Verleden

 Kijk, dat is mijn grootvader. Achter hem op de schoorsteenmantel staat een kleine gipsen Napoleon met een koperen sabeltje, onder een glazen stolp. Een geleerde voor een boekenkast, bescheiden maar vastberaden. Hoe voelt hij zich? Dat ontbreekt.

 Hoe lang zal hij nog leven? Dat weet alleen ik. Schrikwekkend is de macht van de levenden over de doden. We weten alles van ze, we kunnen vrijelijk over hun bezittingen en levens beschikken, we hebben ze immers gekend. 

 En dat is mijn grootmoeder. Mevrouw zijn, met een inwonend dienstmeisje, dat is wat ze bereikte in haar leven. Ik logeerde er vaak. Er woonde een huurster op de tweede verdieping van haar luxe huis aan de Frankenslag, die elke dag een mandje liet zakken aan een touw voor de melkboer en de bakker. Dat stoorde haar.

 Nooit zal het huis van mijn grootouders meer zijn zoals het hoorde, zo vol angst. De geuren ervan kom ik op verdwaalde momenten nog wel tegen, bij het opruimen van een keukenkastje ruik ik opeens de vestibule, in een mand met lapjes vind ik het spoor terug naar een gehaakte beddensprei.

 Vooral gereedschapshokken zijn gevaarlijke bergplaatsen van onalledaagse geuren. Ik ruik gepoetst koper en weet dat er bij mijn grootouders een rond 'koperen tafeltje' was dat eigenlijk nergens voor gebruikt werd, met een kanten kleedje erover. 'Voor het mooi'.

 Men werd daar als volwassene geboren. Een kind kwam in die wereld binnen als iets dat niet hoorde.

 Sporen van wat gedaan en geweest is liggen onder de oppervlakte te wachten. Op dezelfde manier rust in m'n hoofd nog veel van wat ik zag of dacht. Maar wat? Dat blijkt pas als je gaat graven. Maar werkzaamheden veranderen onherroepelijk de vindplaats. Wie het verleden betreedt vernietigt het. Je ziet het op veilingen waar het verleden te koop wordt aangeboden en onder de ogen en handen van kopers sterft.