Behang

 'Bij ons staat op de keukendeur, het is niet al tijd rozegeur. En mijn vader schreef op het behang, lekker is maar ene vinger lang.'

 Het lied van de Twee Pinten, onverslaanbaar. Ik paste op het Bredase huis van mijn ouders die het carnaval waren ontvlucht. De melkboer kwam 's ochtends in een boerenkiel met een roodwitte halsdoek, maar wel stipt met de bestellingen en zei vermoeid 'adde maar leut het'.

 Ik las het Carnaval der burgers (1930) van Menno ter Braak. Zou deze oosterling ooit het Carnaval hebben meegemaakt? Hij gunde de burger zijn jaarlijkse ontsnapping.

 De stem van Ter Braak was lang onbekend maar werd teruggevonden op een ansichtkaart met geluidsgroeven. Een wat boers, oosters accent. Weinig leut. Ik las over de burger, de dichter en hun verzoening bij het ca­rnaval, het individu en de feestende menigte. Buiten klonk muziek, ik ging weer in bed liggen. En dacht aan wat de vader op het behang schreef. Behang stond niet in aanzien. 'Lul de behanger' was een gangbare verwensing.

 En toen aan Vincent van Gogh. Altijd een roze en blauw krijtje in de zak van zijn jasje. Als ie in Parijs bij mensen langs ging tekende hij soms schetsen van waar ie mee bezig was op het behang. Nette mensen, met duur behang op tengel. Op den duur prikten ze er vellen papier op als ze wisten dat ie kwam. Maar waar heb ik dit vandaan? Onvindbaar.

Tags: