Amerikanen

 Dag in dag uit gebeurde er niks in de kleine Calabrese vissershaven. Elke avond tegen zevenen stonden de huisvrouwen aan de kade en voeren de vissers binnen. Dan werd de vangst uitgezocht. Ook die voor de twee trattorias waar we soms aten.

 Maar meestal kookten we zelf op ons Camping Gaz brandertje. We waren de enige gasten op de enige camping en kregen extra dekens aangeboden, omdat het zo koud was.

 Op zekere avond liep heel het dorp uit naar de haven. Wat daar binnenvoer deed de monden openvallen: een reusachtig zeiljacht met drie masten met de Amerikaanse vlag in top. Met louter in het wit geklede rijke mensen aan boord.

 Omdat ik er op de kade uitsprong als on-Italiaans werd ik aangesproken. Waar was hier 'good Italian food' te krijgen. Ik bracht ze naar mijn favoriete mevrouw aan de kade en hielp bij het vertalen van hun bestellingen. Aan de uitleg van het verschil tussen de 'primo' en de 'secondo' begon ik maar niet. Vis of vlees. Ze kwamen net van zee maar wilden per se vlees. Dat werd vitello.

 Toen ze het luid kakelend hadden opgegeten kwam de kapitein op mij en de mevrouw af. Hij had een vraag:

 'Why don't you cut the meat in pieces en put it into the spaghetti?'

 Verbijsterd keek de oude dame me aan. En begon moeizaam aan een uitleg van het verschil tussen de primo en de secondo in de cucina Italiana. Een Babylonische spraakverwarring ontstond. Je kunt het vandaag nog elke dag in de krant lezen. Amerikanen zijn gek.