Doorgebroken suite

 Rond 1950 veranderde de wereld. Dat begon met het huis waarin we woonden, naast de zg. Volkshogeschool in Eerbeek, waar elke week een autobus met plattelandsvr­ouwen, fabrieksarbeiders of bibliothecaressen bezorgd werd, die een week lang gingen pottenbakken, in de tuin werken en zich creatief leren uiten.

 Veel in het nieuwe Kunstschrift, gewijd aan Bauhaus, herinnert me daaraan. Er was na 1950 wat geld en de interieurs uit grootmoeders tijd moesten eraan geloven. Ik speelde op kokosmatten, onaangenaam spul, maar modern.

 We verhuisden. Op mijn vijftiende werd de Haagse suite 'doorgebroken', als een van de laatste in de straat. De glas-in-lood schuifdeuren eruit, linoleum kamerbreed, banaantafeltjes met formica erin.

 Mijn ouders ­begrepen het slecht en zo werd ik binnenhuisarchitect. Liefst had ik het hele huis op z'n Mondriaans gestileerd, maar de crapauds werden alleen maar overgetrokken in matgeel, matrood en zwart.

 Later ging ik de bronnen terugzoeken, tot ik in Dessau kwam in het Bauhaus. Nu een doodgewoon modern schoolgebouw, waar kinderen de kantine binnenstormden.

 Nu in Boijmans een grote Bauhaus expositie begint kom ik terug bij de bedoelingen. De nieuwe interieurs zouden een nieuwe mens moeten scheppen. Maar wat je ook bouwde, weldra stonden de geraniums weer in de vensterbanken. En Bauhaus kende een strikt gescheiden vrouwenafdeling - vrouwen konden niet in drie dimensies denken en het ging daar om architectuur. En bovenal, het individu was taboe. Kunst was van iedereen, voor iedereen. Het latere motto van de publieke omroep in Nederland. Maar de geraniums komen altijd en overal terug. Ik hou van ze.