Vatklant

 Je vulde het 'binnenblik' met olie en zette het ondersteboven in de houder naast de oliekachel. Onderin de kachel lag een touwtje asbest. Nu moest de bodem gevuld worden met een laagje stookolie en daar gooide je dan een lucifer op en weldra verspreidde zich een behaaglijke warmte door het huis.

 De oliekachel liet heel de nacht weten dat ie brandde. Was je even wakker dan hoorde je hem zichzelf bijtanken uit het bin­nenblik, dat onderin een mechaniek bezat dat de dichter Bernlef de 'koper­en tepel' heeft genoemd. De tepel sloeg naar binnen als er olie nodig was en tankte zo de kachel bij, met een karak­teristiek geluid. Kadunk, kadunk. Er zal geen opname van bewaard zijn.

 Later woonde ik beneden en werd bevorderd tot 'vatklant'. Er kwam een olievat op het achterplaatsje, de olieman reed elke maand voor en rolde zijn slang door het huis uit om mijn vat bij te vullen.

 Meteen maakte hij dan de kachelbodem schoon, want die ging op de duur roeten. 'En nam afscheid met altijd dezelfde zin: 'Hij brandt weer Rivierablauw meneer'.

 Met de komst van het aardgas verdwenen deze woorden.