Het Parijs van Sarah Hart

 Hoe zou je het best een stad kunnen beschrijven die je goed kent? Het antwoord vind ik in het boekje 'De straten van Parijs' van Sarah Hart, die in Ierland en Engeland opgroeide en op haar twintigste, zoals ze zegt, Parijs cadeau kreeg.

 Een geschenk dat ze 'twintig jaar mocht houden'. Ze beschrijft haar Parijs alsof ze er wandelt, van blikpunt naar blikpunt.

 Haar eerste keer was toen ze met familie, komend uit de Pyreneeën als het ware 'Parijs werd ingezogen'. In Frankrijk en ver daarbuiten leidden toen immers alle wegen naar Parijs.

 Ze woonde in de Rue des ecoles, samen met Rudy Kousbroek. En  schrijft nu over haar plekken daar. Zoals geschilderd door Caillebotte in 'Sur le pont de l'Europe': 'Met de man met de hoge hoed die is blijven stilstaan om door de enorme kruiselingse metalen steunbalken te kijken.' Je kijkt daar naar de treinen.

 Hoe begon haar wonen in Parijs? Alles goed, als het maar in het centrum was. Haar eerste kamer 'was oorspronkelijk misschien een kast geweest, maar toch eerder een toilet, halverwege de trap tussen de voordeur en de rest van de flat. De eigenaar van de flat had de meubels gemaakt, die allemaal tegen de muren konden worden opgeklapt als ze niet gebruikt werden (...). De kamer was net zo groot als het bed, plus net genoeg ruimte om deur open te doen: was je eenmaal binnen, dan moest je op het bed klimmen om de deur weer dicht te doen.'

 Er zijn 230 exemplaren van De straten van Parijs nu te koop  bij liefhebberswinkels. En, dit moet een begin zijn, ik wacht geduldig op het vervolg bij uitgeverij Fragment. 

Literair Zutphen

 Dat ik de laatste tijd vaker in Zutphen rondkijk, de stad waar ik tot m'n zesde opgroeide, komt door verhalen die ik schrijf, waarin ik huizen, straten, vrouwen en de dood al vroeg ontmoet.

 De meest exotische straat van Zutphen was de Rozenhoflaan. Een smal, dichtbegroeid laantje met chique 19de-eeuwse huizen waar mijn artistieke tante Karin Waardenburg woonde, voor ze naar de Martinet­singel ver­huis­de - ook een schrijver.

 Op de site Literair Zutphen van Hans Heesen, die vorige week plechtig in de Broederenkerk werd geopend vind ik nu dat niet alleen mijn tante daar woonde, ook Paul Rodenko, de dichter en bewerker van de 'vrijmoedige' 1001-nacht bewerkingen die door scholieren werden stukgelezen woonde er.

 En even verderop aan de Coehoornsingel 58 de sinoloog en door Rudy Kousbroek bewonderde schrijver van de rechter Tie verhalen Robert van Gulik, uit wiens werk Umberto Eco putte voor zijn Naam van de Roos.

 Een ontdekking is ook dat D.A.M. Binnendijk, bevriend met Ter Braak en aan het Vossius­ gymnasium de veelgeprezen leraar Neder­lands van de broers Van het Reve, op wie Hanny Michaelis in haar school- en onderduiktijd zo ver­liefd was, de zoon van een deftige Zutphense hoteleigenaar was - Grand Hotel du Soleil aan de Zaadmarkt.

 Voor Jacques Bloem en Clara Eggink moet je wat verderop zijn, aan de Deventerweg 143, vlak achter de Heeckerenlaan 49 waar ik woonde. Mijn moeder kende ze en ook zij staan op Literair Zutphen.

Rudy en Gerard (2)

 Waarom schreven Rudy Kousbroek en Gerard Reve elkaar brieven? Rudy's aandeel is er. Van dat van Gerard nog maar gedeelten. Bijna iedereen, man of vrouw, werd verliefd op Gerard. Het is ook tussen Rudy en hem een liefdesgeschiedenis, anders kan ik het niet verklaren.

 Rudy bewonderde in Gerard vooral de romanschrijver die hij zelf niet was, al deed hij veel pogingen. Hij bekende me eens dat hij over de Japanse bezetting de roman 'The enemy' schreef die door Amerikaanse uitgevers werd geweigerd. Het leek wat op Ballards 'Empire of the sun', waarin een Engels jongetje in Shanghai de Japanse bezetters bewondert, zoals Rudy dat deed op Sumatra.

 Wat Rudy tegenstond was Gerards bekering tot het katholicisme. Hij ziet denk ik niet hoe bij Gerard geloof en literatuur een geheel vormen en gaat er met de traditionele argumenten tegenin. Vroeg of laat zou volgens Rudy het mysterie, het wereldraadsel wel door de wetenschap worden opgelost.

 Toch was Rudy, in Reviaanse termen, wel degelijk 'katholiek'. Zijn irrationele dierenliefde getuigt daarvan en zijn karper die zich liet liefkozen was in Gerards termen zeker een 'katholiek dier'.

 Veelzeggend is dan Rudy's brief van 11 februari 1979, in de tijd dat Reve psychotherapie onderging bij Jan Groothuyse. Waarom? 'Ik zou zo met je willen ruilen, jij mijn gevoelens en ik de jouwe. Zo lijkt het mij tenminste, maar mijn gevoel voor eigenwaarde is op zijn laagst en ik weet eigenlijk niet met wie ik zou willen ruilen.' 

Rudy en Gerard (1)

 De brieven van Rudy Kousbroek aan Gerard Reve zijn er, Gerards aandeel in de briefwisseling is bij Joop en komt nog wel. Rudy was een bewonderaar. Hij vond Bezorgde Ouders Gerards mooiste boek.

 Ik heb veel radioprogr­amma's met ze gemaakt. Rudy deed onder meer mee met Music-Hall en zijn deel­name aan de lange afsluiting van de serie over Phil­ips-Holland Indië was memorabel. Met Gerard nam ik De Avonden op, en een keus uit zijn gedichten met toeli­chting.

 Rudy en ik kregen het over 2CV's, R4's en sloperijen. Toen ik eens moest bekennen dat ik een nieuwe kleine Peugeot had gekocht zei hij 'laten we afspreken dat jij altijd in een 2CV rijdt.

 Ons eerste contact ging over de Zingende Honden. Hij had geschreven over de diepe ontroering die hem beving. Ik kende Don Charles and his Singing Dogs en stuurde hem een kopie van het epeetje. Daarbij moest ik uitleggen hoe Charles een verzameling hondenblafjes op verschillende toonhoogten had vastgelegd op geluidsband en aan elkaar geplakt, waarna hij een orkestje het resultaat had laten begeleiden. Dan hoorde je Oh Susannah gezongen door een hondenkoor. Weer schoten Rudy de tranen in de ogen. Die combinatie van techniek en emotie was hem ten voeten uit. 

 Het zelfde gebeurde toen hij mij zijn katapult, gemaakt van een Bahco, demonstreerde. We schoten ermee op bomen in zijn Leidse tuin. En raak. Goeie katapult.

 Toen Gerard eens tijdens een nachtelijke wandeling in Frankrijk pesterig vroeg 'waarom zingen de vogels zo mooi, denk je?' en Rudy de vogelzang haarfijn uitlegde zei Gerard 'Welnee, om zijn Schepper te loven natuurlijk'. 

 ps. Dit laatste uit het hoofd, waar stond het ook weer? ps2. Het gesprek wordt vermeld in een brief aan Rudy, opgenomen in 'Zondagmorgen, zonder zorgen' en in ''Het boek van Violet en Dood'. 

Spelen

 Eric de Kuyper schreef een aanstekelijk boekje over acteren: 'Het samenspel tussen Dr. Jekyll en Mr. Hyde'. Hij acteerde zelf en schreef veel over film en toneel.

 Toneelspelen heet niet voor niets zo. Je speelt als kind al dat je een ander bent. Acteurs als Dirk Bogarde werden schrijver, omdat ze zich hadden leren inleven. Andersom worden schrijvers graag weer spelend kind. Rudy Kousbroek maakte zijn katapult, W.F.Hermans repareerde zijn vloeistofduplicator. De tekst deed er niet toe: 'O wat had die beer een honger, o wat had die beer een dorst. Gauw een glaasje limonade en een boterham met worst.' Als de duplicator maar werkte. Net als in de hoorspelstudio waar kreukend papier knetterde als vuur, veel beter dan opgenomen echt vuur, Een wiebelende plaat ijzer is nog steeds het beste onweer.

 Als kind leerde ik na Nederland-België de straat op te rennen en een spelersnaam te claim­en. Riep je als eerste 'Ik ben Faas Wilkes' dan was je hem. Zo voetbalden wij als het Nederlands elftal verder.

 Wat De Kuyper schrijft over zijn tante Jeannot, die zo graag naar het theater ging is zo waar: ook de weg erheen en terug hoorden bij de voorstelling. We acteren alle dagen. Soms neemt een rol je over. Toen ik 'The remains of the day' had gezien was ik op de terug­weg veranderd in Anthony Hopkins als butler. 'Of course mylady.'

Fantoom

 Een selectie gedichten van Emily Dickinson werd - samen met werk van haar geestverwante Edna St.Vincent Millay - vertaald door Ans Bouter. En zie mijn favoriet is er ook bij. Dat kwam zo. Ik schreef een stukje, lang voor telefoontjes ook opschrijfboekjes werden. Dat zo begon:

 ‘In de auto, ter hoogte van Overveen, kreeg ik een briljant idee. Inzicht zette de omgeving in hel licht. Maar ik had geen opschrijfboekje bij me. Meteen voel ik me geamputeerd. Een opschrijfboekje behoort tot mijn standaard extra lichaamsdelen. En nu miste ik de simpelste prothese. Het gevolg was fantoompijn. Ik voel de pen en het boekje in mijn vingers, maar ze waren er niet. Ik sloeg af naar de dorpskern maar het kopen van een opschrijfboekje bleek in O. niet eenvoudig. Na veel zoeken en keren vond ik in een souvenirzaak toch nog een klein notitieblok. Maar nu was ik vergeten wat ik zo nodig moest opschrij­ven. Ik bekijk het blok, alsof dat het me kon vertellen. `Schrijfblok' stond erop, `100 vel A7, chloorvrij gebleekt'.

 Van het idee heb ik niets meer vernomen. Misschien kwam het weer langs, maar herkende ik het niet als dat van bij Overveen, misschien omdat het alleen daar, ter hoogte van Over­veen, op die dag, op dat uur, geldig was. Misschien was het ook alleen daar  heel even briljant en trok het zich daarna, in alle bescheidenheid, voorgoed terug.’

 Rudy Kousbroek stuurde me toen dit - mij onbekende - gedicht van Emily Dickinson:

 A THOUGHT went up my mind to‑day

That I have had before,

But did not finish, -some way back,

I could not fix the year,

           

Nor where it went, nor why it came       

The second time to me,

Nor definitely what it was,

Have I the art to say.

             

But somewhere in my soul, I know

I`ve met the thing before;    

It just reminded me -`t was all-

And came my way no more.

Boekenkast

'Terwijl ik dit tik verandert Kees een kleerkast in een boekenkast. In mijn alkoof. De zoveelste tijdelijke oplossing voor het boeken opbergen. De volgende vraag zal zijn hoe.

 Nu al zie ik dat heel het huis hierdoor verandert, het licht onbekende plaatsen bereikt. Ik zal straks onthand wakker worden.

 Landmeters met driepoten in gele jeks aan de straatoverkant meten en noteren voor de Noord-Zuidlijn. Straks krijgt Kafka's landmeter K. in Das Schloss zijn nieuwe plaats. Een schrijver is een landmeter. Eigenlijk zou Kehlmanns die Vermessung der Welt er straks naast moeten staan. Omdat dit stukje nu naast dat boek hoort.

 Met Rudy Kousbroek heb ik eens de boekenordening uitputtend besproken. Hij schreef er over in 'Een kuil om snikkend in te vallen' (1971). Zijn uitgangspunt was het geheugen. Hij zei 'Ik zoek een boek op de plaats waar ik het het laatst in handen heb gehad, voor een krantenstuk. Het gevolg van opruimen is altijd verhoogde onvindbaarheid, omdat je je steeds eerdere opbergplaatsen herinnert.’ En zo lag zijn huis vol samenhangende stapeltjes boeken en documenten die niet van plaats veranderd mochten worden. Natuurlijke groei. Laten aanslibben.

 Kees doet het in z'n bus, die nu voor de deur staat, net zo. Al zijn gereedschap is terug te vinden op de plaats waar hij het het laatst neerlegde.

 Niet ordenen dus, straks, op taal of op onderwerp ofzo. Wat op de grond of op tafel ligt kan zo de kast in.

 Nog even bekijken dan. Ah, het Spookluchtschip. Naast Kehlmann dus.

 

Uitmarkt: kunst en snoep

 Snoep of kunst? Als je het aan de mannelijke bezoekers van de Uitmarkt overlaat is de keus niet moeilijk. Vooral mannen, zag ik, wenden eerst belangstelling voor, voor het mooie kunsttijdschrift – nu over Munch en Van Gogh - maar doen dan een besmuikte greep in de bak met Engelse drop, jujubes en tumtum naast de stapels Kunstschrift.

 De meeste mannen zonderen zich af en wachten kauwend tot hun vrouw een nummer heeft aangeschaft. Temminste zo ging het vorig jaar. Vanmiddag mag ik weer helpen in het kraampje, ditmaal in de Hobbemastraat.

 Winkeltje spelen is het. Zoals kinderen bekertjes limonade verkopen op Koningsdag. Met een geldkistje, groen van buiten, rood van binnen.

 En, als je regelmatig wat schrijft voor Kunstschrift, een unieke kans oog in oog te staan met je lezers. Want die komen ook langs. En praten graag over hun blad, waar ze al jarenlang ‘lid’ van zijn. Ongesubsidieerd mevrouw, nooit een cent aan de overheid gevraagd.

 Ik dacht aan wat Remco Campert eens vertelde over het autoritje dat Rudy Kousbroek – net uit Parijs naar het vaderland teruggekeerd – en hij op een zondag maakten door Noord-Holland. ’Kijk Rudy,’ zei de oude vriend pesterig, wijzend op een rijtje nieuwbouw, ’daar wonen nu je lezers.’

 Kousbroek zweeg bedremmeld.

 Franse filosofen, die altijd binnen zitten, beweren wel dat de moderne mens geen verschil meer ziet tussen media en de ’echte’ werkelijkheid. Franse filosofen lusten geen Engelse drop.

Het landschap van Wim Brands

 Het landschap van de jeugd van Wim Brands heeft een grafische helderheid. Hij groeide op in een Veluws gehucht. Je hebt de Ijsselbrug. Aan de overkant ligt de stad Zutphen waar hij naar het Lyceum ging.

 Zo vind je het in zijn pasverschenen boekje 'De onverharde weg'. De ene kant, de andere kant. Wim komt van Voorstonden, waar hij thuis was, insider. Hij weet van het bos, is vertrouwd met Heideggers Holzweg. Op een Holzweg, ontstaan bij houtkap, kan hij zich thuisvoelen als Rudy Kousbroek in het niet meer bestaande huis waar hij precies de weg wist. 

 Naar de stad was een eind fietsen. Daar werd hij out­sider.

 Het verlangen naar de overkant verdwijnt niet door er heen te gaan. De eenzelvigheid van de dorpsjongen ook niet. In dit boekje laat hij zien dat dat altijd zo blijft. De tekeningen van Cornelius Rogge zijn daarbij welsprekend.

 Het toeval wil dat ik zelf voor mijn negende jaar eerst in Zutphen en daarna in Eerbeek, even voorbij Voorstonden, heb gewoond. Zodat ik na lezing van 'De onverharde weg' uit eigen ondervinding kan zeggen, ja zo is het. 

 De onverharde weg verscheen bij de Geitenpers in Brummen. 

Geluksschemering

 Waar in het openbaar leven - of sterven – in deze tijd geldt als het hoogst bereikbare streefde de Franse schrijver Raymond Queneau naar het omgekeerde: de geluksschemering.

 Zijn helden verdwijnen in ja wat? Rudy Kousbroek vertaalde en bewerkte zijn 'Stijloefeningen' (1947), waarin de zelfde gebeurtenis op 99 manieren wordt beschreven. En wat gebeurt er? De personages verdwijnen, verdwijnen in de taal.

 Er wordt naar verwezen in het net verschenen Groot retorisch woordenboek, ofwel 'Lexicon van stijlfiguren' van Paul Claes en Eric Hulsens. Wat stijl vermag.

 Queneau’s geluksschemering, zegt Rudy, schuilt in de anonimiteit. En hij haalt Karel van het Reve aan, die opmerkte 'dat hij er blijkbaar zo onopvallend uitziet dat niemand zich met hem bemoeit als hij een winkel binnenkomt of in een restaurant wacht om bediend te worden'. Wat ook voordelen heeft, zoals tijdens de oorlog bleek: '…bij bv. een razzia werd hij over het hoofd gezien, bij controles met een afwezig hoofdknikje doorgelate­n.'

 De hoofdpersoon van Stijlfiguren verdwijnt in de 99 manieren waarop het voorval wordt beschreven. Hier in de versie 'Achterstevoren':

 ‘Je zou een extra knoop aan je jas moeten zetten, zei z'n vriend hem. Ik kwam hem midden op het Jan Willem Brouwersplein tegen, nadat ik hem het laatst gezien had toen hij vol belustheid op een lege zitplaats afstormde. Hij had net staan protesteren tegen het duwen van een andere passagier die, naar hij zei, telkens tegen hem op botste als er iemand uitstapte. Dit broodmagere jongmens was de drager van een bespottelijke hoed. Een en ander speelde zich af op het achterbalkon van een afgeladen lijn 16, op het middaguur.'

 Ik las hierna ook de andere 98 versies en verdween - met hoofdpersoon en tram en al - in Queneau's geluksschemering. 

Pagina's