Aquarium

 Dit is Brussel in haast. Achter de cafétafel waaraan ik zit staat een aquarium. Daar moet een stukje uit komen. Maar ik staar meer dan ik schrijf. Het café ligt aan een dorpspleintje. Er zijn nog vergeten straten tussen de wolkenkrabbers, die hier 'torens' heten.

 Ik was eerder in dit dorpscafé, met polaroids van voorbije feesten aan de wand ('Anniversaire Françoise 23‑1‑1988'). Er verandert hier zelden iets.

Maar nu: een fonkelend, nieuw aquarium. Met aquaria loopt het slecht af. Ik ken een restaurant waar de bevolking van het aquarium elke keer dat ik er kom weer helemaal nieuw en onbekend is. Ik heb nooit durven vragen waar de oude vissen dan gebleven waren. Het glas ziet al weer erg dof en algen dringen op.

De eigenaar van een aquarium is God. Hij neemt de verantwoor­ding over een kubieke meter schepping. Zie wat daar van komt. Ik moet ophouden met naar dat aquarium te staren. De gouden, zilveren en gestreepte vlugge kleintjes, de traag zwenkende sluierstaarten, die zich zo mooi geïrriteerd, met een norse ruk kunnen afwenden.

 In 'Ik heb altijd gelijk' van W.F. Hermans gaat een aquarium aan scherven door toedoen van Lodewijk Stegman. De God denkbaar.

 Dit aquarium staat wel erg ongelukkig opgesteld op een hoogpotige, metalen tafel. Aan de andere kant leunen twee zware Brusselaars er met hun achterwerk tegen. De tafel beweegt. Het aquarium beweegt mee. Niemand die het ziet. Ik inspecteer de opstelling nog eens goed. Het zwaartepunt ligt angstig hoog. Straks zal het hier veel voller worden.

 Vaak wordt aangenomen dat de vissen die je elke dag uit de Noordzee opgehaald ziet worden, anders dan de Brexit-vissers, geen pijn lijden, omdat ze geen geluid maken.