Buurman

 In Amsterdam vroegen de mensen me wel eens of ik nu op 'een leuke trap' woonde. In Den Haag was dat een onbekend begrip. In mijn 'Tale of two cities' 'Iemand zijn in Amsterdam' ben ik er niet aan toegekomen.

 Mijn onderbuurvrouw in het huisje aan het park was mevrouw Marcus, die al erg oud was maar nog steeds schoonmaakte bij slager Kroes op de Overtoom.  't Was druk op de trap, of haar schreeuwende dochter met het uitgegroeide blonde krulhaar kwam langs met een zoontje dat 'Alexanderhoujekop' leek te heten. Maar dagelijks was het Joop de Zeilmaker, die beneden aan het Vondelpark op het straatje dekzeilen en fietstassen maakte, die hij vaak verknipte. Waardoor hij vaak bij Mevrouw Marcus - tante An - moest uithuilen.

 'Ja, 'k ben z'n moederfiguur he.'

 De vrouw van Joop had een gat in d'r hand en gooide alle rekeningen achter het dressoir. 

 Mijn onderbuurvrouw had een cassette van Wim Sonneveld met vooral 'Trek je wollen sokjes aan Marjoleine'. Als de cassette uitgespeeld was bleef nog maar een vraag: zou ze hem omkeren. En dan kwam de Hertogin van Lombardije weer. En elke avond was het raak met de televisie-ontvangst, die toen nog ging met twee sprieten. 'Buurman, klonk het dan in het trappenhuisje, 'k 'heb weer allemaal sneeuw.' En dan moest ik komen.

 Op de vertimmerde zolder waar ik woonde hadden in de oorlog onderduikers gezeten.

 Iemand worden in Amsterdam? Ik raad iedere nieuwkomer aan: 'Word buurman'.