Onder water

 Dat Willem Brakman bang was voor wat er onder het wateroppervlak leeft ontdekte ik tijdens een roeitochtje over de Scheveningse 'Waterpartij'. Hij was daar als jongen vaak heen gelopen - op weg naar de tennismeisjes op De Bataaf - en wist er alles van.

 Aan de 'Waterpartij' ligt nu het Indische oorlogsmonument, waar eens per jaar de slachtoffers van onze koloniale aanwezigheid herdacht worden. Het hele jaar door liggen er verse bloemen. Een ziekenhuis employé vertelde me dat er een afspraak was met de Haagse ziekenhuizen om de overgeschoten bloemen van het ziekenbezoek daarheen te brengen.

 Willem, opgegroeid in Duindorp, vlak aan zee, legde me uit dat hij nooit verder dan zijn kuiten in zee had gedurfd. Uit angst voor wat er onder de waterspiegel leefde. Zeedieren met scherpe tandjes die het op de geslachtsdelen van argeloze zwemmers hadden voorzien.

 Ik roeide voort over de waterpartij, terwijl hij uitlegde dat het daar zeer diep was door de zandwinning voor het ophogen van de veengrond in de grote stadsdelen waar gebouwd moest worden.

 Zand is geld, veen is minder soort. De scheidslijn die de stad langs de Laan van Meerdervoort in tweeën deelt. Zo zit het in Den Haag. En zo was ik niet verbaasd toen buurtgenoot Wim de Bie me belde terwijl hij bezig was zijn ouderlijkhuis te ontruimen. 'Ik was hier in de kruipruimte en je raadt nooit wat ik daar vind: zand.' Tja, onze buurt grensde aan de tuinderijen van het Westland, je zou hier veen verwachten. Zand was meteen een stuk chiquer. Maar ik moest hem teleurstellen: 'Dat zand is er op gebracht voor ze gingen bouwen', wist ik van Brakman.

PCC

 De wanhopige precisie waarmee tram- en treinliefhebbers proberen de verloren tijd vast te pakken - alles moet kloppen, lettering, accessoires, bordjes - die zag ik vanmiddag in het Haagse trammuseum.. Het mooiste van ons land. Alles in de lak.. En het werkte, ons gezelschapje ontstak in euforie. De PCC 1022 zal rij­den. Eerste serie.

 Omdat ook in Muzenstraat en andere Haagse verhalen droomtrams rijden zal dat boek van Marcel van Eeden en mij worden aangeboden in een rijdende PCC. Aan Wim de Bie, mijn buurjongen van eens, die net als ik rond 1950 op het Savornin Lohmanplein heeft staan uitkijken naar de nieuwe Amerikaanse trams. Ontstaan uit Roosevelts New Deal als product van de Presidents' Conference Committee.

 Nu klommen we de treeplank op, weer. En wezen elkaar waar het om ging. Zie je, die bovenraampjes, Amerikaans! Als je daardoor naar Den Haag keek zag je de toekomst. En zo zaten we in de 1022, die we hadden zien komen in 1952. 

 De oorspronkelijke vering van de PCC - ik voel hem nog ‑ was ongehoord. Die van een Amerikaanse slee, een Pontiac of Cadillac. Je zweefde over de rails. Heel den Haag werd dan ook meteen misselijk en de vering moest worden vervangen.

 Wat trams en treinen met ons doen blijft onopgehelderd. In Muzenstraat doen Marcel en ik allebei pogingen onze vingers erop te leggen.

 Zo was mijn broer lid van een gezelschap dat eenmaal per jaar naar het stoomlocomotieven-depot in Kleef reisde toen zoiets er in Nederland niet meer was. Wat daar gebeurde was diep ontroerend. Ik zag er reeksen identieke foto's van. Mannen die even de pet van de Duitse machinist op mochten om daarmee op de treeplank van de stoomlocomotief te poseren. Dat duurde heel de middag.

 Aan de Parallelweg in Den Haag staat in de museumhal een pop met een HTM‑jas aan en een HTM‑pet op. Ik begreep meteen wat er gaat gebeuren als het museum straks in april weer open gaat.

 Voor die tijd zullen Wim en ik met onze gasten in de 1022 naar zee rijden, met het boek, naar de keerlus van lijn 11 en verder. Stuifzand tussen onze tanden. 

Tags: 

De roman van Miranda July

 Het vermijden van de obstakels die medemensen zijn. Dat is het waardoor Lionel Messi nooit gebleseerd raakt. Ben je er niet zo goed in, mijd het speelveld. Zeg liever nee als ze je vragen.

 Maar in het leven van alledag geldt niets als schaamtevoller dan vermijden. Sociale onhandigheid is een groot onderwerp waar de literatuur meestal omheen draait. Van de niet geschreven roman van Friedrich Nietzsche over zijn toenade­ring tot Lou Salomé tot Kaf­ka’s in verlegenheid gesmoorde relatie met Milena Jesenska. Schaamte, en toch een pad moeten vinden in het mijnenveld. Liever thuis blij­ven als gezegd wordt 'ga toch gezellig mee', eindeloos smoezen verzinnen.

 Het meesterwerk hierover in onze letteren is het onderschatte 'Meneer Foppe over de rooie' van Wim de Bie. Maar daarbuiten? Oblomov vindt ontsna­pping in de slaap, de droom. Een obese hoofdf­iguur las ik nog niet.

 Maar nu ben ik dan verzonken in de eerste roman van Miranda July 'The first bad man' - vertaald als 'De eerste foute man'. En haar heldin Cheryl, even in de veertig, blijkt familie van meneer Foppe. Ook zij leeft alleen en heeft haar eigen 'sy­steem' voor alles. Zo is er maar een bord in huis dat ze steeds afwast, zodat er nooit een gootsteen vol vuile afwas staat. Een werkzame manier van angstbezwering.

 Totdat er een onbeschofte jeugdige logé komt. Cheryl kan geen nee zeggen dat hoort bij de kwaal. En deze Clee houdt zich aan geen van haar regels. Binnen een dag staat de goo­tsteen vol vaat. Het meisje wast zich maar eens per week. Ze stinkt. En is nog mooi ook, krijgt mannen achter zich aan. Ze eigent zich het huis toe. Wat nu? Die foute man? Ik lees.

idem - Dorpshuis in Vierhouten (1953)
J.W.C.Boks - hotel Britannia, in Vlissingen aan de Boulevard (1955)

Wederopbouw (2)

Vrijwel lege straten, nieuw geplaveid. Maar een enkele auto. Huizen en gebouwen die eruitzien als nieuw. Pas geplante boompjes met canvas kraagjes.

 Zo zie je het op de foto's in het boek van Hans W. Bakx over architect Boks. Of op de tekeningen van Marcel van Eeden. De wereld van voor 1965.
Het surrealisme van de wederopbouw. Griezelig als de mannen en vrouwen in series als 'Mad men'.
Ook ik ben opgegroeid tussen de bouwputten van een buitenwijk, de houten steigers. En ik weet: er was geen esthetiek, alleen vanzelfsprekendheid. En daarvan heel veel.
De decoraties van smeedijzer, de overhangende betonranden, de uitstekende balkons die de vlakken moesten doorbreken.
De mozaïeken met gevelornamenten van iets te vrolijke schoolkinderen. De kleuterscholen gemaakt van hout en afgedekt met goedkoop persstro.
Nu, nu veel ervan gesloopt is, zie je de achteloze, haastige charme. 
 

Koenegracht in het stoommuseum in Medemblik

Ze

In het eerste nummer van de vierde jaargang (2006) van 'Het Liegend Konijn, tijdschrift voor hedendaagse Nederlandstalige poëzie, staat een gedicht van Frank Koenegracht, dat begint met de regel:

 'Deuren dicht ze komen door de ramen, ramen dicht ze staan al in de gang.'
 
 Het is opgedragen aan Wim de Bie en mij.
Dat komt zo, die regel ('Deuren dicht... etc.') spookt al jaren door mijn hoofd. Ik gaf hem aan Koenegracht.
Maar ook na de publicatie in het Liegend konijn heeft niemand me kunnen vertellen waar hij vandaan komt. Ook Wim de Bie niet, die de tekst toch bekend voorkwam. 
Het is een liedje, lang geleden gehoord op de kermis op een dorp op de Veluwe. Er hoort een melodie bij die ik nog steeds kan neuriën.
De tekst die in mijn kop bleef haken is het refrein. Daarna volgt een stukje parlando en een fanfare-achtige slotje, en dan opnieuw: 'Deuren dicht ze komen door de ramen, ramen dicht ze staan al in de gang.'

 En vandaag dringt opeens tot me door waarin de geheimzinnige aantrekkingskracht van deze regel moet zitten. 'Ze', ach natuurlijk.
Geert Wilders was nog niet geboren maar hij spookte al.  

W.G.Sebald in Marbach (4)

 Veel hulp bij het achterhalen van het ontbrekende woord in de aantekeningen van Max Sebald. Dank!

 Hoe dan ook, Duits handschrift is anders, wordt anders aangeleerd dan Nederlands, waarover later meer. Roel Idema suggereert 'Grundlinien?'. Maar van Wim Bloemendaal komt al vlug het waarschijnlijker ‘Emotionen’. Wat bevestigd wordt door Jan Hein van der Bruggen. En waarbij ook Wim de Bie zich aansluit. Zodat de zin waarschijnlijk wordt:‘ich glaube dass ein ästhetisches Werk immer Emotionen entspricht’ etc..Vertaald iets als:‘ik geloof dat een esthetisch werk altijd uiting geeft aan emoties die ongelukkig zijn. Het geluk is immers zijn eigen doel, nietwaar? Dus hoeft geluk niet veranderd te worden in schoonheid, maar ongeluk wel.’