Spelen

 Eric de Kuyper schreef een aanstekelijk boekje over acteren: 'Het samenspel tussen Dr. Jekyll en Mr. Hyde'. Hij acteerde zelf en schreef veel over film en toneel.

 Toneelspelen heet niet voor niets zo. Je speelt als kind al dat je een ander bent. Acteurs als Dirk Bogarde werden schrijver, omdat ze zich hadden leren inleven. Andersom worden schrijvers graag weer spelend kind. Rudy Kousbroek maakte zijn katapult, W.F.Hermans repareerde zijn vloeistofduplicator. De tekst deed er niet toe: 'O wat had die beer een honger, o wat had die beer een dorst. Gauw een glaasje limonade en een boterham met worst.' Als de duplicator maar werkte. Net als in de hoorspelstudio waar kreukend papier knetterde als vuur, veel beter dan opgenomen echt vuur, Een wiebelende plaat ijzer is nog steeds het beste onweer.

 Als kind leerde ik na Nederland-België de straat op te rennen en een spelersnaam te claim­en. Riep je als eerste 'Ik ben Faas Wilkes' dan was je hem. Zo voetbalden wij als het Nederlands elftal verder.

 Wat De Kuyper schrijft over zijn tante Jeannot, die zo graag naar het theater ging is zo waar: ook de weg erheen en terug hoorden bij de voorstelling. We acteren alle dagen. Soms neemt een rol je over. Toen ik 'The remains of the day' had gezien was ik op de terug­weg veranderd in Anthony Hopkins als butler. 'Of course mylady.'

Wimshurst

 Bij de Elektra tentoonstelling In Teylers dacht ik meteen aan de Elektriseermachine van Wimshurst. Het verhaal van W.F.Hermans in Een wonderkind of een total loss. Maar die stond er niet. In het museum zelf stond er wel een maar die werd niet gedemonstreerd. Teleurstelling hoort bij elektriseermachines. De eerste machine die elektriciteit temde.

 Zoals de hoofdonderwijzer bij Hermans zegt 'Die dingen zijn altjd kapot'. Maar Hermans' alter ego, de geminachte Richard Simillion, die hem in het verdwenen MUSEUM VAN DEN ARBEID zag krijgt hem aan de praat:

 'Eindelijk is het zo ver dat ik aan de slinger kan draaien. De zwarte schijven zoemen, de eerste vonken springen knetterend over. Ik schakel de Leidse flessen in. Ik kan nu vonken maken van een vinger lang. Andere proefnemingen: Het elektrisch klokkenspel klingelt, de vlierballetjes springen op als vlooien. Jongens die durven mogen een voor een naar voren komen, hun vinger bij de machine houden en een schok krijgen. (...) Ik klim op het isoleerbankje, pak een van de nikkelen dwarsstangen. Het wordt stil, niemand had gedacht dat ik dat zou durven, ik voel niets, maar mijn haren gaan rechtop staan. (...) De geur van door elektrische vonken ontstane ozon doordrenkt de atmosfeer van het klaslokaal als een geur van heiligheid. (...) Ze mogen mij altijd hebben uitgelachen en geminacht...'.

 En dan komt het Hoofd der School, die er een gloeilamp op wil laten bran­den, de idioot. Op statische elektriciteit branden geen lampen. Richard waarschuwt vergeefs, zijn proef eindigt in chaos.

 Ik heb de machine ook eens zien werken, in het natuurkunde lokaal van het Gym­nasium Haganum, waar Van den Brandhof ons eerder de Maag­denburger halve bollen demonstreerde. In dat prach­tige lokaal vol oude instrumen­ten in glazen kasten in een ­auditorium met verhoogde banken. Of het nog bestaat betwijfel ik zeer.

 Hij deed het. Er kwam een vonk, balletjes kwamen omhoog. Je mocht het laten knetteren tegen je vinger.  

Tags: 

On an island

 Vroeger heeft nu ook de Engelse verkiezingen verloren, Jarenlang was ik anglofiel. Keek naar de BBC, was verslaafd aan het weerbericht met de  kortademige Ian McCas­kill. Alleen al om hem te horen zeggen, na de aankondiging van buien,  'in p­laces'.

 Nu het eilandenrijk van ons wegdrijft wordt het stil op de Autoroute des Anglais, raakt de 'Chunnel' leeg. Alleen vluchtelingen zoeken hun heil. Hoe lang nog? Vannacht en vanmorgen keerden de tijden van Peter Snow terug met David Dimbleby. En desastreuze uitslagen voor mevrouw May. Oorzaak hoogmoed, zei men. Corpsbal Boris Johnson die ze Brexit aansmeerde liet zich niet zien.

 In zijn Monoloog van een anglofoob legde W.F.Hermans nog zo mooi uit wat een 'public school' is: '...een soort kostschool. De kost bestaat uit havermout, appelstroop en oude cricketballen.' En hij voegde toe: 'Het is bekend dat er op een public school niets maar dan ook niets onderwezen wordt'.

 Maar het mooist vond ik Michael Flanders en Donald Swan over 'buitenlanders': 'It's not that they're wicked or natur­ally bad. It's knowing they're foreign that makes them so mad.' Aldus hun 'Song of patriottic prejudice' (1965)

De splendid isolation van Disraeli is niet meer. Vroeger is nergens meer wat het was. En ik neurie met Ray Davies:

I'm on an island

And I've got nowhere to swim

Oh what a mood I am in

I'm on an island 

Tags: 

Nooit meer slapen

 Toen ik in 1966 Hermans’ roman gelezen had reed ik de zomer erop naar Noorwegen. Het stortregende dagenlang. De eerste dag in de bergen kampeerden we in wat later een steengroeve bleek. Werden gewekt door explosies, waarbij steenbrokken om en op de tent vielen.

 Er rustte geen zegen op de onderneming. Net zo min als op die van Alfred Issendorf. Alfred, de overmoedige en tegelijk onhandige Hollandse geoloog, over wie reisgezel Arne, zoals het slot onthult, zo aardig in z'n dagboek schreef. De film blijft ook in tekst dicht bij het boek. Zodat het amateurisme van de twee bijna ongeloofwaardig wordt. En je je verbaast dat Arne de eigenwijze Alfred alleen de bergen in laat gaan. De datering rammelt helaas wel, rolkoffers maar geen mobieltjes of noodsignalering.

 De overmoed van Alfred en de zwijgzaamheid van Arne balanceren mooi. Arne leeft in een moeilijke balans met z'n rijke vader. Dat wordt z'n dood.

 Niet praten over wat uit de boekversie weggelaten werd. Heel de motivering van Alfred die ook een vader moet passeren komt er bekaaid af.

 Een sterke regievondst van Boudewijn Koole: als filmkijker kijk je met Alfred mee en ziet hem een paar keer vallen en verzuipen, waarna steeds blijkt dat hij zich – bijna als een stripfiguur - toch nog gered heeft.

 Zo breng je het mengsel van angst en overmoed mooi over.

 De lijflijkheid van de Einzelgänger op zijn planeet krijgt - binnen het geologisch kader - overal voorrang.

 Jammer is wel het dagelijks zichtbaar bijgetrimde baardje van Alfred.

Tags: 

J.F.Staal

 De Wolkenkrabber (1932), dat onweerlegbare gebouw aan het Amsterdamse Victorieplein. Een voldongen feit van bouwkunst. Met daarbij de naam J.F.Staal (1879-1940). Meer niet. W.F.Hermans dichtte:

 Een jong rechthoekig plein in lenteblauw.

In 't midden het staafvormige gebouw.

Zijn schaduw wijst geen tijd op 't wijde plein,

Waar meer lantaarnpalen dan uren zijn.

 Het komt uit 'Wolkenkrabber' in Overgebleven gedichten. Hermans situeerde zijn Tranen der acacias deels in het gebouw in oorlogstijd. Overbuurman Piet Schreuders' eerste periodiek De Wolkenkrabber ging over al wat met het gebouw van doen had. Maar wie was Staal? Van Hans Willem Bakx is net verschenen 'Jan Frederik Staal, De wil van het gebouw en de wil van de tijd'. Een charmant en doortimmerd werk, juist verschenen bij de Stichting BONAS.

 Niet over de man zelf, want van Staals leven is weinig. Wel over zijn zeer precieze ontwerpen, ook van decoratie en meubels. Kort voor zijn dood gaf hij naar het schijnt zijn vrouw opdracht zijn persoonlijke documenten te vernietigen. Wel bleef zijn zakelijk archief bewaard.

 Waarom vond hij dat zijn personalia niet moesten worden overgeleverd? Hij meende veronderstel ik dat ‘een man uit zijn werk spreekt’. Dat wat er achter lag de mensen geen donder aanging. Geheel in strijd met wat toen al de tijdgeest vroeg en wat sindsdien erger en erger is geworden: de man achter het werk. Tot het werk verdwijnt achter de man. 

 Filmpjes van een jolige J.F.Staal die zijn dochtertje omhoog gooit of zijn hond aait zijn ons dus bespaard gebleven. Zelfs van zijn vast inspirerende verblijf in het vaderland van de hoogbouw Amerika rond 1902 is nauwelijks iets bekend.

 En dan staat daar de Wolkenkrabber, het twaalfverdiepingen huis waar de geallieerde troepen in 1945 op af rijden als ze Amsterdam binnentrekken. Een landmark tot vandaag. Zo'n gebouw schept zijn eigen verhalen, is een verhaal. Heeft als schepper genoeg aan die monosylabische naam. Bij Hermans lees je wel hoe in de oorlog de waterdruk verminderde zodat er in de hoogte niks meer uit kraan kwam en de verwarming weigerde.

 Esthetiek boven alles. Uitzicht op het Oosten, terwille van het kavel en de symmetrie. Wie wil weten hoe dit monument ontstond - en het andere werk van Staal - leze Hans Willem Bakx. 

De letters van Amsterdam

 De eerste keer dat ik in Amsterdam logeerde was in de Brederod­estraat. Driehoog, zo hoog bouwden ze huizen nergens anders. Later ontdekte ik dat Willem Frederik Hermans in de zelfde straat woonde als kind en net als ik door het Kattenlaantje werd meegevoerd naar het Vondel­park om te wandelen. Hermans maakte een tekening van zo'n huis.

 Als je op het balkon speelde en een autootje in de peilloze diepte liet vallen kwam het in de tuin van een kwaadaardige vrouw terecht en kreeg je het nooit meer terug. Ik studeerde er en logeer nog steeds in Amsterdam.

 In Amsterdam had de melkboer een baard, zaten er brievenbussen achterop de trams en er was een Gemeentegiro, allemaal ondenkbaar in Den Haag. Het eigene van de stad zat hem ook in de letters van de Amsterdamse school en de beelden van Hildo Krop. Piet Koopt Hoge Schoenen had ik snel door, maar Nieuw Zuid bleef me een raadsel. Een Haagse vriend - hij was een kleinzoon van Frederik van Eeden - pleegde zelfmoord niet lang na aankomst in de burgemeester Tellegenstraat, ik dacht om de griezelige cijfers van de huis­nummers.

 Kortom, er was iets. 

 In het Amsterdamse School-museum 't Schip is nu een tentoonstelling van boekomslagen uit de jaren 1910-1930, letters en ontwerpen. Mooi en griezelig tegelijk.

 In oude tijden werd het uiterlijk, het straatmeubilair de ornamentiek, de beelden in steden nog niet uniform bepaald door J.C.Decaux. Er bestond vaak per plaats een stadsstijl. Aan een foto zag je waar hij genomen was. Winkelketens hadden het uiterlijk van straten nog niet overgenomen.

 Amsterdam werd in 1910-1930 een Gesamtkunstwerk, van boekomslagen - nu te zien in Het Schip - tot architectuur. Je woonde als arbeider in een huis van de Amsterdamse school, met een interieur in die stijl en in je Amsterdamse boekenkast stonden Amsterdamse boeken. Daar werd je een beter mens van.

 Die uniformiteit en bedilzucht maakte het griezelig. Riep verzet op. Ook Geert Wilders is een product van de Amsterdamse School.   

Tags: 

Buitenstaanders

 'Het gat-in-de-muur-zusje' heet het eerste verhaal in Extaze. Het nieuwe nummer van het 'Haagse' literaire blad heeft als thema 'Buitenstaanders'.

 Den Haag, stad van buitenstaanders. Ik woon er al heel lang niet, maar Hagenaar ben je voor het leven.

 De gat-in-de-muur-mens, waarmee Cor Gout het nummer opent, priemt een gat in de muur waardoor hij in de belendende kamer kan kijken zonder zelf gezien te worden. Hij haalt Colin Wilson aan: 'De zaak die de outsider aanspant tegen de maatschappij is overduidelijk. Alle mannen en vrouwen hebben gevaarlijke, ondefinieerbare impulsen, maar verbergen die onder een schone schijn, houden zichzelf en anderen voor de gek.'

 Tot slot vertelt Cor hoe zijn in de jaren '70 overleden 'existentialistische' zusje - altijd in het zwart gekleed, veel mascara - zich over straat en in cafés bewoog. Op afstand en tegelijk vurig hopend gezien te worden. Door Jan Cremer misschien.

 Jaren terug reisde een homoseksuele vriend van me naar Cuba en werd daar prompt opgesloten toen hij zijn 'geaardheid' liet blijken. Hij schreef er woedend over in de Volkskrant. Ik vertelde hem toen het verhaal van de vriend van W.F.Hermans die zich in 1942 wilde laten registreren als Jood, zoals de bezetter opdroeg. Waarop Hermans zei: 'Ik zou het ze maar niet aan hun neus hangen'.

 Hij overleefde de oorlog.

 Erkend willen worden als buitenstaander. Het blijft hachelijk. Maar er zijn twee kanten aan. Pilaarheiligen waren heel sociale mensen. Ze lieten zich door bezorgde vrouwen mandjes met eten brengen, die ze mopperend weer lieten zakken als het voedsel ze niet beviel.

Straatnaam

 Vanmiddag is in Enschede de Willem Brakmanstraat onthuld, geopend, hoe zeg je het. De doopplechtigheid, onthulling van het straatnaambordje door zijn zoon Steven, vond plaats kort voor de aftrap van Nederland tegen Chili. Het was stil op straat.

 Heel juist. Willem had een hekel aan teamsport. Zijn broer, met wie hij later levenslang gebrouilleerd raakte voetbalde. Zelf deed hij aan athletiek.

 Hoek H.P.Blijdensteinlaan en Nieuwe Schoolweg, daar stond het gezelschap, op wandelafstand van het Museum Twenthe. Omdat ik bevriend was met Willem weet ik dat zoiets als een straatnaambordje hem geheel in beslag kon nemen. Hij was bijvoorbeeld diep doordrongen van het verschil in aanzien tussen wegen, lanen en straten. De lettering van zo'n bordje, de plaatsing, het was alles vervuld van betekenis.

 Nu nog de plaats. Wij – weduwe Moof Brakman, Steven en Paulien, de genodigden - zagen dat het goed was wat burgemeester Peter den Oudsten had bekokstoofd voor Willem. Een straat noemen naar een schrijver blijft een precaire zaak. De Willem Frederik Hermansstraat in Amsterdam is bijvoorbeeld een aanfluiting, een onbewoonde sleuf van de kade naar de spoordijk. Veelzeggende Amsterdamse onachtzaamheid.

 Er schijnt een regel te zijn dat straten niet van naam mogen veranderen, zodat alleen nieuwbouw in aanmerking komt. Verschilt dat per gemeente? Nee, in Enschede was dat formeel ook wel zo. Aan de burgemeester Den Oudsten vroeg ik hoe hij dan toch dit straatje in een oude villawijk had kunnen regelen. Ingewikkeld. Er was een gedeelte van een bestaande straat losgekoppeld en ziedaar.

 Ik zag Willem zelf hier gaan, op weg naar het museum waar hij zo vaak kwam. Hij bezat een groot vermogen tot zich verkneukelen. En als het om Willem Brakman gaat geloof ik stellig in het bestaan van iets als postume verkneukeling. 

Trein

 Wat ons bezielde weet ik nog steeds niet. Ons grootste geluk was een gesloten overweg. Het rinkelen van de bellen, het knipperen van de lampen om de dubbele kruizen.

 Oom Bob zette zijn zeepgroene tweedehands Sunbeam Rapier stil en wij zagen de spoorbomen dalen. Spoorbomen waaraan rokken van roodwitte metalen strips hingen die bij het dalen ritselende geluiden maakten. Nu keek hij op z'n horloge. En ik wist wat hij ging zeggen:'Ze zijn laat'. 

 Hij kende de dienstregelingen uit z'n hoofd. Alle. Niet alleen die van het personenvervoer die in het spoorboekje stond, ook die van het goederenvervoer. Aan het dreunen van de grond voelden we hem aankomen. We stapten uit en posteerden ons langs de baan. Daar kwam hij. Oom Bob wees me op de loc.

 'Serie duizend'.

 Hij had me het verhaal van de nieuwe elec. locs verteld. Omdat het spoor zijn stroom nog kreeg van het lichtnet kon je 's avonds onder de lampen in de huiskamers het vertrek van de treinen volgen. Een klein dipje in het licht en er was er een vertrokken. Achter de serie 1000 loc daverde een lange goederentrein. Oom Bob moest zijn stem verheffen.

 'Onderlossers.'

 Dit is wat het gedicht 'Trainspotting' van Bart FM Droog dat op de dagelijkse gedichten­dienst Laurens Jz Coster verscheen vanmorgen bij me losmaakte. Net als eerder Hermans’ Bewaakte overweg. Lees. En teken in!

Tags: 

Oesterbar

 Hermansiana. In 1976 maakte ik wekelijks 's middags rond één uur een wan­deling over het Leidseplein met een schrijver die - live op de radio - vertelde wat hij daar had meegemaakt.

 Johnny van Doorn over hoe hij Gerrit Lakmaker de ethersnuiver verjoeg door zijn aanstekertje te heffen. Ether is zeer brandbaar. Remco Campert over Het Leven is Vurrukkulluk en Reijn­ders en zo meer.

 Toen ik hoorde dat Willem Frederik Hermans uit Parijs over was waagde ik het hem via de Bezige Bij te benaderen met het plan een scène uit zijn roman Ik heb altijd gelijk tot leven te wekken. Daar­voor zouden we moeten eten in de Oesterbar, waar in de roman Ik heb altijd gelijk Lodewijk Stegman verwoestingen aanricht - het aquarium sneuvelt oa.. 

 Hermans liet weten dat hij er wel wat in zag. En ik overreedde de Oesterbar om die dag eerder open te gaan. Helaas, kort voor de uitzending belde de Bij namens Hermans af. Hij voelde zich niet goed. Ik deed mijn wandeling met vaste reserve, uitgever Theo Sontrop, die vertelde over zijn favoriete snackbar P.Vijn, begin Leidsestraat.

 Aan het eind keerden wij pratend terug naar Centrum-Bellevue aan de Leidsekade, waar ons opeens een bekend silhouet tegemoetkwam. Het was W.F.Hermans, gearmd met Emmy, die schie­lijk om de hoek bij Americain verdween.

 Wat hier achter zat was denk ik wantrouwen. Eens had ik als student namelijk kritisch over zijn Laatste resten van tropisch Nederland geschreven en hij had me snijdend geantwoord.

Tags: 

Pagina's