Klomp

 Na lang aanhouden had ik ze dan toch. Klompen! De helft van de dorpsjongens liep erop, de andere helft droeg kaplaarzen. Op klompen lopen is heel wat. Tja, die randen. Er waren er, die zwartleren klompsloffen droegen in hun klompen. Slap!

 Het was een mooie zomer. Ik mocht na het eten buiten spelen. En in het dorpscentrum, Tegenover de school, naast de smederij was een landje waar 's avonds gevoetbald werd door wat oudere dorpsjongens. Ik was pas acht en stond te kijken op mijn al te nieuwe klompen. Zou ik? Zouden ze? En, kon ik voetballen op klompen?

 'We hebben nog een keeper nodig, ga jij maar in het doel staan.'

 We stonden voor, er kwamen geen ballen op me af. De zon stond al laag, het was nog warm. De geur van gras. De balgeluiden, het geschreeuw, de lage zon. Mijn gelukkigste moment als dorpsjongen. 

En toen kwam de aanval. Een dorpsjongen en ik schopten allebei naar de bal. Onze klompen knalden op elkaar. Mijn rechterklomp lag in tweeën in het gras. Daar zat ik met een halve klomp in het gelach. Zo'n stadse jongen dacht zeker dat ie..

Volgende dag zat ik bij de klompenmaker tegenover het stationnetje. In zijn pakhuis vol klompen. Hij legde over de kapotte klomp een ijzeren strip. Die hij met punten in het hout vast sloeg.

De klompen verdwenen naar zolder.