Trappen

 Lord Byron was misschien een van de eerste popsterren. Toen de dichter besloot Engeland te verlaten werd hij nagezeten door adellijke dames, die zelfs verkleed als kamer­meisje trachtten zijn kamer in het hotel in Dover binnen te dringen. De romantische dichter schreef verzen per strekkende meter. Ik reisde hem en zijn gezelschap in 1976 na, naar Italië.

 Eerst naar de villa Diodati aan het meer van Geneve, waar meisjes uit de buurt welkom waren en hij in 1816 zijn Childe Harold schreef. En met vriend Shelley bijna verzoop tij­dens een zeiltocht. Daarna naar Venetië waar hij de vrouw van een bakker 'huurde', zoals toen voor de adel daar gewoon was. Ze nam trouwens meteen de huishouding over. Byron reisde over de Alpen en vond ze werkel­ijk adembenemend mooi. Hij had een ongebreideld rijmtalent, het ging vanzelf. Hij leefde ervan. Maar als briefschrijver blijft hij werkelijk over.

 En nu kom ik hem tegen in de uitzonderlijke, verhalende dichtb­undel Trappen. Waarin Sebastiene Postma dichterslevens samenvat in het belopen van trappen, van keldertrap tot Jacobsladder, trapop, trapaf.  De sleutel van dit gedicht: Byron liep van jongsaf mank. Kwam hem op straat een mooi meisje tege­moet dan bleef hij stokstijf stil staan en wachtte tot ze voorbij was. Uit Sebastienes Byron-gedicht:

 'Je moet kreupel zijn om goed trap te kunnen lopen.

De mankepoot zocht om te vliegen

en vallen steeds weer een nieuwe klimmuur als uitdaging.

Hij besteeg zo vaak mogelijk

een warm vreemd lichaam onder hem.

Eerst trok hij zich op aan een ronding of uitsteeksel.

Vervolgens koos hij de dichtstbijzijnde opening als voetsteun

en dan greep hij met zijn linker of rechterhand

een verheffing in de buurt

om zo hijgend verder te klauteren tot

hij op het hoogste punt was aangeland.

De bewegingen van een klimmer

zijn ritmisch en doelgericht.

Wanneer hij kreunend de top had bereikt,

daalde hij weer af naar beneden om het daarna opnieuw te probe­ren. (...)'

De trappen van Sebastiene Postma

 Net kwam ik bij de deuren vandaan of daar waren trappen. De titel van het dichtdebuut van Sebastiene Postma. Deur en trap maken samen een gang. Bij Postma (1957) verbinden trappen de wereld. Gelijkvloers is niets of misleidend.

 Zo zijn er bij haar overtreffende trappen, vergro­tende trappen, wenteltrappen. Bovenaan, onderop. Nu en toen, boven, beneden. Postma treft ze in Angelsaksische poëzie tot in de vorige eeuw. Dat moet haar leeswereld zijn. Waarin dichters optreden als excentrieke oude kennissen. Zoals William Blake (1757-1827), die ook tekende. Aan hem is gedicht nummer II gewijd:

 William Blake voerde diepgaande gesprekken / met aartsengelen en zijn dode broer. / Hij liep vaak met hen van gedachten te wisselen zonder op de vloer te letten. / Zijn tijdgenoten meenden dat hij een rare gek was / maar de prerafaelieten besloten dat het geen gekte was maar genialiteit. / Blake bond de strijd aan met de lagere treden. / Maar ontdekte door hen de onder- / en overschrijding, allemaal mogelijkheden. / De visioenen hingen bij Blake gewichtloos boven / zijn hoofd, trappelend om op te stijgen als ballonnen aan touwtjes. / De ruimte tussen zijn schoenen en de grond / was groter te krijgen. Hij ging steeds naar buiten om te kij­ken.

 Kijk, door het laaghangende wolkendek / boort zich een kurkentrekker van zon schuin naar een pas gemaaid veld. / Balen hooi in plastic liggen verspreid over een paar hectaren. / Al het licht verzamelt zich in die ene wenteling. / De rest van de akkers, de heggen, de sloten, / wordt in schaduw onwaar- / neembaar. De bundel stralen die zich speurend / door de dekking heen wurmt is zo intens / (als een zoeklicht vanuit een politiehelicopter) / dat hij een schacht van boven naar beneden vormt. / Een opening die moet zijn gedacht.

 Wil men naar het hoogste / dan is de ladder de baar.