In memoriam Eva Biesheuvel

 Eva is gestorven. Vele jaren maakte ik haar mee als ze Maarten vergezelde bij zijn radio-optredens in Amsterdam. Eva waakte over hem, overal en altijd, ook toen ze ziek werd en krom groeide.

 Ze zat in Eik en Linde altijd op de eerste rij en volgde zijn optreden op de voet, waardoor Freek de Jonge eens zei ‘Ze bestuurt hem op afstand.‘

 Hoogtepunt van zo’n optreden was achteraf de tocht naar de snackbar om de hoek in de Plantage Kerklaan. Waar ze volgens beiden ‘de lekkerste gehakballen van de wereld’ verkochten. Die gingen ongebakken in een papieren zak mee. Eva frituurde ze thuis.

 Toen het radiowerk door zijn zíekte niet meer ging zei Maarten ‘Maar ik schrijf wel, ik schrijf ze in m’n hoofd.’ Ik ben een paar keer naar hun Leidse Sunny Home geweest om zo’n verhaal op te nemen. Maarten zat op de bank met z’n gezicht ín z’n handen en dan kwam er een verhaal. Daarna tikte ik het met interlinie thuis uit en bracht dat terug naar Leiden. Dan ging Maarten er met hulp van Eva weer met de pen in verbeteren. 

 En een dinsdag later las hij het op de radio voor. Dan moest je er veel tijd voor uitrekken, want al voorlezend veranderde hij het weer. Tot hilariteit van het publiek als hij na een hapering zei ‘Maar het is nog niet af!’

 Eva hield van dieren. Eens was ik in het huisje, waar behalve de poezen en de hond Mikkie ook een geit woonde, die Geitie heette en liefst bankbiljetten at. Op een winteravond kwam Evan in paniek thuis, er was een zwaan vastgevroren in de nabije vijver. Eva en ik erheen, met mijn auto en een keukentrapje. Het was al donker.

 Zij, languit liggend op het ijs, terwijl ik haar bij haar de benen vasthield, probeerde de zwaan het trapje toe te steken en hem los te krijgen. Wat niet lukte. De dierenambulance moest er aan te pas komen.

Koninklijk

 Het paleis. Ik was er nooit in, fietste er honderden keren langs. En nu? Het voormalig stadhuis heeft een enkele aardigheid, een ernstig engeltje, de gestrafte vrouwen in de hal voor, maar verder louter v­ormelijkheid.

 Het stadhuis is van buiten vooral nietszeggend. De benede­nverdieping blijft te laag waardoor het hele gebouw in de grond lijkt te zakken.

 Goed passend bij de nietszeggende Oranjes. Of je de volmaakt invulbare Willem Alexander nu tussen kunst zet, in de Ridderzaal of bij volleybal, zijn lach blijft dezelfde.

 De winnaars mochten hun werk aan zijne majesteit uitleggen. Die gesprekjes had ik wel willen horen.

 Weinig kans dat er iets zou ontsporen. Zoals toen Maarten Biesheuvel eens bij een kunstenaarsontvangst met Claus von Amsberg in gesprek raakte. Dat duurde nogal, zodat zich een lange rij vormde van mensen die ook nog een handje wilden schudden­. Het was Jan Meng die Maarten achteraf vroeg waar ze het al die tijd over hadden gehad.

 Zei Maarten: 'O, die man slikt de zelfde pillen als ik.'

 Maar wat verlang je van een Koninklijke prijs voor Schilderkunst, in 1871 ingesteld door de liederlijke maniak - 'koning gorilla' - Willem III. Waarom? De Oranjes hadden nooit veel met kunst. Amalia en Consta­ntijn Huyg­ens regelden het Huis ten Bosch voor Frederik Hend­rik en stad­houder Willem V had zijn galerij, nu te zien naast de Gevangenpoort. En dan dit nog.

 Vorsten staken elkaar de ogen uit met kunst, door dure adviseu­rs uitgezocht. Wat hadden ze zelf te bieden?

 Prijzengeld? Deze prijs is dunnetjes, vier keer 6500 euro. Ik betwijfel of Willem Alexander dat uit eigen zak betaalt. 

Keisnijden

 Altijd overheen gekeken. de keisnijdingen. Eerst bij Jeroen Bosch. Schedelboringen op de markt. Een chirurgijn temidden van publiek. Maar waarom? Nu ‘De ontdekking van het dagelijks leven, van Bosch tot Bruegel’ draait in Boijmans moest ik wel.

 Het begon met de gedachte dat krankzinnigheid werd veroorzaakt doordat een insect tijdens de slaap door de neus in de hersenen kwam en daar veranderde in een kei. Zoals paarden dol werden als een horzel in hun oor kroop.

 De kei moest eruit. Op het schilderij van Jan Sanders van Hemessen (ca. 1540) zie je de uitgeboorde keien links boven op een rij hangen.

 Schedeltrepanatie blijkt van vele tijden. Bart Huges dacht in 1965 zo een 'derde oog' te verwerven - oa. op aanmoediging van Simon Vinkenoog - geïnspireerd door verhalen over Afrikaanse stammen.

 Het mooist is het verhaal Scarabaeus cogitans dat Maarten Biesheuvel in 1986 op de radio voorlas, over de broer van hersenchirurg Guido Bostoen, die krankzinnig was geworden.

 "Hij kon soms in de wachtkamer, waar ook andere gekken zaten, minuten achter elkaar spreken, maar wat hij precies bedoelde wist je nooit: 'Grijp de rechterhand van de Christus Jezus! een nul! De ijskappen smelten, stop de zeehond! Waarom hebben kippen geen gebitje?'

 En verderop: 'Zijn moeder kwam op een keer binnenstappen en hij sprak: 'U bent mijn moeder niet meer, dag mevrouw.' Nooit heeft hij meer een woord tegen haar gezegd. Dat kwam allemaal door de  Scarabaeus cogitans, een beestje dat zich nestelt tussen de hersenpan en het hersenvlies. De enige remedie tegen deze gevaarlijke parasiet is een welgemikte klap met een speciale scarabaeus‑cogitans‑hamer."

 In de ijzertijd werd vermoedelijk al gedacht dat krankzinnigheid werd veroorzaakt door een kwade geest. En dat die door het boren van een gat het hoofd weer kon verlaten.

Waanzin?

 Vanavond bij de Vorlesebühne in de Utrechtse Houtzaagmolen gaat het over 'Vloeibaar in het vierkant'. Vloeiend? Vierkant? Zolang er maar geen filosofen aan te pas komen vind ik alles best. Het begon te dagen.

 Vierkant en toch vloeibaar. Zoals een aquarium. Of een boek. Of een radiotoestel, het vierkante kastje waarin ik veertig jaar gewoond heb. Daarbinnen in dat kastje is het heel huiselijk: een schemerlamp, een koptelefoon en een microfoon is al wat je nodig hebt. En een technicus achter het glas die vriendelijk knikt als je even opkijkt. Ik vertel vanavond over radio en het verkeerd begrepen boekenweekthema waanzin. Geen amusant onderwerp.

 Maarten Biesheuvel verzette zich tegen dat woord, net als tegen het populaire 'gekte'. Hij spreekt van krankzinnigheid: 'Krankzinnigheid is iets om ernstig te nemen. Daar kan je niet een beetje om zitten lachen. (..) Op krankzinnigheid is de wereldliteratuur gebouwd,' zei hij tegen Onno Blom.

 Een voorbeeld. Met z'n biograaf sprak ik langdurig over de dichter Cornelis Bastiaan Vaandrager. Cor stond bekend als 'gek' omdat hij - net als Kurt Schwitters - op den duur alles mee naar huis sleepte wat hij mooi vond. Niet alleen meer gevonden taal, voor zijn gedichten, maar ook stukken schroot. Tot zijn vriendin zei: 'Die troep eruit of ik eruit.' Het liep niet goed af.

 Hij trad vaak op in onze radioprogramma's. Zo stonden we na afloop eens bij de Stopera in aanbouw. Een betonskelet, waar veel over was geschreven. Henk Hofland sprak van 'het goederenstation van Woerden'. Cor keek er een tijd aandachtig naar. En zei: 'Dit gebouw trek veel wind an',

 'Gek', vanouds de verzamelnoemer waaronder alle soorten afwijkenden door de normalen worden bijeengeharkt. En ontmenselijkt. Wat wij niet weten is hoe het is om Cor Vaandrager of Jan Arends te zijn, al is het maar een dag, of A.Moonen die af en toe letterlijk buiten zinnen zijn meubilair uit het raam gooide en met gillende sirenes werd afgevoerd naar de Bavo in Krimpen aan de IJssel. Hij schreef er over en las het voor. Het publiek lachte. 'Ja, met mij kun je lachen', zei hij dan.

Angst

 Goddank de Boekenweek is voorbij en daarmee het schaam­teloze thema Waanzin. Ik voorspel voor volgend jaar 'Kanker'. Over de geestesziekten die de afgelopen week onder dat hoofdje werden samenge­veegd is niemand veel wijzer geworden. Gekken blijven op z'n best curiosa, in de literatuur zo goed als daarbuiten. Lees 'Waanzin in de wereldliteratuur' van Pieter Steinz en je weet weer: als het te erg wordt maakt iemand als Jan Arends of Virginia Woolf zich van kant. 

 Maarten Biesheuvel die kon overbrengen wat een angstaanval werkelijk is noemde zich niet voor niets 'de ambassadeur van de angst'.

 Waanzin in al z'n verschijningsvormen is niet te begrijpen voor wie 'nooit nergens last van heeft'. 'Maar waar ben je dan bang voor?' 

 Boekenweek organisator CPNB kan zich met recht de exploitant van de waanzin noemen. Al in de jaren '60 werd daarvoor de gruwelijke modeterm 'prettig gestoord' uitgevonden. 

 De naam van de manisch-depressieve schrijver A.Moonen (1938-2007), die ik goed kende, viel nergens. Hier dan: eens liepen we in een zwoele zomernacht over een brug over de Keizersgracht. Moonen had de geest. Hij wees op de sterrenhemel en zei 'Stel je nou voor, beste Noordhoek, dat daar opeens allemaal kutten uit naar beneden kwamen vallen... Dat zou toch mooi zijn he.' Waarna hij haastig toevoegde 'Ja, zonder wijven eraan natuurlijk.'

 In die ene opmerking zat het, denk ik. Zijn helderheid, zijn intelligentie, zijn zelfspot, maar meteen ook de bron van alle misverstanden rond A.Moonen. Wat hij schreef ging over alles wat hem overkwam, zonder onderscheid. Het voeren van zijn katten of geluidshinder was net zo belangrijk als zijn bezoeken aan de 'publieke hoeren' of zijn zeer lijflijke liefdesges­chiedenis zonder eind met de Koerd Hikmet - tegelijk vader van een gezin.

 Na een voorleessessie vroeg een toehoorder Moonen eens of ie nooit moe van zichzelf werd. 'Nou,' zei Moonen, 'je hebt de dag en je hebt de nacht. Maar als er nou nóg zoiets bestond, dan zou ik wel erg moe worden.' 

 Hij was manisch depressief, niemand die dat beter wist dan hijzelf. Eens had ik per ongeluk Maarten Biesheuvel en A.Moonen voor dezelfde radio-uitzending in Eik & Linde gevraagd, niet wetend dat ze elkaar kenden, omdat ze tezelfdertijd in Endegeest hadden gezeten. Ontzet klampte Maarten me bij binnenkomst aan. 'Die man,' zei hij, geschrokken wijzend op Moonen, 'die man, die is gek.'

 De lach als uitweg uit de angst. Niemand die dat beter weet dan Maarten Biesheuvel. Met zijn - in doodsnood: 'Waarom hebben kippen geen gebitje?'

Been

 Toen ik Joris van Casteren op radio en televisie het verhaal van zijn boek Het been in de IJssel hoorde vertellen dacht ik meteen 'Maarten Biesheuvel'. Maar die naam noemde hij niet. 

 Terwijl de plot van zijn roman toch veel gemeen heeft met het vier pagina’s lange verhaal Eén been in het graf' uit Biesheuvels Goden­cirkel (1986). Ook daar wordt een been separaat in een kinderkistje ter aarde besteld. En dat nog wel door de eigenaar - een zeevisser - zelf, die eerder al op zee een oog verloor, zodat op de zerk komt te staan: 'Hier liggen oog en been van visser Mallevoet/ te wachten op wat nog verder komen moet.'

 Bij van Casteren wordt het been gevonden in de rivier en gaat de schrijver op zoek naar de eigenaar. In de Volkskrant van vandaag krijgt zijn roman een vervolg als hij de eerlijke vinder van het been ontmoet. Die vertelt hem dat wat op pagina 37 van zijn boek staat niet klopt. Daar verhaalt Van Casteren over degeen die in het boek figureert als vinder - hij had zich telefonisch gemeld en wilde ano­niem blij­ven. De eigenaar van het been blijft intussen onbekend.

 Kern van het verhaal is bij Biesheuvel en Van Casteren het kinderkistje. En Biesheuvels oplossing lijkt me niet te overtreffen. Ook daar een gereformeerde gemeenschap. En de eigenaar van het been die zelf een schopje aarde op het kistje gooit.

Maarten vanmiddag achter het Houten Paleis

Maarten Biesheuvel

 Vanmiddag bij Maarten en Eva Biesheuvel in de tuin gezeten met een kopje thee en een saucijzebroodje.

 Maarten las me - half improvis­er­end - uit wat hij de laatste tijd schreef en ook al her en der werd afgedrukt. Eerst uit het hoofd over hoe hij voor 't eerst, zesen­twintig jaar oud, werd opgenomen in de inrichting Endegeest, in zijn ogen 'einde van de geest'. Hij was 'gek, wild, woest en ontstuimig', wilde Eva slach­ten, de poes slach­ten. Daar, op het kasteeltje Endegeest ontdekte hij dat Descar­tes daar had gewoond, en dat hij wan­delend over zijn landgoed van veertig hectare zich afvroeg of hij wel bestond. Hij twijfelde, 'dubito', en toen kwam 'cogito ergo sum'.

 'Grote flauwekul. Je moet durven zeggen 'non sum', ik ben er helemaal niet. Het enige wat ik heb is mijn verbeelding. Dat heb van Schopenhauer, Die Welt als Wille und Vorstellung. Als je om je heenkijkt naar de waanzin, Iran, Irak, Pales­tina, Af­ghanis­tan, Syrië, al die on­geluk­ken, ziek­en­huizen, martelin­gen. Ik zit nu heerlijk in de zon achter mijn huisje. En denk 'non sum, ik ben er niet. Ik doé maar net of ik er ben. Alles is verbeelding.'

 Ik nodigde hem uit voor de 'Boeke­ndag' die de vpro op zaterdag 2 juni in de Amsterdamse Nes gaat houden en waar zijn vriend Arnon Grunberg ook zal zijn.

Gek

 Komende donderdag is er in Perdu, Amsterdam een tweede avond over 'De figuur van de gek in literatuur, filosofie en p­olitiek'. 

 Toeval: vanmiddag sprak ik in Rotterdam, met z'n biograaf Menno Schenke langdurig over de dichter Cor V­aandrager. Bij De Hef (de brug die in z'n werk zo'n grote rol speelt).'Gek' is van oudsher de slordige verzamelnoemer waaronder afwij­kenden door de normalen worden bijeengeharkt. En ontmen­selijkt. Perdu denkt dat zo de aandacht van hun mogeli­jke politieke en maatschap­pelijke betek­enis wordt afgeleid: 'de gek hoef je immers niet te begri­jpen.' Zou het?

 Gisteren had ik Maarten Biesh­euvel aan de telefoon. A.Moo­nen heb ik goed gekend. Wat de burger - juist de cul­tureel geïnte­res­seerde - doet is die mensen aanstaren, ze allerlei moti­even toedich­ten, literaire, p­olitieke, godweet. Maar wat wij niet kunnen is Jan Arends zíjn, al is het maar een dag, of A.Moonen die letterlijk buiten zinnen zijn meubilair uit het raam gooit en met gillende sirenes wordt afgevoerd of Maar­ten Biesheuvel midden in een paniekaan­val. Het publiek is geamuseerd.

 Zo hadden we het vanmiddag over Vaandrager. Er was maar één Cor Vaandrager, wisten we. En hij 'kon er niet uit'. Hoe het was hem te zijn zullen we - ondanks zijn pogingen ons met zijn geschrif­ten te beschreeuwen - nooit weten. Het gesprek is vrijdag in de Avonden te horen. 

..onder kleine witte wolkjes.

Zomerdag

Het beste verhaal over stilte dat ik ken is van Maarten Biesheuvel: 'De zenuwachtige boer'. Het speelt zich af op een dag als vandaag. De boer mag niet werken op zondag. Hij moet zitten. En dat valt hem zwaar:

'Wat ik ook rondspied, wat ik ook mijn oren spits, dit is gewoon mijn boerderij op een rustig moment, onder een rustige warme zon, onder kleine witte wolkjes. De zwaluwen piepen niet tijdens het rondscheren, mijn vrouw is opgehouden met breien.
Dit is mijn rust, dit is mijn verpozing. Ik spied en luister. Ik zweet. Het zweet afvegen en het dan uit durven roepen: 'Voor de donder!, wanneer gebeurt het nu eindelijk?!'
(...)
 

Johnny (+1991)
Maarten

Maarten Biesheuvel (2)

Maarten Biesheuvel leerde Johnny van Doorn kennen bij de radio optredens in oa. Het Pandemonium. In mijn ogen hadden ze nogal wat gemeen. Beiden beschrijven een harmonisch ouderlijk huis, een gelukkige jeugd. Kostbaar voor een angstlijder.

 De dag plukken, de zon in het water zien schijnen. Literaire taboes, maar in hun werk zie je de waarde ervan. Een keer haalde Maarten een prachtige grap uit met Johnny. In Eik & Linde, jaren '80, begon hij een verhaal te vertellen over een mooie zomeravond waarop een vader piano speelde bij opengeslagen balkondeuren. De vader kreeg applaus uit de buurtuintjes voor zijn recital. Hij trad aan de balustrade en nam buigend het applaus in ontvangst.Johnny, die naast me zat, luisterde met open mond. Stootte me aan, piepend: 'Maar dat is mijn verhaal! Die Bies vertelt mijn verhaal!'Zeker, dat verhaal stond in Johnny's bundel 'Mijn kleine hersentjes'. Even later richtte Maarten vanaf het podium rechtstreeks het woord tot hem: 'Ja Johnny, maar het is ook een erg mooi verhaal. Daarom heb ik het nogeens geschreven.' Bij Maarten thuis afgelopen week. Met het Verzameld Werk op tafel. Hij vertelt hoe hij Wouter van Oorschot belde. De oude Geert van Oorschot had 'In de bovenkooi' indertijd niet gewild: 'Een gereformeerd rommeltje'. Maar later zei hij op de tv 'ik heb spijt als haren op mijn hoofd'. Nu bood Maarten zijn Verzameld Werk aan Wouter aan en die nam het met beide handen aan. Niet alles staat erin. Ongeveer 120 verhalen uit de begintijd niet. 'Eva legde ook weleens iets terzijde?

 ''Ja, als het aan Eva had gelegen had ik 6000 bladzijden meer gehad. Dan had ik nou 9000 bladzijden gehad.' Ik heb in die 17 jaar dat ik echt als en gek schreef 9000 bladzijden bij elkaar geschreven. En 3000 is er nou over. Nou ja 2800.'Ik vraag: 'Wat vertelt het me?' 'Het is een banale, vreselijke wereld. En het is een godswonder, een godsgenade, dat ik uit die wereld toch al die verhalen heb weten te trekken.' Zijn manier van werken, beaamt hij, ging 'Aus einem Guss'.'Ik had altijd de eerste en de laatste zin en alles ertussen in mijn hoofd, alleen de grapjes kwamen erbij tijdens het rammelen.''Wat nu,' vraag ik. 'Niks doen. Mezelf lezen en Heine, Tsjechov, Nabokov, Tolstoj, Toergenjew. Josef Conrad.' 'Lezen gaat je goed af?' 'Behalve als ik droevig bent, en ik ben vaak droevig, dan lees ik echt niet. Dan lig ik in bed, dan ga ik pas om vier uur naar bed. Ik word om vier uur 's middags wakker, en laat ik het hondje uit. Dan zit ik alleen maar Eva aan te kijken en zeggen we haast niks tegen mekaar. Af en toe doet muziek wel goed.' Hij concludeert: 'Het is Gods genade. Als je zo 17 jaar hebt kunnen werken. Er is gerechtigheid.maandagavond 2 juni, van 20.00-22.00, Maarten Biesheuvel in De Avonden.

Maarten Biesheuvel, deel 2
Beluister fragment
Maarten Biesheuvel
Beluister fragment

Pagina's