Wonen in Amsterdam

 Het eerste woonhuis dat mijn vriendin en ik betrokken lag op een vierde verdieping aan de Kattenburgergracht, naast de Brandweerkazerne. Het was de zolder van een oud pakhuis, die in de vorige eeuw primitief vertimmerd en behangen was tot wat moest lijken op een woonet­age.

 Het dak lekte, zodat op de vliering erboven vele pannetjes stonden en ik af en toe het laddertje op moest om ze in een emmer te legen, die dan het trapje af brengen en leeg­gieten in de goot.

 De schuine ruimten langs de kanten waren afgetimmerd en bleken volgestouwd met afgedankt huisraad van de laatste honderd jaar. Ik vond een papieren zak met afgeknipt mensenhaar en een grote glazen pot met uitgebakken vet.

 Ik kocht een oliekachel, waarvoor blikken olie moesten worden aangesleept, twee stuks, een straat ver. Het aanmaken ging door een asbesten veter die op de bodem lag een beetje te overgieten en dan met vele lucifers in vlam zien te krijgen.

 Er werd een geiser aangelegd door loodgieter P.Hey, en afgeschot met platen asbest.

 Een keer kwamen mijn ouders kijken. Mijn vader zag meteen dat ik de pootjes van de zitbank uit zijn ouderlijk huis, die ik van hem had geërfd, had afgezaagd. Noodgedwongen, anders kreeg ik het ding de trappen niet op. Hij ontstak ik wilde woede.

 Het huis is later afgebrand en herbouwd als een flatje.