Zeee

 'Zeee.' Johnny van Doorn schreef het woord met drie e's in de tekst van zijn verhaal Gevangenisdirecteur aan zee en zo sprak hij het ook uit toen hij het voordr­oeg op de radio. Vanmiddag in Belvedère in Oranjewoud zag ik zoveel schilders, zoveel zeeën. Van tastbaar aan de vloedlijn tot onpeilbaar, onafzienbaar in de overgang tussen land, water en lucht in de schemering.

 Als kind kende ik in Den Haag een vrouw die eens terloops zei dat ze nog nooit de zee gezien had.

 'Waarom niet?'

 'Ik had er niets te zoeken,' zei ze.

 Tot vandaag heeft die zin me niet verlaten. Eeuwenlang werd de zee als niet dan een vuilstort gebruikt, waar hooguit vissers wat ophaalden, terwijl Kniertje op het duin haar handen wrong. De vis werd duur betaald. Sinds Odysseus was de zee angstaanjagend. Vol zeemonsters, en sirenen die zeelui naar de bodem zongen.

 Tot in de 19de eeuw romantiek toesloeg. Het geneeskrachtige zeebad ontdekt werd en het gezondheidstoerisme. Zeezout.

 Wat zoeken schilders aan zee? Dat zie je in Museum Belvedère in Oranjewoud op de tentoonstelling 'Wind, water, wad’.

 Het heeft alle kenmerken van een eredienst. De onderdompeling, de zelfdoop in het zeewater.

 Of in de kunst, de spiegel. Het staren naar het raadsel. Waar bezonken kalmte elk moment kan verkeren in een tsunami.