De trappen van Sebastiene Postma

 Net kwam ik bij de deuren vandaan of daar waren trappen. De titel van het dichtdebuut van Sebastiene Postma. Deur en trap maken samen een gang. Bij Postma (1957) verbinden trappen de wereld. Gelijkvloers is niets of misleidend.

 Zo zijn er bij haar overtreffende trappen, vergro­tende trappen, wenteltrappen. Bovenaan, onderop. Nu en toen, boven, beneden. Postma treft ze in Angelsaksische poëzie tot in de vorige eeuw. Dat moet haar leeswereld zijn. Waarin dichters optreden als excentrieke oude kennissen. Zoals William Blake (1757-1827), die ook tekende. Aan hem is gedicht nummer II gewijd:

 William Blake voerde diepgaande gesprekken / met aartsengelen en zijn dode broer. / Hij liep vaak met hen van gedachten te wisselen zonder op de vloer te letten. / Zijn tijdgenoten meenden dat hij een rare gek was / maar de prerafaelieten besloten dat het geen gekte was maar genialiteit. / Blake bond de strijd aan met de lagere treden. / Maar ontdekte door hen de onder- / en overschrijding, allemaal mogelijkheden. / De visioenen hingen bij Blake gewichtloos boven / zijn hoofd, trappelend om op te stijgen als ballonnen aan touwtjes. / De ruimte tussen zijn schoenen en de grond / was groter te krijgen. Hij ging steeds naar buiten om te kij­ken.

 Kijk, door het laaghangende wolkendek / boort zich een kurkentrekker van zon schuin naar een pas gemaaid veld. / Balen hooi in plastic liggen verspreid over een paar hectaren. / Al het licht verzamelt zich in die ene wenteling. / De rest van de akkers, de heggen, de sloten, / wordt in schaduw onwaar- / neembaar. De bundel stralen die zich speurend / door de dekking heen wurmt is zo intens / (als een zoeklicht vanuit een politiehelicopter) / dat hij een schacht van boven naar beneden vormt. / Een opening die moet zijn gedacht.

 Wil men naar het hoogste / dan is de ladder de baar.