Frans Masere­el (1)

 Modern, dat was het woord. Bij de Gentse liefdesbrieven-expositie stuitte ik opeens op de houtsnijder Frans Masereel (1889-1972). Die ik als veertienjarige voor het eerst zag - in Brugge - en wiens werk me bedwelmde.

 Als huizengek in aanleg zag ik opeens hoe de moderne grote stad - de 'grootstad' - en zijn bewoners in de jaren twintig een levend geheel werden. Zo zag de wereld van Paul van Ostaijen eruit. Trams, treinen, staal, beton en glas in vloeiende persp­ectieven en o zo 'ruimtelijk'. Nu eens omhoog reikend, dan weer vanuit de hoogte gezien.

 Wan­hoop en de nieuwe tijd tezaam, dwars door de oorlog, als bij Van Ostaijen. De wanhoop van het moderne. Maar met welk een gebaar. Er zijn echo's van Oscar Jespers en Gust Desmet, tot en met Jotie 't Hooft.

 En nu kreeg ik in Gent een antwoord op de vraag 'wie was Frans Masereel'. Hij werd aan de kust geboren, in 1889 in Blankenberge. Groeide op in de fabrieksstad Gent toen ze daar nog Frans spraken. Deed mee aan de arbeidersstrijd. Leerde etsen en kreeg oog voor 'le spectacle des hommes en des choses'. En trok op zijn twintigste naar Parijs, waar hij dichtbundels illustreerde van oa. Emile Verhaeren.

 Tijdens de oorlog vluchtte hij naar Geneve en raakte bevriend met Stefan Zweig en Romain Rolland. Maakte veel over de slagvelden. Zijn bundels 'Debout les morts' en 'Les morts parlent' gingen de wereld rond.

 Maar wat zou ik graag zijn op z'n Middeleeuws gemaakte 'Livre d'heures' zien, zijn 'Urenboek', een gedroomde autobiografie in 176 prenten, in hout gesneden. Masereel is bekend van z'n geëngageerde prenten, maar er is zoveel meer. 

Bob de Mets, who the hell?

 Wanneer en waar hij stierf? Geen mens die het weet. Ik probeer te achterhalen. Noem het verlangen naar het onbekende. Bob de Mets, ook wel schrijvend als Jan of Jean Demets werd geboren in Belgisch Limburg in 1895.  Omdat hij gedichten naliet als dit, uit 1926. België, kort na de Grote Oorlog:

 de kelner zegt / dat het verkeerd is in het donker te schrijven / en uit dampende soep / zingt een sentimenteele melodie / oud oud oud

 twintig paarden trekken een kanon / twintig schreiende paarden / en te paard op het kanon / (o goddelijke ironie) / zit jonas

 jonas die in den buik van den walvisch zat / zit te paard op het kanon / maar onder de lindeboom staat maria / met lachende vingers / 'HELD!!!'

 de soep is op / tussen twee citroenschijven / gluurt de mondschein-sonate / en er zal wel geen eind komen aan dezen maaltijd

eten is de tragiek van het leven / zesenzestig wereldproblemen zijn in acht dagen / door dit probleem opgegeten / en jonas zit te paard op het kauwende kanon

 het kanon kauwt het hart van jonas / jonas kauwt het hart van maria / maria kauwt alle harten / en de zon valt neer / ergens / ergens / ergens / tussen paars corea / en geel-zwart californië

 jonas zet zijn muts op het ander oor / maria haar hand op de andere dij / en dit was / het begin / van / de / wereld

Het komt uit 'Doe uw werk, een verzameling Avant-gardistische poëzie uit de Lage Landen' van Hubert van den Berg en Geert Buelens. Er zijn twee bundels bekend: Asfalt: poësie erotique (1924) en een bibliofiele uit 1926. De Mets was redacteur van 'Het Woord', een tijdschrift verschenen in 1925/1926. Paul van Ostaijen vermeldt het. In de jaren dertig kwam hij in nationaal‑socialistische kringen terecht.  Na de oorlog was en bleef hij volstrekt spoorloos.  

De sleutel van Van Ostaijen

 Donderdag komt zijn poëzie aan bod. Ik snuffel in zijn proza waar de letterkunde weinig raad mee weet. Het bordeel van Ika Loch uit 1926 heet dan een 'groteske'. En wat te denken van 'De verloren huissleutel' (1928).

 Ondertitel: 'hoe het komt of zie je wel'. Het averechtse bordeel is hier een averechtse stad geworden. Lees Antwerpen. Dat begint met Hasdrubal Paaltjens, een keurige, maar erg dronken heer:

  'Toen hij, dronkenlap, en met behulp van een koetsier, zijn huis had gevonden vond hij zijn huissleutel niet meer. De dronkenscha­p is een nuchtere toestand. Het is de toestand van de nuchtere balans. Ja en neen vernietigen zich voortdurend. Of hij zijn huissleutel nu werkelik verloren had, heeft totnutoe niemand logies-mathematisch kunnen bewijzen. Sommigen beweren dat hij zijn huissleutel niet had verloren, dat hij deze sleutel waarschijnlik in de hand hield, doch dat dit kleine detail hem was ontgaan.'

 Lees dit als Van Ostaijens bijdrage aan de maand van de filosofie. Het gaat verder. Hasdrubal houdt een lange alleenspraak vol wijsgerige overwegingen. En besluit 'de laatste meid die vermoedelijk nog geen kliënt heeft gevonden' op te speuren. Waarom 'der hoerschap laatst' exempel' nog geen klant vond blijkt als Hasdrubal door syfilis getroffen wordt. Maar dan.

 Omdat hij - 'De glorie van de stad, Het levende gedicht' - nogal actief is verspreidt de kwaal zich razend snel door bijna geheel de stad X.. En dan ontstaat er een syfilitische vrijstaat. Waar zelfs vanuit Amerika en Japan immigranten naartoe komen. Bij de dokters lange rijen, er worden hangars gebouwd waar de patiënten overnachten. Maar er wordt een remedie gevonden. Hasdrubal, de lokale heilige, krijgt een monument. Zijn verloren huissleutel in de voet. Er komt een Verloren Sleutelstraat. Van Ostaijen en de drank, Van Ostaijen en de hoeren. Wie schrijft het verhaal? 

Van Ostaijens Bezette stad

 Het is 2014. Honderd jaar geleden, in de zomer werd Antwerpen door de Duitsers gebombardeerd vanuit Zeppelins. 

 Over het leven in zijn verwoeste geboorteplaats schreef Paul van Ostaijen (1896-1926) het grote gedicht 'Bezette stad'. Dezer dagen heruit­gegeven in de originele dadaïstische typografie van zijn vriend Oscar Jespers. Vandaag las ik het - dwars door de typografie heen - opnieuw. Oorverdovend, alle zinnen prikkelend. Nergens in poëzie gaan trams zo gillend door de bocht, stromen gevechten zo logisch over in bordeelscènes, worden film, theater en kerk zo’n totaaltheater. En zijn pijn, angst en kou zo alom aanwezig. Zwarte handel, reclame en champagne krijgen hun eigen logica als overleven het enige overgebleven doel is.

 Van Ostaijen vluchtte na de oorlog op 22‑jarige leeftijd naar Berlijn. Daar schreef hij behalve Bezette stad ook het dadaïstisch filmscenario 'De bankroetjazz'. Het verhaal van een jaz­zrevolutie die zich verspreidt over Europa en met een waanzinnig finan­cieel plan geheel Europa in een feestelijk bankroet stort. Pas in 2009 werd het verfilmd, in Nederland.

 Donderdag as. een Van Ostaijen-avond in de Amsterdamse Nieuwe Liefd­e. Met visualia, experiment en muziek: 'We moeten bloot zijn en begin­nen!' Ga!

Bezette Stad

 Oorlogsdreiging alom, net als honderd jaar geleden. Wat zijn in godsnaam de plannen? Een bezettingsmacht in Damascus voor een jaar of tien?

 In 1914 werden de verdedigingsforten rond Antwerpen opgeblazen, de stad gebombardeerd vanuit Zeppelins en door Duitse troepen bezet. Tienduizenden vluchtelingen kwamen naar Nederland. Paul van Ostaijen en z'n beeldhouwersvriend Oscar Jespers zaten tot 1918 opgesloten in een vernielde en bezette stad. In de zomer van 1920 schreef Van Ostaijen z'n gelijknamige bundel. Jespers deed de layout, met de typografische grapjes van de Futuristen, Dada en Apollinaire bij de hand. Alleen, dit was anders, dit was oorlog.

 Dichten over oorlog levert kitsch op, behalve in een heel uitzonderlijk geval als dit. Hoe kon dat? Van Ostaijen noteerde: 'Het nihilisme van Bezette Stad cureerde mij van een oneerlijkheid die ik eerlijkheid waande en van buiten-lyrische hogeborstzetterij. Daarna werd ik een doodgewoon dichter, dat is iemand die gedichtjes maakt voor zijn plezier, zoals een duivemelker duiven houdt. Ik maak geen aanspraak op de medaille van burgerdeugd.' Rodaan Al Galadi zou het hem na kunnen zeggen.

 Maandag in de Avonden meer.

Oscar Jespers (2)

 Beeldhouwkunst wordt steeds weer bedreigd door dodelijke ernst. Soms denk ik dat dat komt door de zware materialen, het brons, het graniet, het marmer, het hout..

 Lichtheid in beelden is schaars, bij Brancusi, Man Ray soms. Zelfs Rik Wouters ontsnapt niet als hij Nel vrouwshoog neerzet met huiselijke zorgen. Waar bij komt dat in de kring van de gebroeders Oscar en Floris Jespers de figuur van Paul van Ostaijen torende. Geen beeldhouwer, wel een vervaarlijke theoreticus, die niet aarzelde zijn beeldende vrienden de wet voor te sch­rij­ven. Het kubisme was hem heilig als leer van de geest. De lichamelijkheid van Rodin en Rik Wouters lustte hij niet, zo lees ik in 'Oscar Jespers, beelhouwer en tekenaar' van José Boyen dat bij Beelden aan Zee verscheen.

 Oscar Jespers zat beklemd tussen twee vrienden: de expres­sionist Woute­rs, die 1916 als oorlogsvluchteling stierf aan kanker aan de Amsterdamse Kostverloren kade en de dwingeland Van Os­taijen, die in 1928 stierf aan tbc. Voor de laatste deed hij de beroemde typografie van 'Bezette stad' (1918-1921), over de Eerste Wereldoorlog die ze beiden in Antwer­pen doormaakten.

 Terwijl Jespers vormgaf zat Van Ostaijen depressief in Berlijn, maar er werd druk gecorrespondeerd over de proe­ven. Tenslotte was Van Ostaijen tevreden.

 Gevraagd waarom hij de paginanummers wegliet zei Jesper­s: ''t Stond dom.'

Oscar Jespers (3

 Rik Wouters kon zijn Nel te allen tijde vragen in die houding stil te blijven staan, precies zo, met dat strijkijzer in de hand. En dan schilderde hij haar.

 Van Rik is bekend dat hij bij Oscar Jespers op atelier kwam en daar een beeldje in klei zag ontstaan waaraan naar zijn idee teveel franje zat. Hij nam een mes en streek ze weg. Die strakke vorm heeft Jespers nooit verlaten.  

 Maar daarbinnen lukt het hem altijd het eigene te treffen. Van vrouwen vooral. In net dat ene trekje om een oog, juist die houding. Het grafmonument voor zijn vriend Van Ostaijen is uitzonderlijk. Ik ken er geen tweede zo. Een liggende man. Op z'n zij. Met open ogen. Hij is niet dood, eerder in gedachten verzonken. Het heeft ook een titel: Engel. Maar nee, ik moet beter kijken. Het is een engel. Hij vliegt.

 Het is de zelfde nabijheid die je bij Wouters en Tytgat treft.

 In 1962 maakte Oscar Jespers een dubbelbeeld waar ik in Hilversum dagelijks voorbij kwam. Peter Flik fotografeerde me tussen het tweetal omstreeks 1969. Het stond aan de Heuvellaan, voor de oude VARA-studio. Dat het van Jespers was stond er niet bij. Nu leer ik dat het 'Kijken en luisteren' heette. Het is verdwenen. Verblijfplaats onbekend.

 

Paul van Ostaijen  (1896-1928)

Centra Pats Boem (2)

 'Centra Pats Boem zichtbare knal (...)kijk daar 'n man met een sigaar'. De tekst van Johnny van Doorn doet ook denken aan gedichten van Paul van Ostayen, uit diens bundel Music-Hall. Een gedicht als 'Nachtelijke optocht', dat begint:

 Taptoe oe oe taptoe
stapt al maar toe
zwart van de nacht dat dik drukt de stijve straat
breekt licht logge lucht
en muziekgeschetter

Licht van de laaiende lansen
laaiende stap van de lichtende lansen
lansen van laaiende licht

dansende licht van de laaiende lansen
dansend laaien van de lichtende lansen
laaiende lansendans

 'De onderbewust geïnspireerde poëzie resulteert uit de extase,' schrijft Van Ostayen in 'Gebruiksaanwijzing der lyriek', de tekst die hij in 1925-1926 voorlas in Brussel en Antwerpen.
Je vindt wel Pats en Boem bij Van Ostaijen, maar niet het woordje CENTRA. Daarom terug naar Jacob Groot, die schrijft:
'Ja, hoe stroomt een bron? Die bloemlezing van Rodenko was toen uitermate groovy. Dat kreeg je niet op school te lezen.
Ook zijn Gedoemde Dichters, een bloemlezing uit de POÊTES MAUDITS, vormde zo'n exclusieve vraagbaak. Literaire subcultuur, we hebben het over het Aurora van de jaren zestig.
De reputatie van beide pockets stond ijzersterk bij de lezende voorhoedejeugd in de stadjes en steden van Holland.
En Johnny wilde dichter worden.
Het is bijna ondenkbaar dat hij niet van beide bronnen gedronken heeft.
In Arnhem aan de Rijn.

 En die plastische klankpoëzie van met name Bonset oogde wild and exciting. Stond helemaal voorin het boekje, en daarna kwam Antony Kok.
doemenoemenoemenoem zoemhoen etc. (zeer snel)
Ik hoor hem oefenen.'

 ps. De man met de sigaar in de laatste regel is inmiddels bekend. Dat was de legendarische quizmaster Theo Eerdmans. Met met Oudjaar stond hij op straat rotjes af te steken met een stompje sigaar - zo deden vaders dat in de dagen. In een onbewaakt moment gooide hij niet het aangestoken rotje weg maar dat stompje sigaar. Het aangestoken rotje stak hij abusievelijk in zijn mond. En ach...
Zie 'Oorlog en pap' de biografie van Nico Keuning (foto Rene Alphenaar).

 

Paul van Ostaijen (ook een heel vroege Kafka-vertaler)
Jozef Deleu

Konijn

Jozef Deleu, dichter en taaldiplomaat stelt twee keer per jaar in z'n eentje een poëzietijdschrift in boekvorm samen dat 'Het liegend konijn heet', naar het mooiste prozastuk van Paul van Ostaijen.Dat stukje van Van Ostaijen staat altijd op het achteromslag afgedrukt. En het is zo goed dat je onwillekeurig alle afgedrukte gedichten eraan gaat afmeten. Wie heeft ditmaal het konijn benaderd? Barnas? Koenegracht? Moeyaert?H.C. ten Berge wint, met de eerste van 'Vier observaties' (voor Frans Budé)Een fluitende pad in een wielspoor vol waterEen hele klimmaar dan is hij monter op wegnaar een volgend gevaar

Na lezing van het aprilnummer 2006, een memo aan Jozef Deleu, enig redacteur van 'Het liegend konijn'.Wat gaat mis in gedichten? Eerst denkbeelden,voor de hand liggend, en omhelsd als vondst. Dan het teveel, veel kan weg.En averechtse woorden. De lezer passeert, het gedicht raakt uit zicht. Tot slot wat ontbreekt.Leegte strekt zich uit. Hier had uw gedicht kunnen staan!Het konijn.Lang heeft het konijn de lach gezocht. Zo zielsgraag had het konijn gekend de luide lach. Waarom het de lach zo graag had gekend, weet ik niet. Zo iets kan men niet weten. Het konijn heeft de lach niet gevonden. Maar het was de lach zeer nabij. Dat het het geheim van de lach zo nabij was, weet het konijn niet. Vlak vóór de lach hield de kennis van het konijn halt. Daar vond het in plaats van de lach die het zocht, de verwondering die het niet zocht. Dit nu is iets wat buiten het begrijpen van het konijn valt: hoe je in plaats van het gezochte iets anders vindt. Daarom verwondert het konijn zich zeer om de verwondering. En daar het met deze verwondering geen blijf weet, toont het konijn zich voortdurend verwonderd, gans onbeholpen. Het weet zelf niet hoe verwonderd het is. Uit zijn verwondering groeide zijn nieuwsgierigheid. Doch van huize uit droeg het de vrees mee. Nu weet het konijn niet goed welke zelf-raad te volgen: óf de ras-vrees óf de nieuwsgierigheid die, in de wereld van het konijn, alreeds een beschavingsverschijnsel is. Alleen waar licht gloeit in de nacht wordt de beschaving te sterk en werpt het konijn zich roekeloos in zijn ondergang. Het duurt nog wel een tijd alvoor het konijn zal geleerd hebben in dit geval te luisteren naar de stem van het ras, van de vrees. Dan komt het konijn tot het nuanceren zijner nieuwsgierigheid.Dit echter geschiedt nog zo spoedig niet. De stropers met de lichtbak mogen gerust zijn. Het konijn leert slecht.uit: Paul van Ostaijen: "Diergaarde voor kinderen van nu." (1926)