Voorbereidingen voor de reis.

 Mijn moeder was op de achterbank permanent bezig mijn jongere zusje en broertje zoet te houden zodat ik op de bijrijdersstoel terecht kwam naast de nerveus rijdende vader.

 Het kaartlezen in het Europa van voor de Autobahnen en Autoroutes werd ondanks zijn tegenwerpingen mijn specialisme. Achter ons reed een Fiat 1100 mee, met daarin de tantes Nel en Trudemarie, die mijn vader overal volgden.

 Ook op de campings met hun eigen bungalowtent. Nu zat Europa vol knel- en knooppunten. En stond toen al vol files. Dat begon al in België. Mons was gevreesd, het traject Metz-Nancy niet minder. De vele routes via Parijs vielen af.  Lille, Lens, Bapaume, Compiègne en Arras waren evenzovele op de peripherique doodlopende sporen.

 Jacques Borel had de eerste wegrestaurants. Oneetbaar. Dan maar de Routiers, vrachtrijders aten toch geen rommel?

 Ik improviseerde soms. Langs de torens van Laon dan? Nee, het werd Ermenonville. Waar Rousseau had gewoond bij zijn Ile des peupliers. En waar de bakker 's ochtends met zijn bestelbus aankwam en door zijn luidspreker riep 'Le boulanger est arrivé'.

 En dan wachtten ons nog Dijon, Macon en Valence. Sjokken over een twee of driebaansweg. En in de Midi Libre lezen over ongelukken waarbij inzittenden carbonisé of gravement blessés werden aangetroffen.