Pilente

 Net zulk weer als nu was het. Ik doolde met Evert Schut, kleinzoon van de Eerbeekse papierfabrikant. Evert leidde me rond in de fabriek en had daar veel praatjes. Daarna kwamen we bij het kanaal.

 We besloten een bootje te maken, niet makkelijk. Het werd een houten kist met een puntige voor en achterplecht. Slordig getimmerd. Nu moest ie nog waterdicht worden. We sleepten het bootje naar de werkplaats van de fabriek. De mannen waren ons goedgezind en smeerden alle kieren dicht met teer. Nu naar het kanaal. Al sjouwend bedacht Evert een naam. Het bootje zou 'Pilente' heten, wat volgens hem Veluws was voor waterhoentje.

 Eindelijk lag ons schip in het kanaal van Apeldoorn naar Doesburg. Het wachten was nu op een binnenschip dat ons op sleeptouw wilde nemen.

 De schippers hadden schik in ons. En al gauw hingen we achter het roeibootje dat ieder binnenschip aan z'n achtersteven meetrok. 'Waarheen,' riep de schipper, wiens vrouw het roer had overgenomen.

 'De volgende brug.' Ophaalbruggen had je daar elke kilometer. Eenmaal daar aangekomen liet de schipper een klomp aan een touw zakken en riep 'en nou een dubbeltje'. Het duurde lang voor een boot terug ons meenam.

 De Pilente heeft de winter niet overleefd.