen (...)'.

 Hrabal (1914-1997) viel uit het ziekenhuisraam. Ongeluk, zelfmoord, het is onbekend. Ik weet het nog goed, het Noord-Vietnamese broedervolk. Gehuisvest in gevorderde luxehotels in Mariënbad.

 Intussen volgt Hrabal het voetbal. Een van zijn katten heet naar de beroemde Duitse spits Gerd Müller, dus Gerdmüller.

Pilente

 Net zulk weer als nu was het. Ik doolde met Evert Schut, kleinzoon van de Eerbeekse papierfabrikant. Evert leidde me rond in de fabriek en had daar veel praatjes. Daarna kwamen we bij het kanaal.

 We besloten een bootje te maken, niet makkelijk. Het werd een houten kist met een puntige voor en achterplecht. Slordig getimmerd. Nu moest ie nog waterdicht worden. We sleepten het bootje naar de werkplaats van de fabriek. De mannen waren ons goedgezind en smeerden alle kieren dicht met teer. Nu naar het kanaal. Al sjouwend bedacht Evert een naam. Het bootje zou 'Pilente' heten, wat volgens hem Veluws was voor waterhoentje.

 Eindelijk lag ons schip in het kanaal van Apeldoorn naar Doesburg. Het wachten was nu op een binnenschip dat ons op sleeptouw wilde nemen.

 De schippers hadden schik in ons. En al gauw hingen we achter het roeibootje dat ieder binnenschip aan z'n achtersteven meetrok. 'Waarheen,' riep de schipper, wiens vrouw het roer had overgenomen.

 'De volgende brug.' Ophaalbruggen had je daar elke kilometer. Eenmaal daar aangekomen liet de schipper een klomp aan een touw zakken en riep 'en nou een dubbeltje'. Het duurde lang voor een boot terug ons meenam.

 De Pilente heeft de winter niet overleefd.

Wiesbaden

 Boven Wiesbaden, op de Neroberg verrijst, met z'n vergulde, uivormige koepels, bij de Russische begraafplaats, het Russisch-Orthodoxe grafmonument uit 1855 van groothertogin Elisabeth, echtgenote van Adolf van Nassau. Ze stierf tijdens de bevalling van haar eersteling.

 De heilige Elisabeth was ook beschermvrouw van Wiesbaden. En een nicht van tsaar Nikolaas I.

 Het sneeuwde toen ik er was. Alles verlaten. De stoeltjeslift bergop deed het niet wegens sneeuw. Er stopte een luxe auto met een Russisch kenteken, waaruit drie mooie, extravagante vrouwen in bontjassen stapten.

 De Russinnen waren net zo vlug buiten als binnen. Daarna kon ik er in. Nog steeds wordt het monument bezocht door voor de Sovjets gevluchte Russen.

 Het marmeren grafmonument getuigt van de liefde van Adolf voor zijn 19-jarige bruid.

Er is een fraai parkje, daar boven op de berg, met follies en een schitterend uitzicht over de Rijn-Main vlakte. Was Multatuli hier ooit? Hij kwam graag in Wiesbaden, woonde in de buurt. Mij bleef ook bij de enorme winkel met Steiff-egeltjes in alle maten. Mecki, Mucki, Macki usw. Mooi, maar weinig aanraakbaar.