Matthijs van Eeden

 Matthijs van Eeden zat bij mij in de klas. Er zijn vele Van Eedens, maar hij was een echte kleinzoon van de schrijver van de Kleine Johannes, de Grassprietjes van Cornelis Paradijs en de Koele meren des doods. Hij woonde met zijn moeder en broer in de Haagse Lumeystraat, die uitloopt op het Verversingskanaal.

 Matthijs had het hoog in z'n bol. Blond haar, donkere wenkbrauwen, maar hij werd al vlug dik en bleef zitten.

 Geld was er niet. Dat merkten we toen zijn verjaardag gevierd werd. Al eerder had hij tijdens een schoolvoorstelling klassiek gitaar gespeeld in de gymzaal, dat deed hij nu weer, het modern gitaargeweld verachtte hij. Flesjes prik ontbraken. In plaats daar van had zijn moeder lege melkflessen gevuld met water en limonadesiroop.

 Eerst zat haar vriend in de centrale fauteuil, maar die vertrok, waarna zijn plaats werd ingenomen door een grijze heer, de echte vader van Thijsje Paradijs, zoals wij hem noemden. Er waren veel tekenen dat het niet goed met hem ging. Een mengsel van hoogmoed en angstigheid.

 Hij verdween van school. Ik zag hem veel later terug op een kamer in de Amsterdamse Burgemeester Tellegenstraat, nu homoseksueel en in de war. Later bezocht ik hem in een Amersfoortse inrichting op Joodse grondslag. We wandelden in het parkje rondom.

 Niet lang daarna berichtte zijn moeder dat hij dood was en al begraven, zelfmoord had gepleegd.