Competitiekaart

 Wilde je in een competitie spelen, al was het adspiranten 4D, dan moest je naar de sportkeuring en daarna kreeg je met inlevering van een pasfoto je competitiekaart.

 Die kaart moest je voor de wedstrijd inleveren bij je elftal­leider. Een oudere heer met een hoed, die nog voor de oorlog in het eerste had gespeeld. Die leverde onze kaarten in bij de scheidsrechter, die zich intussen had verkleed in het aparte kleedhok dat daarvoor was.

 Daarna werden we voor hem opgesteld en riep hij de namen af: Van Erp, Van der Zande, Kantelaar... Je moest dan 'ja meneer' zeggen, hij vergeleek de foto met het gezicht en zei 'ja' als het klopte.

 Scheidsrechters waren mij onbegrijpelijke personages. Altijd piekfijn in het zwart en met voetbalschoenen aan. Maar nooit schopten ze een bal. Grensrechters waren de elftalleiders, die hun clubdas als vlaggetje gebruikten.

 Terug naar de clubtent waar de man in het zwart bij mij kaart was aangeland. 'Noordhoek'. 'Ja meneer.'

 Na afloop werd ik aangeklampt door de rechtsbuiten van de tegenpartij, die naar mijn naam informeerde. En ja, hij zat op de Zuiderpark HBS waar mijn vader een gevreesde leraar Duits was. Nog ze ik zijn grote ogen van schrik: 'Is dat je vader?'

 Twee werelden botsten op elkaar.