Hemel?

 In zijn bundel 'critical essays' snijdt George Orwell, in een stuk getiteld 'Can Socialists Be Happy?' in 1942 het oeroude probleem van het Christendom aan: hoe moeten we ons de hemel en de hel)  voorstellen?

 Niemand kwam eruit, eeuwenlang. James Joyce gaf een gruwelvoorstelling van de hel, maar bij de hemel komt hij niet verder dan 'extaze' en 'gelukzaligheid' zonder poging uit te leggen wat dat inhoudt.

Tertullianus zegt dat een van grootste hemelse genoegens ligt in het gadeslaan van de martelingen van de verdoemden. Bij de heidenen is het weinig beter. In de Elyseese velden heerst en eeuwige schemering. Op de Olympus leven de goden met hun nectar en ambrozijn  en hun nymfen, gezelschapsdames en onsterfelijke verleidsters. Geen plek waar je lang zou willen blijven. 

Wat het moslimparadijs betreft, met zijn 77 houri's per man, allemaal schreeuwend om aandacht, dat lijkt een nachtmerrie.

Ook de spiritisten worden nooit precies, met hun 'alles is stralend en prachtig', wat, zegt Orwell, toch geen denkend mens te verdragen zou vinden, laat staan aantrekkelijk. Voltaire beschrijft hoe het leven van Karel IX en zijn fameuze maitresse Agnes Sorel, die 'altijd gelukkig' waren. En waar bestond dat geluk uit? Een eindeloze draaimolen van feesten, drinken, jagen en seks,

'Wie zou niet ziek worden van zo'n bestaan na een par weken? Breughel laat het zien in  zijn 'Luilekkerland'.

Het doel van het socialisme, zegt Orwell, kan dus nooit 'geluk' zijn.