De tantes

 Ze waren de dochters van de bakker op Wolphaartsdijk in Zeel­and en wat men toen noemde 'overgeschoten'. De beide zusters van mijn grootvader kwamen terecht in het Westland. Honselersdijk, tegenover de veiling, tussen de kassen.

 Tante Bella gaf daar les aan de huishoudschool, tante Dien, die eigenlijk Dingena heette glimlachte stilletjes maar zei zelden wat. Ze deed het huishouden, las boeken en stierf al vlug. Dien was een mooi meisje geweest maar verlegen. De mannen die gekomen waren zinden haar niet. Bij tante Bella ben ik nog tegelmatig op bezoek geweest. Ik kreeg dan thee met een chocolaatje en een Peter Stuyvesant. De asbak had de vorm van een vis. Mijn vader loerde op de 'riem' die ze van een achterneef had geërfd, die omstreeks 1860 vanuit Den Briel was geëmigreerd. Een dubbele riem waarin je geld en papieren kon ver­bergen. Brieven ook. Ik las de brieven van neef, die altijd begonnen met 'Wij zijn heden goed gezond en hopen van u het zelfde'. Ik las hoe hij na aankomst met de trein naar Chicago reisde en het licht opeens uitging. 'k Docht 'k wier doot'. Van tunnels hadden ze in Zeeland nooit gehoord.