Boekhandelszegel

AVONDLOG - Ik vond ze meestal op het binnenomslag van oude boeken uit de kast van mijn grootvader. Etiketjes. Lezen kon ik nog niet dus keek ik mijn ogen uit op hoe boeken eruit zagen. Er viel veel aan te ontdekken. Binnenbekledingen, vaak gemarmerde schutbladen met motieven om in te verzinken.

 Soms zijn jongenshandtekening, maar het meest raadselachtig waren wat heette de 'boekhandelzegels'. Vaak in glanzende kleuren uitgevoerde opgeplakte etiketjes, die vertelden waar het boek gekocht was. Een boek was een belangrijk bezit, dat wisten bezitter en verkoper.

 De versieringen binnenin, vaak art-deco randen bovenaan de pagina's, waarop ik me blindstaarde, als of ik daarin de sleutel tot de inhoud zou kunnen vinden van 'De twee neven' van Chr. van Abcoude of de boeken van C. Joh. Kievit. Mijn vriend Johnny van Doorn wilde op zekere dag geen 'Selfkicker' meer genoemd worden en vertelde Adriaan Roland Holst in het urinoir in Bergen dat hij voortaan 'Joh. van Doorn' heette.

 Het kwam alles voort uit de ouderlijke boekenkast met glazen deurtjes, waarin hij ooit hoopte te pronken met een Joh. van Doorn Omnibus. 't Is toch ongeveer gebeurd John. 

Johnny's vuurwerk

 Oudejaarsdag, dat betekende jarenlang nog snel wat vuurwerk kopen voor vanavond bij Johnny van Doorn. Zijn zoontje Sindbad rekende erop. Johnny niet die was als de dood voor vuurwerk , hoewel hij zijn carrière als voordrachtskunstenaar was begon­nen thuis op de keukentrap met het fameuze 'Vuurwerkgedicht'.

 Een levensecht klankgedicht

 Maar nu was het menens. Na het eten stonden we op de stoep voor Het Laagt 145 in Noord, waar de nu al overspannen Selfkicker de boel zou afsteken. Iedereen een stapje achteruit en daar ging de eerste gillende keukenmeid de lucht in.

 'Denk aan Theo Eerdmans', riep Johnny nogeens. Dat was de beroemde tv-quizmaster die het sigarenpeukje, waarmee hij zijn vuurwerk afstak eens per ongeluk had weggegooid en het rotje met brandend lont in zijn mond gestoken. Te laat!

 Nu gebeurde er iets heel anders. Opeens stond Johnny's bekende warrige haardos in lichterlaaie.

 Even stonden we als aan de grond genageld rond de man met het vlammend aureool. Een onvergetelijk gezicht. Daarna kwamen er jassen over zijn hoofd die het vuur doofden.

Geur, smaak en tijd

 'Het water liep me in de mond,' Ik hoor het Johnny van Doorn nog zeggen. Niet dat hij een schrokop was, integendeel als hij zijn fameuze knoflooksoep bereid had was hij zelf de enige die er niet van nam: 'De kok eet niet.'

 Nu ik 'De taal van smaak' lees, het boekje van Reinier Spreen over 'Hoe je woorden vindt voor wat je ruikt en proeft' dat bij kleine uitgever Fusilli verscheen, komt het voor en na van eten me voor de geest. Over eten en koken wordt al te veel geleut­erd.

Een huis betreden waar het naar warm eten ruikt. En dan zeggen 'andijvie'. Dat is me genoeg. Ik hou niet erg van eten. 

En dan het naproeven, zelfs tot laat in de avond nog dat onuitroeibare smaakje: andijvie. Het is erger geworden, heel de stad ruikt 's zomers naar warm eten.

Proeven doe je vooral met je neus. Maar er speelt zoveel meer mee. De plaats waar je eet beïnvloedt de smaak. De textuur van het voedsel ook. 'Knapperig' is de laatste pakweg honderd jaar een voorwaarde geworden. Friet, de korstjes van bladerdeeg of kroketjes beïnvloeden ook de smaak. Het ideaal is krokant van buiten, waar je dan doorheen moet bijten om in de het romige binnenste aan te landen. Wat ook voor chocoijs geldt.

Spreen citeert Diane Ackerman die in 'A natural history of the senses' (1991) schrijft: 'Geuren kunnen in ons geheugen zachtjes ontploffen als landmijnen die zijn overwoekerd door tijd en ervaring'.

Mijn ontploffing was die in het zondoorstoofde, wrakke schuurtje van mijn grootouders. Ik ging er binnen en de onbeschrijflijke geur die daar hing. Een mengsel van uitgedroogde verfblikken, creosoot, consistentvet, vergeten Weckflessen en nooit gebruikte specerijen. De geur van de tijd.

Pap

 'Zoete pap' is de titel van een 'sprookje' van Michael Saltykov‑Sjtsj­edrin (1826‑1889) over 'kiselj', een dikke pap van melk en veenbessen of ander fruit. Mijn vriend Johnny van Doorn noemde zijn autobiografie 'Oorlog en pap' omdat hij als naoorlogs kind was grootgebracht door een moeder de hem pap voerde terwijl ze hem vertelde over de oorlog.

 Ook ik kreeg elke dag pap. Ik weet waar ik het over heb.

 Op maandag havermout als toetje, op dinsdag griesmeel met rozijnen, op woensdag kar­nemelkse, waar je je naam met stroop in kon schrij­ven. Op donderdag yoghurt met verkruimelde beschuit, op vrijdag rijstepap met bes­sensap en op zaterdag broodpap. De kroon spande  een beschuit waarop steeds meer warme melk werd uitgegoten, tot hij zo groot werd als het hele bord.

 Op zondag was er vanillevla met vruchtjes uit blik, die de kinderen logischerwijs 'puddingpap' noemden.

 Waarom? Aardappelen, vlees en groente waren niet voedzaam genoeg. Later kwam een alternatief: soep vooraf. Het soepgezin ontstond

 Bij Sal­tykov‑Sjtsj­edrin wordt ook pap gegeten tot het gezin er genoeg van krijgt. Pap is niet sjiek. De pap wordt aan de varkens gegeven.

 Ook bij mij thuis verdween de pap en werd vervangen door corn flakes, die het pleit wonnen omdat ze kraakten. Pap kraakte niet.

Zeee

 Vanmiddag stond op het leitje van de red­dingbrigade: 'Temperatuur zeewater 13 graden'. Waarheen nog? Het is al laat, de drank is bijna op, het feest sterft. In Den Haag was het stilzwijgende antwoord 'naar de zee'. Het wordt koud, de stelletjes die zich gevormd hebben warmen zich aan elkaar en schuilen in hun jaskragen. Eenmaal aan de duinrand is er altijd een jongen die verhalen vertelt waar gedempt om wordt gelachen tot het stil wordt en alleen het geluid van de branding en het zicht op de onein­digheid, de einder overbl­ijft. Het was Johnny van Doorn die het vastlegde door het woordje zee met drie e's te spellen: 'zeee'. Zo sprak hij het ook uit: 'zeee'.

 Het wordt al licht. Op de tentoonstelling 'Aan zee' in het Haags Gemeentemuseum hangen foto‘s van Stephan Vanfleteren van de Zeeuwse kust onder de kop ‘Verlangen naar verstilling’. Erik Lindner schreef er dit gedicht:

 ‘Einderstrepen die de zee de lucht in trekken/ strepen in zee

de zon ligt in de kom van de wolken/ die haar vorm ontnemen

paarden stapvoets in een rij op het zand/ strandpalen tot diep in het water met op elk hoofd een vogel

een schip in het wit van zijn schuim/ de lichtstippen op mijn ooglid

vrachtschepen die het water van zich wegduwen

zandbanken in de baai/ golven die ernaast aanspoelen

krekels in het helmgras/ voetsporen waarvan de hielen de harde laag zand openbreken

zand met maar enkele schelpen/ in elkaar uitlopende vlekken op de zee.’

Place Stalingrad

 Vanmiddag op Amsterdamse Art Fair Erik Pape gesproken. Die al vijftien jaar dat ene plein in Parijs schildert. Van uit twee standpunten. Hij woont daar ook, niet ver van het Canal St.Martin. Lange tijd was het een junkie-buurt.

 Johnny van Doorn heeft het verschijnsel benoemd: 'magie der herhaling'. Waaraan hij dan onmiddellijk als illustratie toevoegde Volkswagen-Volkswagen-Volkswagen. En je zag de kevers van de lopende band rollen.

 Ik ken de Place de la bataille de Stalingrad een beetje, genoemd naar de gruwelijkste veldslag uit de Tweede Wereldoorlog, waarbij de Russen de Duitsers tegenhielden,

 En - nomen est omen - zo'n naam wordt een zerk. Tekenend is de gietijzeren brug van de metro, die hier boven de grond komt en een ruime bocht maakt. Akoestisch een stuk muziek

 Tijdens mijn eerst bezoek aan de stad liet mijn moeder me de route uitzetten, zodat ik een lange omweg kon inlassen langs de magische plaatsen waar de metro bovenkomt. En nog bejubelt Charles Trenet de 'Quai de Grenelle ou le metro sort de son tunnel'.

 Mijn eerste route deed vanzelf ook Place Stalingrad aan. En zag het toen verlaten tolhuis van Ledoux. Nu een sjiek restaurant.

 Erik Pape schildert het plein vaak 's nachts, bij lamplicht. Geen mens te zien. Het gaat hem om de verlatenheid.

 De charme van de stad is hier weg. Meer de charme van Parijs wegschilderen heb ik weinigen zien doen. 

Onder de leden

 Volgende week moet ik komen voor de griepprik. Dat lijkt net te laat, maar of wat ik nu heb griep is, geen idee. Ik ga niet internet op.

 Huismiddeltjes worden aangereikt. Johnny van Doorn zwoer bij compressen van ik dacht groene kool. En een vriendin raadt aan: ‘snelverbanden in witte azijn gedoopt en strak om de onderbenen gewonden, dan zakt de koorts als de wiedeweerga.’

 Mijn eerste griepprik kreeg ik lang voor de standaardleeftijd, op aandringen van Gerard Reve, die graag doktertje speelde. Hij was doodsbenauwd voor ziekte maar vond het tegelijk ook spannend:  ‘Je kunt mij altijd wat vragen hoor, want ik weet bijna alles.’

 Zijn darmoperatie in het Schiedamse ziekenhuis zal me heugen.

 Eerst vertelde hij: ‘Er is een rechtstreekse televisieuitzending verzorgd uit mijn achterste. Ik heb het zelf gezien.’ Huh? Het bleek dat er een cameraatje in zijn darmen had rondgekeken. Dit onder leiding van een vrouwelijke arts  - ‘dat zijn de beste’.  De operatie die volgde liep goed af.

 Ik had een dokter, een vrouw, die zei ‘niets doen, niets slikken, alleen water drinken’.

 Het gaat al wat beter.

Onwoorden

 Vriend Dave, de schilder in Goes, kreeg de opdracht 'iets' te doen in de pas gerestaureerde watertoren aldaar. Daar begon het mee. De toren ligt vlakbij zijn atelier. En hij wilde iets met woorden die hem ergerden. Woorden die je steeds om de oren vliegen.

 Zoals passie, uniek of verrassend. Een gezelschap zou de toren beklimmen, waar de gewraakte woorden op koptelefoons moesten klinken met uitzicht over heel Zuid‑Beveland. Hoe verder wist hij nog niet. Hij verzamelde onwoorden. Ik vertelde hoe ik een wekelijkse ver­gadering had verzocht het woord uitstraling niet meer te gebruiken waar ik bij was.

 Woorden als onoverkomelijke struikelblokken. Ik herinnerde me de onenigheid die ik had met Johnny van Doorn bij het nakijken van het manuscript van zijn verhalenbundel Gevecht tegen het zuur (1984). Daarin staat het verhaal Gevangenisdirecteur aan zee. Op zekere avond maken Yvonne en hij het gezellig in het huisje in Bergen waar ze bivakkeren. Rond de lamp komt rood crêpepapier zoals je toen op feesten deed. 'Subtiel' noemde hij dat.

 De procedure was als volgt: we corrigeerden aan de keukentafel op Het Laagt 145 in Amsterdam-Noord. Johnny droeg de tekst hardop voor, ik las mee in mijn kopie op schoot. Als het me niet beviel moest ik 'stop' roepen en mijn bezwaar kenbaar maken. Daar kwam het woordje 'subtiel'.

 'Stop.' Waarom, hoezo, wat mankeerde eraan?

 'Versleten woord John, beetje kwasideftig ook. Een onwoord.'

 Hij begreep het niet. Onenigheid aan de keukentafel. 'Als dat woord erin blijft is je boek dood,' riep ik tenslotte. Hoe sterven woorden?

 Wie helpt vriend Dave aan onwoorden voor in de watertoren?  

Zeee

 'Zeee.' Johnny van Doorn schreef het woord met drie e's in de tekst van zijn verhaal Gevangenisdirecteur aan zee en zo sprak hij het ook uit toen hij het voordr­oeg op de radio. Vanmiddag in Belvedère in Oranjewoud zag ik zoveel schilders, zoveel zeeën. Van tastbaar aan de vloedlijn tot onpeilbaar, onafzienbaar in de overgang tussen land, water en lucht in de schemering.

 Als kind kende ik in Den Haag een vrouw die eens terloops zei dat ze nog nooit de zee gezien had.

 'Waarom niet?'

 'Ik had er niets te zoeken,' zei ze.

 Tot vandaag heeft die zin me niet verlaten. Eeuwenlang werd de zee als niet dan een vuilstort gebruikt, waar hooguit vissers wat ophaalden, terwijl Kniertje op het duin haar handen wrong. De vis werd duur betaald. Sinds Odysseus was de zee angstaanjagend. Vol zeemonsters, en sirenen die zeelui naar de bodem zongen.

 Tot in de 19de eeuw romantiek toesloeg. Het geneeskrachtige zeebad ontdekt werd en het gezondheidstoerisme. Zeezout.

 Wat zoeken schilders aan zee? Dat zie je in Museum Belvedère in Oranjewoud op de tentoonstelling 'Wind, water, wad’.

 Het heeft alle kenmerken van een eredienst. De onderdompeling, de zelfdoop in het zeewater.

 Of in de kunst, de spiegel. Het staren naar het raadsel. Waar bezonken kalmte elk moment kan verkeren in een tsunami. 

Magie der herhaling

 Gisteren bij de presentatie van de nieuwe Revisor ging het over 'herhaling'. In proza geldt dat als saai of zelfs beledig­end. Zeg nooit 'zoals ik al zei', want daarmee beticht je je toehoorder van onoplettendheid.

 In poëzie werkt dat anders, denkelijk door de muziek. Muziek is een spel van patronen en patroonherkenning. Waarbij de musicus moet zien zijn publiek voor te blijven, te blijven verrassen. In poëzie sluipt de muziek aan. Totaan de Ursunate van Kurt Schwit­ters.

 Apen kunnen heel aardig tekenen, maar arceren doen ze nooit, zegt Frans de Waal. Of apen muziek maken weet ik niet. Voor ons zit de magie juist in het arceren, de herhaling. Van Afrikaanse ritmevariaties die hele nachten duren tot minimal music. Het standaard akkoordenschema van de Europese popmuziek is daarbij dodelijk saai.

 Het was de dichter Johnny van Doorn die het begrip 'Magie der herhaling' - 'Volkswagen-Volkswagen-Volkswagen-Volkswagen' - introduceerde met zijn verhaal 'De toets' waarin een oude kunstschilder in een enkele weerkerende bliksembeweging het 'woensdagmiddaglicht' aanbrengt op een lange rij fabrieksmatig gefabriceerde doeken met steeds het zelfde hengelaars stekje. Als een slagwerker: 'Tikketakketikketak'.

 Waar komt bij het herhalen spanning vandaan? Wim T. legde het uit toen hij zijn acteur Barend Servet steeds het woord 'Pollens' had laten zeggen: 'De eerste keer lachen ze, de tweede ook, de derde werd het al wat minder... En dan blijft het stil. Maar dan moet je juist doorgaan. En bij de der­tiende keer 'Pollens', wordt er weer gelachen.'  

 Ik las gisteren mijn 'Alle trams rijden naar de hemel'. Trams hebben alleen eindpunten. Ze komen aan, en rijden weer terug naar 'het andere eindpunt'. 

Pagina's