Hrabal

 Lezend in de brieven aan Dubenka van Bohumil Hrabal (1991, uitg. Pegasus, vert. Kees Mercks) zie ik het winterse, onverlichte Praag van 1976 voor me. Met hier en daar een klein lichtje en een wolk caférumoer.

 Hij is mank, net als ik, door een neurologische storing en falend hartritme, en moet steeds naar ziekenhuizen. En maakt zich zorgen over het voedsel voor zijn vele katten, thuis.

 'Dubenka, ik heb misschien al twee maanden niet geschreven, ik heb hoofdpijn en flink veel last van jicht, ik was weer in het ziekenhuis met hartklachten, als ik een sok aangetrokken heb, moet ik al rusten, dan trek ik die andere aan en moet weer even rusten, wanneer ik naar mijn poesjes in Kersko wil wacht ik bij de halte voor de deur op de bus en als die er aankomt, stap ik struikelend in, vervolgens moet ik oppassen dat ik niet van de metrotrap kukel, daarna strompel ik weer omhoog dan koop ik melk en worst en bij de snackbar gegrilde kippetjes, ik heb mazzel, voor mij staan jonge en knappe en in blauwe bloesjes glinsterende Vietnamese vrouwen, ze buigen voorover, pakken mes en vork uit bestekbakjes en laten me ruiken aan hun sterk geurende, vette haren... dan eet ik soep en begint mijn hand te trillen (...)'.

 Hrabal (1914-1997) viel uit het ziekenhuisraam. Ongeluk, zelfmoord, het is onbekend. Ik weet het nog goed, het Noord-Vietnamese broedervolk. Gehuisvest in gevorderde luxehotels in Mariënbad.

 Intussen volgt Hrabal het voetbal. Een van zijn katten heet naar de beroemde Duitse spits Gerd Müller, dus Gerdmüller.