W.G.Sebald (1944-2001) na een lezing
Stig Dagerman (1923-1954)

How German is it?

 Zo heet een boekje dat ik bezit. Alleen de titel ervan is goed, dat is genoeg. Duitsland blijft me een raadsel. Deze zomer was een jong en energiek nationaal voetbalelftal dat derde werd onder leiding van de halve Engelsman Klinsmann aanleiding tot een onbegrijpelijke euforie. Hervonden zelfrespect, je niet meer schamen voor je land, juichte men. Een tribune vol Duitse vlaggen.

 Intussen ontmoette ik gisteren weer een jonge Duitse kunstenaar die naar Amsterdam was gekomen en weigerde zijn moedertaal te spreken. Nee, alleen Engels. Het zit diep.Duitsland heeft sinds de Tweede wereldoorlog geleefd in cultuur van zelfhaat. Daarin verschilt het grondig van Italië en Japan, waar geen mens zich meer bewust is van een verloren oorlog. Een andere halve Engelsman, W.G.Sebald breekt zich in zijn 'Luftkrieg und Literatur' het hoofd over de collectieve verdringing van de gebeurtenissen in het Duitsland van 1942-1947. Toen de Luftwaffe eenmaal was uitgeschakeld bombardeerde de Engelse luchtmacht, tot het eind van de oorlog drie jaar lang systematisch. In 400.000 vluchten werden 131 Duitse steden verwoest ten koste van 600.000 burgerslachtoffers. Zonder noemenswaard militair doel. Het ging er louter om de tegenstand van de bevolking te breken.

 Het fenomeen vuurstorm is uit die tijd. Lees Kurt Vonneguts 'Slaughterhouse Five' (1969) over het bombardement op Dresden. De massala verminkingen zijn maar spaarzaam geregistreerd. Na de overgave waren 3,5 miljoen huizen kapot. Men leefde in kelders en gammele noodwoningen, tussen ruines en enorme hopen puin. Ik heb ze nog gezien, in Koblenz en Keulen. Slatuintjes midden in het stadscentrum, tussen de puinbergen. En trams. Sebald (geboren 1944, geëmigreerd naar Norwich) kan niet begrijpen dat er in de Duitse literatuur zo weinig is geschreven over het leven in die jaren. Het was te erg, moet hij concluderen. Zo erg dat ontkenning het enige antwoord kon zijn op wat door velen werd ervaren als een straf van God. Over wat te erg was praat je niet. Anders roep je het weer op.En zo weten we nu bijzonder weinig over wat er in die jaren is gebeurd, en hoe men leefde tussen het puin. De schrijvers, hoeders van het collectief geheugen, schoten jammerlijk tekort. Aldus Sebald. Het beste verslag (1946) van de Trümmerzeit dat ik ken is van een buitenlander, de Zweed Stig Dagerman, door Karst Woudstra vertaald als 'Duitse herfst'.