Robert Walser en de knopen

 Duits lezen. In Robert Walsers (1878-1956) verhalenbundel Der Spaziergang (1917) - waaruit Marcel van Eeden in z'n werk citeerde - staat de wonderlijke erotische ges­chiedenis van de optimist Fritz. Waarvan hoofdstukjes zomaar midden in de tekst beginnen met tussenkopjes in kapitaal. Frits belandt in Berlijn en daar:

 'kwam me op zekere dag op de straat waar ik warrig ronddwaalde en -zwierf een mooie, voorname

               DAME

 tegemoet, die me onvermoed vroeg, of ik de flinke lastdrager was die al een hele tijd vergeefs zocht.'

Fritz prijst zijn eigen lichaamskracht aan. In vastpakken en binden is hij bijzonder goed, in aansnoeren en toeknopen ook.

 'Uitlatingen die ze met een uiterst tevreden lach leek aan te horen.' Hij wordt aangenomen in een 'in alle opzichten zeer aangename v­ertrouwenspositie'.

 Ze zegt nog dat alleen een 'gloeiende optimist, die zin heeft het heel bont te maken' in aanmerking komt.

 Waarna hij met haar naar huis gaat, waar ze hem allereerst aan haar weelderige

                BOEZEM

 drukt, wat hem de adem bijna beneemt en zijn neus platdrukt.

 Het verhaal eindigt ermee dat hij voor haar grote gestalte neerknielt en uitziet op de naad van haar jurk, die hij met knopen om open- en dicht te knopen over haar lichaam tot de voeten omlaag ziet vallen.'

 Aan die naad en die knopen blijft zijn blik kleven. Hij zal van dan af aan de jurk steeds weer open- en dicht moeten knopen.    

 Een bezigheid waarover hij eens en dik boek zal schrijven, zegt Walser. 'Hoewel hij er beter niet aan kan beginnen.'

 

 De Zwitser Walser werd een gevierd Berlijns schrijver, maar keerde naar Zwitserland terug en stierf jaren later als patiënt in een inrich­ting.

Tramgezicht

 Vanavond 19.30 in de Amsterdamse boekhandel Martyrium ondervraagt Jeroen van Kan Marcel van Eeden en mij over ons boek M­uzenstraat en andere Haagse verhalen. Over Den Haag en onze Haagsheid.

 Ik zal Marcel na zijn wereldreizen terug­zien op het Roelof Hartplein. In Amsterrdam!

 Het is Hagenaar Philip Akkerman die stijf en strak volhoudt dat ie nooit in Amsterdam komt. Ik woon al heel lang in Amsterdam, maar ik kom er nooit.

 Dit is het gezicht van de laatste 'ombouwer' van de HTM - lijn 2 - die staat in het Haagse trammuseum. Voor altijd op weg naar eindpunt Meer en Bosch, waar ik woonde.

 Het Haagse zit hem in de blik waarmee trams je aankijken. Ik vraag het vanavond tramtekenaar bij uitstek Marcel.

Nog even dit:

 DEN HAAG KOMT VRIJDAG AS. NAAR AMSTERDAM.. GEEF JE OP voor de AVOND VOOR HAAGSE EXPATS.. en andere Amsterdammers.

Want: Hagena­ar ben je en blijf je. Jeroen van Kan praat er over met Marcel van Eeden en mij. In BOEKHANDEL MARTYRIUM, op vrijdagavond 25 maart as. vanaf 20.00.

 Tekenaar Marcel van Eeden is na Californie, Berlijn en Parijs in Nederland voor de Amsterdamse presentatie van 'Muzenstraat, en andere Haagse verhalen' van mij met Haagse tekeningen van hemzelf. Met een korte film van Els Kort over boek en tekeningen.

 't Begint om 20.00 uur. De winkel is open om 19.30 uur.

 Er zijn niet veel plaatsen, dus reserveer. Bij: con­tact@hetmartyrium.nl of tel.: 0206732092

De trek naar zee

 Wie van Den Haag weet kent de trek naar zee. Naar de oneindigheid. Pas nog vond ik het bij W.G. Sebald die de onvoorzien lange wandeling van Hollands Spoor naar het Kurhaus maakt in De ringen van Saturnus, en daar op het strand in slaap valt. 

 Voor altijd staat het beschreven in Willem Mertens' Levensspiegel van J. van Oudshoorn (1914), lievelingsboek van Marcel van Eeden en mij. De verliefde, beschonken, verdwaasde Willem ploegt vanuit de stad door het mulle zand. Totdat:

 'Thans kon hij niet meer en zat blootshoofds in de zacht wuive­nde helm half verscholen op een der hoogste duinen. Voor hem was van de zee, hier en daar nog onderbroken door een duinkuif, het grauw blauw aan de horizon met de verschietende zonnesprenkels zichtbaar. Het licht verschraalde al en met een blik op zijn horloge bemerkte hij reeds meer dan drie uur onderweg te zijn. Hij voelde zich plotseling onbehagelijk  de geluidloze verlatenheid van het alom wijde landschap. Zelfs geen vogel ontplooide de gestrenge stilte en als enig gebeuren dreef een ontzaglijke wolk als een statig zeilschip langzaam door de leegte. Hij bevond zich als laatste der mensen op de scheiding der beide Rijken. De wereld der stervelingen was verdoemd, ten onder gegaan, de aarde zwart afgebrand. Maar aan zijn gelaat voltrok zich het eeuwige leven. (...)

 En dan:

 'Toen wist hij plotseling, dat niets ter wereld hem kon redden van de waanzin, dat hij reeds gek was en holde luid om hulp gillend, duin op duin af, tot de aanblik van het vrije strand met de eenzame figuur van een schelpenvisser hem uit zijn ban bevrijdde. Hij kwam langzaam tot zichzelf en wist nu zelf niet meer wat hij ervan denken moest.' 

 Zondag rijdt er een tram naar zee, met een boek. 

De ingrepen van Frank Halmans

 Frank Halmans zette op Facebook drie foto's van nieuw werk, met als enig bijschrift: 'Nieuw boekwerk, een vervallen huis.' Eerder was er al een verkoold huis en maakte hij stapeltjes boeken bewoonbaar.

 Van mijn slogan 'Een huis is een mens is een huis' - of omgekeerd - is het maar een stap naar 'Een boek is een mens is een boek'.

 De lichamelijkheid van huizen en boeken. Hun verval.

 Het verval van mensen zie ik alle dagen.

 Boeken worden door Frank chirurgisch behandeld. Hij grijpt in - dat is onvermijdelijk - niet alleen in het voorwerp boek, ook in de tekst. Onvermijdelijk steekt hier of daar een woord, een regel de kop op, op een heel andere manier dan de schrijver ooit bedoelde.

 Frank Halmans is een lezend kunstenaar - we delen Willem Brakman - zoals ook Marcel van Eeden. En dan wordt een boek, dan wordt lezen onder lamplicht een ingrijpende bezigheid. Met gevolgen.

 Boeken overleven mensen. Op het Waterlooplein tref ik soms een stapel drukwerk die de stoffelijke rest moet zijn van een mensenleven. Wie dit las is dood. En dan sta ik te reconstrueren. Wie las eens Anja Meulenbelt, de Naked Ape, Ton Regtien, het Kinsey Report, McLuhan, Jung, Laing, Foudraine?

 Lawaai. Achter mij is de hele benedenverdieping van een vervallen huis in behan­deling. Kaalgestript tot op de muren. Geen restje behang. Vloeren eruit, er is een diep gat gegraven. De kelder van een nu nog onleesbaar interieur. 

Muzenstraat komt

 'Stille straten daar bij de zee.'

 Ging het springtouwversje dat ik hoorde op een warme zondagmiddag. Op Scheveningen, niet ver van de vuurtoren. Het wijsje bleef me altijd bij, meer tekst weet ik niet.

 Nu eind volgende maand toch werkelijk het boek getiteld Muzenstraat, Haagse verhalen - met Haagse tekeningen van Marcel van Eeden - verschijnt komt de vraag. Wat is er toch met Den Haag?

 En aandringend: waar gaat het over?

 Stuifzand, zal ik zeggen. Er zal een tram rijden naar zee. Dat moet genoeg zijn.

 Nog ben ik opgelucht. Ik heb Den Haag overleefd.

 Maar wat ik nou overleefd heb? Was het fietsen zonder licht, langs achterstraten? Het moet in het boek te vinden zijn. Bekijk de tekeningen van Marcel.

 Ik ontkwam. Het is goed afgelopen, ik durf er zelfs weer te komen. Na vijfentwintig jaar zette ik mijn eerste schreden terug, naar Duindorp, dat Willem Brakman me had aangewezen. Hij bewaarde Den Haag voor me. Tot de laatste stoeptegel.

 Wie ik ben, waar ik vandaan kom. Lees het boek en je weet het beter dan ik.

 Wat je zegt dat ben je zelf.

Met je kop onder lijn elf.

Met je kop onder lijn tien.

Wie niet weg is, is gezien.

Haags

 In februari verschijnt 'Muzenstraat'. Met Haagse verhalen van mij en Haagse tekeningen van Marcel van Eeden. We leggen er nu de laatste hand aan. Hier het omslag, ontworpen door Els Kort.

 Hagenaar blijf je. Ook al verlaat je de stad, hij laat je niet los. Zoals Kafka over Praag zei: 'Dieses Mutter­chen hat Krallen'. Ook Den Haag is een moedertje met klauwen.

 Marcel van Eeden en ik groei­den er op. Ik woon nu in Amsterdam en hij in Zurich, maar in de stad achter de duinen weten we blind de weg. Zo'n stad trekt in je.

 Muzenstraat vertelt van onze band met de stad. Marcel met zijn levenslange project waarin hij de wereld van voor zijn geboorte tekent, met een nadruk op trams, por­tiek­woningen, beton en wederopbouw. En ik met ver­halen over mijzelf en mijn familie, van voor en na de oorlog. Van het zonnige vooroorlogse Kijkduin tot het naoorlogse Statenkwartier, de resten van de Atlantikwall en de wijk rond Meer en Bos.

 De dreiging is nooit ver. Allebei weten ze wat het is om op een grijze dag met je rug naar de wereld te staan en uit te kijken over zee.

 'Den Haag raakt aan de eeuwigheid, die blijft trekken. Geen stad die dat heeft. Een rechte lijn op de landkaart, van boven grenzend aan het blauw.'

Extaze, Van Eeden en Van Oudshoorn

 Het zwarte licht van dit seizoen. Het duistere groen. Als de bladeren nog aan de bomen hangen, de zon laag staat en de eerste stormen nog niet geweest zijn. Dat is het licht, de duisternis van Marcel van Eeden. Als hij met kleur werkt, zoals de laatste tijd vaker, maakt dat zijn zwart alleen maar intenser.

 Het nieuwe nummer van Extaze werd gisteren in Den Haag gedoopt met onder meer een animatie door Els Kort van zijn tekeningen. Eens was Van Eeden bibliothecaris aan de Haagse Vondelstraat. Hij leest. Sinds jaar en dag is Van Oudshoorn (1876-1951) een voorkeur. Door hem ging ik het teruglezen. De onvergetelijke dronken struikeltocht door stad en duinen naar zee. Van Oudshoorn, de diplomaat die jaren in Berlijn zat, een Duitse mannequin trouwde en terugkeerde naar een heel Haagse portiekwoning. Waar zijn vrouw hem overleefde. En nu schrijft Marcel van Eeden een stukje waarin van Oudshoorn opduikt, die het eens probeerde aan de Haagse Academie. Wat niet lukte.

 'Nee,' schrijft Marcel, 'veel beter beschrééf Van Oudshoorn wat hij zag. Soms duiken er fictieve tekeningen op in zijn verhalen. Beelden, door niemand gezien, die alleen kunnen ontstaan in het hoofd van een lezer (..) '.

 En dan citeert hij Laatste dagen (1927), waarin ongeziene etsen voorkomen:

 'Half werktuigelijk op zijn schreden terugkerend, bevond hij zich even later alleen tegenover twee grote gekleurde etsen. Zij stelden beiden phantastische gebouwen voor, waarvan het doel niet te doorgronden leek. Het eene was een grillige, roode, compacte steenmassa, zonder deuren of vensters, te midden van een woest zomerlandschap; het andere daarentegen was uit enkel dunne ijzerstangen opgetrokken, ontelbaar vele en die, omgeven door een grauwe, grauwe regenhemel, aan het geheel iets onuitsprekelijks van troosteloosheid verleenden.'

 En Marcel besluit: 'Zulke beelden bestaan alleen in de literatuur. Ze worden nooit concreet. Toch blijf ik het proberen.' 

Lorentzplein

 '...een knop, ruis, gekraak, stemmen, weer ruis. Ver boven de huizen die eruit ­zagen als radio's.' Uit 'Lorentz' een nieuw getekend en geschreven verhaal van Marcel van Eeden, met zinnen als 'Hoog op de daken zaten de doden.'

 Marcel maakte een Haags verhaal dat zich geheel afspeelt rond het Lorentz­plein.

 In sommige landen wordt een geografisch middelpunt berekend, in Italië vond ik een zuiltje waar dat op stond in Rieti. Zou je het psychisch middelpunt van Den Haag kunnen berekenen dan zou het Lorentzplein daar uit komen.

De bloemenstal van de vader van Wim Schoor om precies te zijn. Al wat Den Haag maakt tot stenen dreiging is daar, de trams, hun in de verte langs de Gouverneurlaan verglij­dende bovenleidingen met gewich­ten, de portiekwoningen. Heel het Laakkwartier, waar eens de Hofstadgroep door een pol­itiemacht werd belegerd.

 Ik fietste er langs op weg naar verre uitwedstrijden aan de Brasserskade in Delft, heel de Veenendaalkade langs, zonder het te weten langs de huizen van Willem van Genk en Kees van Kooten en het ADO-stadi­on.

 De Erres radiofabriek bij Hollands Spoor wenkt. Om de hoek hadden de ouders van Ineke van den Bergen hun snackbar, waar ze in de soep spuugden van gehate klanten. En de doden zitten op de daken. 

 Volgt de fatale zin: 'En belde aan.'

Ooms

 In mijn aanstaande bundel Haagse verhalen - met Haagse tekeningen van Marcel van Eeden ‑ komen oom Jan en oom Henk niet voor. Zij waren van oudsher de twee vrienden van mijn vader, van school en uit de militaire dienst. Bij oom Jan en zijn gezin moest gegeten worden, op de Prins Mauritsla­an. Zes kinderen en vier volwassenen. Met als toetje Haagse bluf, want dat kon tante Hélène, een erg Haagse mevrouw, zo goed.

 Haar oudste dochter was dan mijn 'tafeldame'. Tante leerde me hoe ik haar tafelheer moest zijn.

 Later had oom Jan haar verlaten, hoorde ik, woonde alleen op een kamer in de binnenstad en dronk. Mijn vader was nog een keer langs geweest daar. Oom Jan was toen geen jurist meer op Algemene Zaken. 'De fles jenever stond onder z'n stoel, of hij hem wilde verbergen.'

 Oom Henk was kandidaat notaris, ongetrouwd en altijd opgewekt. Tot hij mijn moeder opbiechtte dat hij homoseksueel was en werd afgeperst door 'een jongetje'. Dat kon niet voor een kandidaat-notaris. Hij had het mijn vader nooit durven vertellen, want die had een hekel aan homoseksuelen en deed ze kwasi‑komisch na. Niet lang daarna zijn beide ooms gestorven.

 Ze staan op de huwelijksfoto's van mijn ouders. 

 De ooms blijven verder ongeschreven. Ik weet te weinig. 

Pagina's