Donkere dagen

 In de donkere dagen denk ik elk jaar aan Gerard Reve. De eerste keer dat ik hem sprak was in Osdorp, een flatje bij het eindpunt van lijn 17. Het is 1969, als ik als beginnend radioreporter een interview kom opnemen.

 Ik bel aan, hypernerveus. Door de intercom klinkt 'wiedaar'. 

 Bovengekomen zie ik dat de schrijver zich voorbereidt op zijn  verhuizing naar Greonterp. Hij bekijkt me aandachtig. Mijn rossige complexie valt op: 'Jij mag zeker niet te lang in de zon'. En gaat zitten op een houten pakkist - er zijn in die dagen nog geen karton­nen verhuisdozen. Het interview bestaat uit een enkele vraag en een antwoord van ongeveer een kwartier. Opgelucht neem ik de tram. Maar bij thuiskomst blijkt de opname mislukt. Het bandje heeft achterstevoren gelegen zodat ik de stem van Reve alleen als een dof gonzen terughoor. Zwetend bel en vertel meneer Van het Reve dat er iets misgegaan is.

 'Dat geeft toch niks,' zegt hij opgewekt. 'Dan kom je gewoon terug en dan vertel ik het nog wel een keer.'  Ik rijd opnieuw met lijn 17 naar Osdorp, de schrijver gaat opnieuw op de pakkist zitten en ik stel weer mijn vraag. Vrijwel woordelijk geeft hij het zelfde antwoord. Alsof hij het voorleest.

 'Een wonder,' denk ik, 'alsof het gedrukt staat.'

 Nu vind ik aantekeningen gemaakt tijdens de radio‑opnamen van zijn boek De Avonden. Ik zie de schrijver meer dan twintig jaar later terug, in Schiedam. En weer reageert hij eerst op mijn uiterlijk: 'Zoals jij eruit ziet... Zo nog steeds van de bestorming van de Bastille en zo...'.

 Tijdens de opnamen, komt een Tv-ploeg langs. Hoe moet hij gekleed gaan? 'Zal ik mijn lintje dragen?' Hij speldt het op, maar doet het toch weer af. 'Dat lintje is belangrijk voor mij,' legt hij uit, 'als schrijver  neem je toch niet echt aan het leven deel.'

 Ik vertel hem van mijn bezoek aan de kathedraal van Amiens waar ik werd getroffen door een groep buitenmodel stof­zuigers die bijeen stond in een kapel, achterin. 'In Godshuizen moet gestofzuigd worden,' zegt Reve. 'Het deel van de eredienst waarin vrouwen voorgaan.'

 Voor hem waren de foldertjes van het pas­toraat die je altijd voor in zo'n kathedraal in een rekje vindt met advies aan jong verloofden een waar godsbewijs. Zwart-wit, met één steunkleur, want de kerk is arm.