Oom Donald in Nieuwerkerk

 De Engelsman Christopher Levenson schreef een gedicht over Nieuwerkerk. Het dorp waar ik in 1953 logeerde bij Oom Jacques. Ik sliep  op de oude zolder van zijn boerderij op Schouwen-Duiveland, waarvan de bened­enverdieping toen al vernieuwd was tot een nieuwbouwhuis. Zo hoog was het water gekomen. Buiten rondom lag een maanlandschap van grijsgroen slik. Op die zolder lagen alle nummers van Donald Duck vanaf het begin, eigendom van mijn neefje. Ik begon als een razende mijn achterstand in te lezen. Oom Donald was bij mij thuis namelijk taboe. 'Hoogstaande lectuur' in de smalende woorden van mijn vader. Dit heet 'Landschap met kranen'.

 Rondom aan de horizon gloeien de randen van

verwaande wolken grimmig als ijzer. Uit het land

zijn alle kleur en samenhang verdwenen. Als in een waas

zuigt het zand, huizen en stallen mee de vernieling in,

schuurt het elke tint van stenen af, wordt het dunste straaltje sap nog uit de boomgaard geperst. Zwaar van de nevel

zijn de bomen niet in winterslaap, maar dood.

 

 Bekijk je het landschap in het strakke perspectief

van kraan, vrachtwagen, booglamp en de dreigende kalmte

moet je zien hoe op draagbalken de zeepok gedijt,

hoe rozen het tegen krabben en zeesterren hebben afgelegd

en de lente afziet van zijn rechten. Waar 's zomers het ritselen

van bladeren te horen was, wordt de oogst steeds magerder.

Alleen het groen van zeewier overleeft hier nog.

 

 Sinds van alle kanten het water kwam en het jaar

door storm buit maakte, het land bezettte,

landerijen hun wezen en hun naam ontnam, is het winter geweest.

Het lijkt wel of ieders huis en haard zijn vol gewaaid met zand,

op alle verweerde grafstenen staat een identieke tekst,

toch speuren oude mannen in de gure wind tussen de troep

naar woorden voor wat verdwenen is, naar een sprankje hoop.

 

 Vanaf de oceaan nadert met onheilspellend gerommel

nieuw noodweer. Stormen houden de zon op afstand,

steiger en loods kijken de hele nacht toe

over de verzande polders. Als bevroren golft zand zijn grijze

glans de aanbrekende dag in, en meeuwen patrouilleren

over de Kerkring, waar het kruis van het verleden in stukken ligt,

meegesleept door de modderige vingers van dode eiken.'

(Vertaald door Ad Zuiderent, Levenson hielp bij het opruimen in 1953.