Kussens

 In tijden van slecht slapen, 'tossing and turning', zoals nu, denk ik aan zulke essentialia als kussens. Bij geen van mijn alleenwonende tantes ontbrak het aan kussens. Mijn vader was tegen kussens, vond ze week en vrouwelijk. En lelijk. Toch verschenen er steeds nieuwe in huis. Er waren er al een paar voor de al te ongemakkelijke stoelen aan de eettafel, meer niet.

 Daarom hecht ik aan interieurs vol kussens en aan het ritueel van stompen in het hoofdkussen voor het slapengaan. Zinloos omdat je in je slaap steeds beweegt. Wat vooral komt, lijkt mij, doordat wie op z'n zij slaapt - wat de meesten zeker een deel van de nacht doen - de opening moet vullen tussen het matras en het hoofd. Je kunt daar een arm onder leggen, maar dat leidt tot kramp. Niets helpt.

 Kussens worden al duizenden jaren gebru­ikt, lees ik. Van zacht en vormbaar, tot hard en zwaar, Geen wonder, ze zoeken een oplossing voor een constructiefout in de menselijk lichaam.

 Van houten, stenen of porceleinen neksteu­nen, tot leren zakken gevuld met zacht materiaal, naar donzen kussen.

 Ook het oppervlak, het materiaal telt, en de geur. Eigenlijk wil je door een kussen gekust worden, dat zich koel en soepel tegen je aanlegt als een vrouwenwang. En lavendel kan geen kwaad.

 Maar dan komt de steun nog. Ik slaap al jaren op een zak boekweit, dat ook in m'n slaap de vormen aanneemt die ik verlang.