Lazarus

Hallicunante dromen, elke nacht op mijn zg. ziekbed. De lichtval van de vele huizen waarin ik niet kon slapen. Waarom verhuisden mijn ouders toch steeds? Krakende balken op de zolder naast me waar gerimpelde appels lagen.

 En nu heb ik de grootste moeite me los te maken uit Duitse speelautomalen met drie cirkels wentelende citroenen. Het woord ‘Gewinnzahl’. Einwurf 10 Pf. Dit moet Winnngen am Mosel zijn. De smaak van Johannisbeeren Süssmost. Maar ik lig in mijn eigen bed en heb pijn in mijn blaas die niet ophoudt, in welke houding ook. Eindeloos pissen.

 Het hotel heette Zum Rebstock, met Bundes Kegelbahn. Ik mocht de houten ballen in de goot terug laten rollen naar de mannen met witte petten. Dat geluid! Maar even later ben ik op de Nürborgring en rij onder reuzen autobanden door.

 Als ik eindelijk licht zie is het zes uur. De pijn is gebleven. Er is een briefje van Steven Brakman over de reis van zijn vader naar Israel, het, graf van Lazarus. Met het bordje ‘Wil de laatste bezoeker het licht uitdoen?’ Voor de biografie.

Tags: 

Brakmans perron

 Nu eind dit jaar Nico Keunings' biografie van Willem Brakman verschijnt zou ik wensen dat een paar van zijn mooiste romans herdrukt werden. Zoals bijvoorbeeld 'Een heiligverklaring'.

 Waarin de onaanzienlijke 'Oom Sjaak' van het Weigeliaplein door het Vaticaan wordt uitverkoren. De schrijver wisselt er brieven over met een Eminentie, onbetrouwbaar als altijd. Tussen leven en dood kom je onvergetelijke beschouwingen tegen als deze, over het perron:

'Wat het perron betreft, dat zie ik als een oord van begin en eind, van een eerste en een laatste. Op de borden heeft het er veel van of men daar ongedwongen van hot naar her vervoert, maar dat is schijn, want achter al dat klein vertrekken en ook achter het klein aankomen schemert de grote afreis met al zijn onzekerheden. Ik had er staan wachten met de zoon van oom Sjaak, was weer alleen en kon door deze overgang niet helpen daar een ogenblik bij stil te staan. Het spoorwegwezen beschikt over zeer veel ruimte en veel daarvan is gebruikt voor de hallen en de perrons, zoveel dat ik niet aarzel de grote suggestieve kracht en het onthullend vermogen daarvan te noemen. (...)

En dan gaat het over het wachten: 'Wachtenden staan onder hoge druk, zij worden gereduceerd tot zij die heel ergens anders horen, er evengoed niet hadden kunnen zijn, er in ieder geval spoedig niet meer zouden zijn, maar dan zo of ze er ook no­oit waren geweest...'

En verder en verder. Willem hield niet zo van treinreizen. Altijd bang dat de zijne midden in het weiland langdurig zou blijven stilstaan. Hoe verder op het perron? Raadpleeg Boekwinkeltjes voor 'Een heiligverklaring'.

Duitse eigenheid

 Met Willem Brakman, die er een groot liefhebber van was bezocht ik eens een tentoonstelling van Duitse expressionisten in Munster. Daar drong tot me door hoezeer zijn credo in het schrij­ven overeen stemde met wat we daar zagen. En met hoe hij zelf schilderde, want dat deed hij ook.

 Je schildert of schrijft de wereld zoals jij hem ziet. Hij ging daarin zo ver dat sommigen hem onbegrijpelijkheid ver­weten en anderen er van alles achter zochten. Maar het was Willem.

Nu in Singer in Laren een uitgelezen collectie expressionisten te zien is had ik de kans buiten mezelf te treden en met de ogen van Willem en met de vingers van Archipenko, Macke of de mij onbekende Otto Mueller te kijken en te tasten. Navoelen. Natasten. De ontaarde kunst die de Nazi's begrijpelijk genoeg in de ban deden. Zoveel eigenheid was ze onverdraaglijk. Henri Laurens was overigens een Fransman.

Tags: 

Omsk, Tomsk, Irkoetsk

Mijn vriend Willem Brakman stierf in 2008. Vanmiddag komt zijn biograaf Nico Keuning langs om de laatste map brieven van hem op te halen. De biografie verschijn rond de jaarwisseling. Waarom konden wij het zo goed vinden. Willem en ik schreven elkaar veel. Bric-á-brac. Op 22 juli 2006: 

 'Ja, je bent een begenadigde briefschrijver, nog een van de oude garde kan ik het niet noemen, het was een 'omgang' met de taal die zo veel dragelijk maakte. Zo was het bij een bijeenkomst soms zo dat de binnenkomer de vrienden omstrengelde met een fors Omsk! Tomsk!! Irkoetsk!!! Vestdijk vroeg zich af wat dat betekende en wij konden het niet uitleggen. Ons huis bestaat uit latwerk van taal.'

 Over een logeerpartij in zijn jeugd in het voorvaderlijke Zeeland: 'Zo kwam ik op een zaterdagavond na de wasbeurt, innig tevreden en behaaglijk weer de huiskamer in. Tot aan mijn haarwortels van behaaglijkheid vergiste ik mij en kroop op de divan met een luide en duidelijke uitspraak: 'En nou een fijn potje neuken!' Ik bedoelde natuurlijk behaaglijk kroelen maar werd afgeranseld door moeders vader. Zo schalde de uitspraak tot over heel Zeeland tot België toe.

 Het is warm en nu weet ik wel dat er onder u zijn die niet warm zijn, maar ik zeg u het is warm. De bladen van mijn boek plakken over mijn hele lijf, dringen echter niet tot mij door. Ik las de Zauberberg.. van ene Th. Mann. Plotseling vond ik het niet meer zo 'goed'. Lusteloos bladerde ik wat verder en begon te verlangen naar de kaft. Heiligschennis? Ik dacht van niet. Ik geloof het nu wel en val terug op de altijd afgrondelijke Kafka.'

Witte Jurken

 Er is een tijd geweest, in de jaren '20, dat meisjes levensblij rondfietsten in witte jurken. De fiets, het symbool van emancipatie. Isaac Israels heeft ze geschilderd aan de oude pier van Scheveningen, ze waren afgebeeld op de koektrommels van de Bahlsens Cakes.

 Willem Brakman - dit najaar komt zijn biografie door Nico Keuning - laat in zijn meesterwerkje De reis van de douanier naar Bentheim twee heren in dat kuuroord steeds weer opkijken van langsfietsende meisjes, die hij dan ook 'De Bahlsen Cakes' noemt. Mijn moeder was geabonneerd op het meisjesblad 'Zonneschijn' waarin ze werden afgebeeld.

 Ik had ze verwacht in de biografie van Cissy van Marxveldt, met de tekeningen van Hans Borrebach, maar Monica Soeting heeft weinig oog voor hoe de tekeningen van Borrebach een wereld opriepen en een stijl neerzetten. Brakman des te meer:

 'Schaduwen gleden over hun witte bloesjes en de zon vonkte nu en dan in een fietsbel gelijk een vrolijke knipoog. Het waren de Bahlsen cakes, wit en gesteven, rok bijna tot op de fietslaarsjes, de mouwen breed en smetteloos, en hun strooien hoedjes zeilden hoog, kuis en koel door de zomer (...) De banden ruisten voorbij, even nog de geur van nergens meer te krijgen zeep en de heren hadden het nakijken.'

Tags: 

Onder water

 Dat Willem Brakman bang was voor wat er onder het wateroppervlak leeft ontdekte ik tijdens een roeitochtje over de Scheveningse 'Waterpartij'. Hij was daar als jongen vaak heen gelopen - op weg naar de tennismeisjes op De Bataaf - en wist er alles van.

 Aan de 'Waterpartij' ligt nu het Indische oorlogsmonument, waar eens per jaar de slachtoffers van onze koloniale aanwezigheid herdacht worden. Het hele jaar door liggen er verse bloemen. Een ziekenhuis employé vertelde me dat er een afspraak was met de Haagse ziekenhuizen om de overgeschoten bloemen van het ziekenbezoek daarheen te brengen.

 Willem, opgegroeid in Duindorp, vlak aan zee, legde me uit dat hij nooit verder dan zijn kuiten in zee had gedurfd. Uit angst voor wat er onder de waterspiegel leefde. Zeedieren met scherpe tandjes die het op de geslachtsdelen van argeloze zwemmers hadden voorzien.

 Ik roeide voort over de waterpartij, terwijl hij uitlegde dat het daar zeer diep was door de zandwinning voor het ophogen van de veengrond in de grote stadsdelen waar gebouwd moest worden.

 Zand is geld, veen is minder soort. De scheidslijn die de stad langs de Laan van Meerdervoort in tweeën deelt. Zo zit het in Den Haag. En zo was ik niet verbaasd toen buurtgenoot Wim de Bie me belde terwijl hij bezig was zijn ouderlijkhuis te ontruimen. 'Ik was hier in de kruipruimte en je raadt nooit wat ik daar vind: zand.' Tja, onze buurt grensde aan de tuinderijen van het Westland, je zou hier veen verwachten. Zand was meteen een stuk chiquer. Maar ik moest hem teleurstellen: 'Dat zand is er op gebracht voor ze gingen bouwen', wist ik van Brakman.

Brakman en Vestdijk (2)

 Depressies en angstaanvallen waren toen ik er mee kennismaakte raadselkwalen waarover fluisterend werd gesproken. Er waren goeroes als Laing, Foudraine, jawel wie is van hout ligt nog wel eens op Koningsdag. Valium zag ik komen, zepinen in vele varianten, prozac en godweet wat nog meer. De ontdekking van de hyperventilatie.

 Wat helpt voor wie? Wat werkt averechts? In de brieven van Brakman en Vestdijk, allebei arts en bevoorrecht in contacten met de farmaceutische en medische stand vind je dat in het duister tasten terug. Wat Willem aan middelen voor zijn vriend Simon opsnorde staat er haarfijn in, dosering en al. Hij vond de medicatie die Vestijk goed bekwam. Hij kon weer schrijven. Er kwam een vriendschap uit voort. En unieke, nu gebundelde brieven. Deze is van Brakman, 9-10-'64:

 'Beste Simon

 Hartelijk dank voor je brief die me oa. vertelde dat je de vakantie weer hebt overleefd. Mijn pessimisme hier wordt mij ingegeven door mijn ervaring die mij heeft geleerd dat juist in de vakantie bijzonder veel mensen ziek worden, blijkbaar valt de vakantie van vira, bacterieen coccen en allerlei virulente sapjes niet in dezelde tijd, wat dan weer een nadeel is van de vakantiespreiding.' (...) Waarna de brief heel Brakmanniaans verspringt naar muziekmaken en als dat te tijdrovend is de aanschaf van een geluidsinstallatie. Dan volgt: 'Aan lawaai heb ik altijd een bijzondere hekel gehad, dat wijst op muzikaliteit, Chopin kon niet tegen het verschuiven van een herfstig blad over de stenen (wat een luxe om zo ' afwijking te kunnen hebben), zijn oog was minder gevoelig, want mooi was ze niet, onze George [Sand, WN]. Toen ik in dienst trad bij bij de verenigde textielbedrijven en mij aan de hand van mijn chef voor ging stellen aan allerlei bazen en chefs in die daverende en donderende fabrieken had ik het genoegen al handenschuddend op het gebrul van zo'n chef die al lachend zijn naam schreeuwde, keihard terug te schreeuwen 'klootzak.. boerenlul...'. (...) 

Brakmans oorlog

 Brandstof en voedsel, daar ging de oorlog in Nederland over. In De Parelduiker geeft Nico Keuning een voorproef van de Willem Brakman-b­iograf­ie waar hij aan werkt. Over diens enige oorlogsroman 'Debielen en demonen'.

 Geen spanning, sensatie of heldendom maar kou. Zijn vader sleept uit de wijde omgeving brandhout aan naar de Haagse Elsstraat, zijn moeder gaat op voedseltocht. De op een vals persoonsbewijs ondergedoken Willem studeert voor dokter in de laatste oorlogswinter. 'De kou slaat van elke bladzijde,' schijft Keuning. En in het boek staat: 'Wie koud leeft, leeft lang, maar voor het leren was de kou niet bevorderlijk. Zolang het maar bij handen en voeten bleef ging het nog wel, maar wanneer hij zich eenmaal in de buurt van mijn maag had genesteld dan werd ik slaperig en suf. Vaak dommelde ik dan boven mijn boeken in om weer wakker te schrikken in een doodstille wereld, verstijfd, versteend en met hoofdpijn.'

 Willem moest en zou dokter worden. Vooral zijn moeder, de verpleegster, had er alles voor over.

 ' Ergens was de oorlog, hij was niet te zien maar men sprak erover, de echte oorlog van staal op staal en waarbij bloed in de aarde sijpelde. Miljoenen soldaten vochten, maar er was er niet een te zien en er was niets van te horen.' 

 Hij heeft erotische fantasieën over een zwakzinnig meisje in de straat: 'In het hoofd van debiele mensen, las ik, is iets helemaal mis, de hersenvliezen zijn te droog, de hersenkanaaltjes veel te nauw. Van binnen ziet hun hoofd eruit als een vermolmde okkernoot, alles bruin en zacht en als ze denken doet dat pijn.' 

Tags: 

Brakmans droom

 Met vriend Willem Brakman sprak ik ook over religie. Gelovig waren we geen van beiden. Wel deelden we een gevoel voor het onverklaarbare.

 'Ik droomde,' zei Willem, 'dat ik wakker werd in een prachtige, zondoorschenen kamer, met los waaiende gordijnen. Ik stond op, liep naar het raam en zag dat mijn kamer op de eerste etage lag van een groot landhuis met een Frans aangelegde tuin. Op mijn nachtkastje stond een ontbijt gereed, met een kan verse koffie. Maar binnen noch buiten was een iemand te zien.

 Graag zou ik iemand bedanken voor deze schitterende ontvangst, dus ging ik de gang op in mijn kamerjas, en liep de gangen door. Maar nergens was een levende ziel te bekennen. Toen werd ik wakker.'

 Volgens Willem was dit een religieuze droom. Hij zocht iets of iemand om te bedanken. Gewoonlijk vragen mensen goden om gunsten. Hij niet, hij wilde alleen iemand bedanken. Maar wist niet wie.

 Zijn verhaal zette zich in me voort. Zodat ik het landgoed in Leuven plaatste en inkleurde met gele kiezelpaden en plavuizen in rood en zwart. 

Tags: 

Brakman en het vorstelijke

 Bij de begrafenis van Helga Ruebsamen dook een brief op waarin ze zoon Steven vertelt van haar ontmoeting met zijn vader Willem Brakman in de Haagse Paleistuin in 2004. Op weg naar de toekenning door Hare Majesteit van een prijs aan Hella Haasse  Een brief die herinnert aan wat beschreven staat in Brakmans ‘Van de in hogere kringen verliefde’ (1990).

 Namelijk de dwaaltocht  als hij over het hek klimt bij  De Ruyghe Hoeck, de koninklijke villa in de duinen, vlak achter waar Helga woonde, bij het Zwarte Pad.  Daar ontdekt hij voetsporen. Op de villa staat de koninklijke standaard, die aangeeft dat Hare Majesteit thuis is, zoals koninklijke vaantjes op een hofauto zeggen dat de majesteit er in zit. Dan vindt hij sporen in het duin van een groep.

 ‘Spoedig zag ik tekenen dat ik op het onvoorstelbare mocht hopen: een stuk banaan, de zo decoratieve sinaasappelschil, een zakdoekje met lipstick. Terwijl ik deze relikwieën met uiterste reverentie inzamelde hoorde ik nu ook gestamp en een rukken en kraken in de struiken maar daarbij, en daarin vergis ik mij niet, een warm, van binnen rozerood en innig snuiven. Opeens zag ik haar en het was of alle geluiden zich tot het uiterste op mij stortten: vogels gilden het uit, bijen en vette strontvliegen huilden en jankten als wedstrijdmotoren en vlinders klapwiekten voorbij met vorstelijke pluim die zachtkens wuifde in de zomerwind, in de duinen, aan zee…. Het afschuwlijke geluid van kranten die alsmaar worden opengevouwen.’

 ‘Onhoudbaar majesteitelijk stond zij daar, nog wel met de rug, breed en stevig als een ton, naar mij toegekeerd, maar daarna was het zich naar mij toewenden als de zuivere genade zelf. Machtig was de trom van haar buik, naar onder toe verglijdend naar zachtroze en eindigend in een waarlijk vorstelijke pluim die zachtkens wuifde in de zomerwind, in de duinen, aan zee…’. (…)

 ‘Er was iets met mijn adem, herinner ik mij nog, die stokte of hield er helemaal mee op. Nog kon ik een laatste rest onderbrengen in een agonaal "leve de koningin hoezee", daarna verloor ik het bewustzijn.'

Van de in hogere kringen verliefde  keert terug in een  niet eerder gepubliceerde lezing over 'De romantische obsessie',  die Brakman hield in De Balie in Amsterdam 1 oktober 1989, aldus de nieuwe Brakman-biograaf Nico Keuning. 

Pagina's