Zielsverwantschap

  Bij mij landde aan het boekje 'Matthijs Maris, tragiek van den droom' (herdruk van 1945, geschreven in 1939). De schrijver, beeldend kunstenaar Willem Arondéus, was medeorganisator van het opblazen van het Amsterdams bevolkingsregister en werd in 1943 gefusilleerd.

 Al lang daar voor voelde hij zich 'zielsverwant' met Matthijs Maris. Zodat je het boek leest met de gedachte wat kunst met heldendom te maken heeft of kan hebben. Een opwelling was het niet, integendeel, een tot in details - inclusief verkleedpar­tij als agenten - uitgedacht plan met vele deelnemers.

 Arondéus zegt het in de inleiding bij zijn verhaal over zijn Matthijs Maris zo: 'Het zijn steeds de droomers, in wie onver­wacht en onweerhoudbaar, de geestdrift voor een grootsche werkelijkheid, voor de hevige werkelijkheid van het heroïsme, het hevigst doorbreekt. Het lijkt maar zoo, in het kleine alledag, of de droomers voor het leven vluchten, geen moed tot daden, geen wil tot overwinning hebben, het lijkt maar zoo - in waarheid zijn droom en heroïek van een bloed, beide kennen zij de diepe vervoering, de wilde romantiek, de dronken overgave aan de Idee'.

 Aldus instemmend aangehaald door inleider Martinus Nijhoff.

 Het zwerfboek kwam uit de nalatenschap van de erudiete mev­rouw Van Solkema, die het aan mijn zwager gaf, die bij haar de thuiszorg deed.

Tags: 

Matthijs Maris

 Op de grens van zien en niet zien, daar vind je Matthijs Maris (1839-1917). Hij kwam daar pas aan op het laatst van zijn leven, maar de aanloopjes zijn talrijk. Nu te zien in het Rijksmus­eum.

 Er niet zijn zonder werkelijk te verdwijnen. Het is de wens van menigeen die de wereld slecht verdraagt. Matthijs bereikt het toenemend in verf. De streek van de kwast is hem al te uitgesproken. Uit ooghoeken zien, door oogharen, dat is net te verdragen.

 Dan opent zich een andere wereld, die van de dromerij.

 Een ternauwernood zichtbaar meisje dat hij schildert heet 'De droomster'. Ze is er, maar ook niet. Je moet lang kijken voor ze uit de nevel opdoemt.

 Liefst wilde hij alle sporen van het maakproces uitwissen. Zijn technieken om het grensgebied van de zichtbaarheid te bereiken zijn onderzocht en worden in het Rijks uitgelegd: hij bracht verflagen aan, poetste die deels weer weg, begon met donkere­ tinten, de lichtere kwamen bovenop, waardoor een goudgeel zweem ontstond dat het dromerige karak­ter versterk­te. Jongeren als Toorop en Jan Veth bezochten hem in zijn Londense atelier. Ook Van Gogh was een bewonderaar.

 Hoewel hij uit een Haagse school-familie kwam heeft hij nooit een koe ges­childerd.

Tags: