Klein gebrek geen bezwaar

 Wim Brands, die het best wist, had er plezier in mij in gezelschap te jennen met mijn doofheid. Ik verstond hem in een vergadering soms niet en dan riep hij 'versta je me nou? zie je hij verstaat me niet!'. In triomf want ik was zijn chef.

 Mijn onaangename vader was de eerste die zei 'je wordt doof, daar moet je wat aan laten doen'. Het hinderde hem./ Of ik er last van had interesseerde hem niet. Doofheid kan op weinig mededogen reken­en.

 Hoorapparaten zijn ondingen omdat het microfoontje achter het oor veel te ver van de sprekers vandaan is. Er komt allerlei vertroebelend geluid tussen de spreker en mij.

 Als je slechthorend bent moet je de mensen vragen te articuleren, maar dan gaan ze vaak tegen je loeien en dat helpt niet. Bovendien vergeten ze het na vijf minuten weer. Ik ga daarom zo dicht mogelijk bij sprekers staan, als het kan. Vergaderingen mijd ik. Ik heb zeer veel bijenkomsten met sprekers en voordrachten uitgezeten zonder iets te verstaan. Dan ga je naar achterhoofden en gezichten kijken of je laat je gedachten gaan. Mijn doofheid brengt ook een vervorming van het geluid mee, zodat ik muziek slecht kan volgen.

 Het is in mijn hoofd niet stil, integendeel, de buitenwereld komt heel gevarieerd binnen. Het hoge register, zwaluwen en merels doet het goed, het bouwen van stellingen en sirenes ook. Eigentijdse Hollandse brabbelspraak op radio of tv is nauwelijks te volgen. Ik zet de Belgen aan.

 Bij ons thuis in Zutphen kroop ik als vijfjarige onder het buffet (zoals een dressoir bij ons thuis heette) als de tante langskwam met haar 'koperen luistertrompet' zoals  Gerard Reve hem omschreef. Wij spraken ook over de ovalen plaatjes achterop de fietsspatborden van vroeger met SH erop. 'Ja, dat was ook mooi!'

Doof

 Het was bij een drukbezochte poëziepresentatie dat ik in de lege gang achter het zaaltje Rudy Kousbroek trof, zittend op een bank langs de muur. Hij wees op het zaaltje waar het woord gevoerd werd en zei 'ja sorry, maar ik versta er toch geen donder van'. 'Ik ook niet,' zei ik. En zo raakten we in gesprek over doofheid.

 'Je kan beter blind zijn,' zei Rudy bitter, 'dat wordt gerespecteerd. als je ze niet verstaat denken ze dat je gek bent.' 'En gaan ze tegen je schreeuwen,' zei ik, 'terwijl het aankomt op articulatie.' 'Nederlanders brabbelen,' ging Rudy verder. ‘En daarom praten dove mensen zo veel in gezelschap,’ zei ik, ‘ zichzelf verstaan ze tenminste.’  Er is over doofheid en de vele varianten daarvan weinig geschreven. Ik kwam het nu tegen in het gedicht 'Doof' van Fiona Sampson, vertaald door Menno Wigman en Willem Groenewegen, dat in het nieuwe Tijdschrift Terras staat:

 'Luister je wel je luistert

naar de wereld denk je

ook al hoor je jezelf

keer op keer de donkere taal

 

van de wereld haar schaduwplekken

onder de bomen voorbij de lampen

het donker dat van je voeten valt

zo diep dat je er doorheen zou kunnen vallen

 

aldoor en hoe luidruchtig de wereld

is met het donker tussen de bomen

dat krast als parkieten kronkelt door

het gras het peilt het midden

 

in je oog de donkere taal van de wereld

door je omhoog komt terwijl je valt

lieve zelf lieve eenzame zelf val je

klankloos woorden vormend zonder geluid’

Tags: 

Thierry Poncelet

 Steeds weer stuit ik op dingen die ik Rudy Kousbroek had willen vragen. Al jaren ontmoet ik de honden van Thierry Poncelet, in borduurwinkels of zaken waar je modellen voor de Nachtwacht in kruissteekjes kunt kopen. En blijf naar ze kijken. Wat helemaal niet kan want het is smakeloze kitsch.

 De honden achtervolgen me al jaren, in Brugge is zo'n zaak.

 Waarom Rudy? Onze vriendschap begon bij andere honden. De zingen de honden van Don Charles, waarvan ik het grammofoonplaatje had.

Rudy schreef over ze in vrij Nederland. En vroeg zich af waarom hun ‘Oh Susannah' hem de tranen in ogen deden springen.

 Ik kon hem uitleggen hoe het wonder ontstaan was, het knippen van geluidsband met blafjes in bepaalde toonhoogten. Orkestje erac­hter. 'Kan wel zijn,' zei Rudy, natuurlijk is het smakeloze kitsch, maar het ontroert me steeds weer. Het wonder bleef onaangetast.

 Maar naar de honden van Poncelet vroeg ik hem nooit.

 Een Belg uit Wallonië, het kan geen toeval zijn. Magritte kijkt over je schouder.  

 Er gebeurt iets. Wat? De honden worden mensen, niet ander­som. Alsof ze met hun blikken doen wat honden van ons altijd moeten: wat wij van ze verlangen. Waarbij ze tegelijk iets achterhouden. ‘Nou vooruit omdat jij het zegt.’ Even ontsnappen aan de hondsheid. 

 Poncelet is stiekem wereldberoemd. Maar mensenschuw, woont in Monaco en is in de 70.  

Tags: 

Het Parijs van Sarah Hart

 Hoe zou je het best een stad kunnen beschrijven die je goed kent? Het antwoord vind ik in het boekje 'De straten van Parijs' van Sarah Hart, die in Ierland en Engeland opgroeide en op haar twintigste, zoals ze zegt, Parijs cadeau kreeg.

 Een geschenk dat ze 'twintig jaar mocht houden'. Ze beschrijft haar Parijs alsof ze er wandelt, van blikpunt naar blikpunt.

 Haar eerste keer was toen ze met familie, komend uit de Pyreneeën als het ware 'Parijs werd ingezogen'. In Frankrijk en ver daarbuiten leidden toen immers alle wegen naar Parijs.

 Ze woonde in de Rue des ecoles, samen met Rudy Kousbroek. En  schrijft nu over haar plekken daar. Zoals geschilderd door Caillebotte in 'Sur le pont de l'Europe': 'Met de man met de hoge hoed die is blijven stilstaan om door de enorme kruiselingse metalen steunbalken te kijken.' Je kijkt daar naar de treinen.

 Hoe begon haar wonen in Parijs? Alles goed, als het maar in het centrum was. Haar eerste kamer 'was oorspronkelijk misschien een kast geweest, maar toch eerder een toilet, halverwege de trap tussen de voordeur en de rest van de flat. De eigenaar van de flat had de meubels gemaakt, die allemaal tegen de muren konden worden opgeklapt als ze niet gebruikt werden (...). De kamer was net zo groot als het bed, plus net genoeg ruimte om deur open te doen: was je eenmaal binnen, dan moest je op het bed klimmen om de deur weer dicht te doen.'

 Er zijn 230 exemplaren van De straten van Parijs nu te koop  bij liefhebberswinkels. En, dit moet een begin zijn, ik wacht geduldig op het vervolg bij uitgeverij Fragment. 

Literair Zutphen

 Dat ik de laatste tijd vaker in Zutphen rondkijk, de stad waar ik tot m'n zesde opgroeide, komt door verhalen die ik schrijf, waarin ik huizen, straten, vrouwen en de dood al vroeg ontmoet.

 De meest exotische straat van Zutphen was de Rozenhoflaan. Een smal, dichtbegroeid laantje met chique 19de-eeuwse huizen waar mijn artistieke tante Karin Waardenburg woonde, voor ze naar de Martinet­singel ver­huis­de - ook een schrijver.

 Op de site Literair Zutphen van Hans Heesen, die vorige week plechtig in de Broederenkerk werd geopend vind ik nu dat niet alleen mijn tante daar woonde, ook Paul Rodenko, de dichter en bewerker van de 'vrijmoedige' 1001-nacht bewerkingen die door scholieren werden stukgelezen woonde er.

 En even verderop aan de Coehoornsingel 58 de sinoloog en door Rudy Kousbroek bewonderde schrijver van de rechter Tie verhalen Robert van Gulik, uit wiens werk Umberto Eco putte voor zijn Naam van de Roos.

 Een ontdekking is ook dat D.A.M. Binnendijk, bevriend met Ter Braak en aan het Vossius­ gymnasium de veelgeprezen leraar Neder­lands van de broers Van het Reve, op wie Hanny Michaelis in haar school- en onderduiktijd zo ver­liefd was, de zoon van een deftige Zutphense hoteleigenaar was - Grand Hotel du Soleil aan de Zaadmarkt.

 Voor Jacques Bloem en Clara Eggink moet je wat verderop zijn, aan de Deventerweg 143, vlak achter de Heeckerenlaan 49 waar ik woonde. Mijn moeder kende ze en ook zij staan op Literair Zutphen.

Rudy en Gerard (2)

 Waarom schreven Rudy Kousbroek en Gerard Reve elkaar brieven? Rudy's aandeel is er. Van dat van Gerard nog maar gedeelten. Bijna iedereen, man of vrouw, werd verliefd op Gerard. Het is ook tussen Rudy en hem een liefdesgeschiedenis, anders kan ik het niet verklaren.

 Rudy bewonderde in Gerard vooral de romanschrijver die hij zelf niet was, al deed hij veel pogingen. Hij bekende me eens dat hij over de Japanse bezetting de roman 'The enemy' schreef die door Amerikaanse uitgevers werd geweigerd. Het leek wat op Ballards 'Empire of the sun', waarin een Engels jongetje in Shanghai de Japanse bezetters bewondert, zoals Rudy dat deed op Sumatra.

 Wat Rudy tegenstond was Gerards bekering tot het katholicisme. Hij ziet denk ik niet hoe bij Gerard geloof en literatuur een geheel vormen en gaat er met de traditionele argumenten tegenin. Vroeg of laat zou volgens Rudy het mysterie, het wereldraadsel wel door de wetenschap worden opgelost.

 Toch was Rudy, in Reviaanse termen, wel degelijk 'katholiek'. Zijn irrationele dierenliefde getuigt daarvan en zijn karper die zich liet liefkozen was in Gerards termen zeker een 'katholiek dier'.

 Veelzeggend is dan Rudy's brief van 11 februari 1979, in de tijd dat Reve psychotherapie onderging bij Jan Groothuyse. Waarom? 'Ik zou zo met je willen ruilen, jij mijn gevoelens en ik de jouwe. Zo lijkt het mij tenminste, maar mijn gevoel voor eigenwaarde is op zijn laagst en ik weet eigenlijk niet met wie ik zou willen ruilen.' 

Rudy en Gerard (1)

 De brieven van Rudy Kousbroek aan Gerard Reve zijn er, Gerards aandeel in de briefwisseling is bij Joop en komt nog wel. Rudy was een bewonderaar. Hij vond Bezorgde Ouders Gerards mooiste boek.

 Ik heb veel radioprogr­amma's met ze gemaakt. Rudy deed onder meer mee met Music-Hall en zijn deel­name aan de lange afsluiting van de serie over Phil­ips-Holland Indië was memorabel. Met Gerard nam ik De Avonden op, en een keus uit zijn gedichten met toeli­chting.

 Rudy en ik kregen het over 2CV's, R4's en sloperijen. Toen ik eens moest bekennen dat ik een nieuwe kleine Peugeot had gekocht zei hij 'laten we afspreken dat jij altijd in een 2CV rijdt.

 Ons eerste contact ging over de Zingende Honden. Hij had geschreven over de diepe ontroering die hem beving. Ik kende Don Charles and his Singing Dogs en stuurde hem een kopie van het epeetje. Daarbij moest ik uitleggen hoe Charles een verzameling hondenblafjes op verschillende toonhoogten had vastgelegd op geluidsband en aan elkaar geplakt, waarna hij een orkestje het resultaat had laten begeleiden. Dan hoorde je Oh Susannah gezongen door een hondenkoor. Weer schoten Rudy de tranen in de ogen. Die combinatie van techniek en emotie was hem ten voeten uit. 

 Het zelfde gebeurde toen hij mij zijn katapult, gemaakt van een Bahco, demonstreerde. We schoten ermee op bomen in zijn Leidse tuin. En raak. Goeie katapult.

 Toen Gerard eens tijdens een nachtelijke wandeling in Frankrijk pesterig vroeg 'waarom zingen de vogels zo mooi, denk je?' en Rudy de vogelzang haarfijn uitlegde zei Gerard 'Welnee, om zijn Schepper te loven natuurlijk'. 

 ps. Dit laatste uit het hoofd, waar stond het ook weer? ps2. Het gesprek wordt vermeld in een brief aan Rudy, opgenomen in 'Zondagmorgen, zonder zorgen' en in ''Het boek van Violet en Dood'. 

Spelen

 Eric de Kuyper schreef een aanstekelijk boekje over acteren: 'Het samenspel tussen Dr. Jekyll en Mr. Hyde'. Hij acteerde zelf en schreef veel over film en toneel.

 Toneelspelen heet niet voor niets zo. Je speelt als kind al dat je een ander bent. Acteurs als Dirk Bogarde werden schrijver, omdat ze zich hadden leren inleven. Andersom worden schrijvers graag weer spelend kind. Rudy Kousbroek maakte zijn katapult, W.F.Hermans repareerde zijn vloeistofduplicator. De tekst deed er niet toe: 'O wat had die beer een honger, o wat had die beer een dorst. Gauw een glaasje limonade en een boterham met worst.' Als de duplicator maar werkte. Net als in de hoorspelstudio waar kreukend papier knetterde als vuur, veel beter dan opgenomen echt vuur, Een wiebelende plaat ijzer is nog steeds het beste onweer.

 Als kind leerde ik na Nederland-België de straat op te rennen en een spelersnaam te claim­en. Riep je als eerste 'Ik ben Faas Wilkes' dan was je hem. Zo voetbalden wij als het Nederlands elftal verder.

 Wat De Kuyper schrijft over zijn tante Jeannot, die zo graag naar het theater ging is zo waar: ook de weg erheen en terug hoorden bij de voorstelling. We acteren alle dagen. Soms neemt een rol je over. Toen ik 'The remains of the day' had gezien was ik op de terug­weg veranderd in Anthony Hopkins als butler. 'Of course mylady.'

Fantoom

 Een selectie gedichten van Emily Dickinson werd - samen met werk van haar geestverwante Edna St.Vincent Millay - vertaald door Ans Bouter. En zie mijn favoriet is er ook bij. Dat kwam zo. Ik schreef een stukje, lang voor telefoontjes ook opschrijfboekjes werden. Dat zo begon:

 ‘In de auto, ter hoogte van Overveen, kreeg ik een briljant idee. Inzicht zette de omgeving in hel licht. Maar ik had geen opschrijfboekje bij me. Meteen voel ik me geamputeerd. Een opschrijfboekje behoort tot mijn standaard extra lichaamsdelen. En nu miste ik de simpelste prothese. Het gevolg was fantoompijn. Ik voel de pen en het boekje in mijn vingers, maar ze waren er niet. Ik sloeg af naar de dorpskern maar het kopen van een opschrijfboekje bleek in O. niet eenvoudig. Na veel zoeken en keren vond ik in een souvenirzaak toch nog een klein notitieblok. Maar nu was ik vergeten wat ik zo nodig moest opschrij­ven. Ik bekijk het blok, alsof dat het me kon vertellen. `Schrijfblok' stond erop, `100 vel A7, chloorvrij gebleekt'.

 Van het idee heb ik niets meer vernomen. Misschien kwam het weer langs, maar herkende ik het niet als dat van bij Overveen, misschien omdat het alleen daar, ter hoogte van Over­veen, op die dag, op dat uur, geldig was. Misschien was het ook alleen daar  heel even briljant en trok het zich daarna, in alle bescheidenheid, voorgoed terug.’

 Rudy Kousbroek stuurde me toen dit - mij onbekende - gedicht van Emily Dickinson:

 A THOUGHT went up my mind to‑day

That I have had before,

But did not finish, -some way back,

I could not fix the year,

           

Nor where it went, nor why it came       

The second time to me,

Nor definitely what it was,

Have I the art to say.

             

But somewhere in my soul, I know

I`ve met the thing before;    

It just reminded me -`t was all-

And came my way no more.

Boekenkast

'Terwijl ik dit tik verandert Kees een kleerkast in een boekenkast. In mijn alkoof. De zoveelste tijdelijke oplossing voor het boeken opbergen. De volgende vraag zal zijn hoe.

 Nu al zie ik dat heel het huis hierdoor verandert, het licht onbekende plaatsen bereikt. Ik zal straks onthand wakker worden.

 Landmeters met driepoten in gele jeks aan de straatoverkant meten en noteren voor de Noord-Zuidlijn. Straks krijgt Kafka's landmeter K. in Das Schloss zijn nieuwe plaats. Een schrijver is een landmeter. Eigenlijk zou Kehlmanns die Vermessung der Welt er straks naast moeten staan. Omdat dit stukje nu naast dat boek hoort.

 Met Rudy Kousbroek heb ik eens de boekenordening uitputtend besproken. Hij schreef er over in 'Een kuil om snikkend in te vallen' (1971). Zijn uitgangspunt was het geheugen. Hij zei 'Ik zoek een boek op de plaats waar ik het het laatst in handen heb gehad, voor een krantenstuk. Het gevolg van opruimen is altijd verhoogde onvindbaarheid, omdat je je steeds eerdere opbergplaatsen herinnert.’ En zo lag zijn huis vol samenhangende stapeltjes boeken en documenten die niet van plaats veranderd mochten worden. Natuurlijke groei. Laten aanslibben.

 Kees doet het in z'n bus, die nu voor de deur staat, net zo. Al zijn gereedschap is terug te vinden op de plaats waar hij het het laatst neerlegde.

 Niet ordenen dus, straks, op taal of op onderwerp ofzo. Wat op de grond of op tafel ligt kan zo de kast in.

 Nog even bekijken dan. Ah, het Spookluchtschip. Naast Kehlmann dus.

 

Pagina's