Rik Wouters in Amersfoort

 In het mooie Flehite museum in Amersfoort zijn de laatste jaren van Rik Wouters (1882-1916) te zien. Die in 1914 gemobiliseerd werd en tenslotte als soldaat in Nederland belandde, in het kamp Zeist.

 Steeds van nabij gevolgd door zijn geliefde Nel, die hij bleef tekenen en schilderen, waar en wanneer ook. In het kamp Zeist, en later in hun verdieping aan de Kostverlorenkade. Terwijl hij leed aan kaakkanker en geopereerd werd, laatstelijk in het Prinsengrachtziekenhuis.

 Plekken die ik van nabij ken. Rik staat me na. En de expositie is uitstekend, de catalogus ook, er zijn goeie dingen bij uit de korte tijd die Nel en hij beleefden in de Brusselse Bezemhoek, in Bosvoorde.

 Wouters werkte als een bezetene, achtervolgde Nel met pen en penseel, orders gevend als 'zo blijven zitten'. En dan zat ze daar lange tijd aan de naaimachine, driehoog aan de Derde Kostverlorenkade nummer 37.

 Gelukkig werkte Rik snel. Hij gebruikte weinig verf, liet het wit van het doek meespreken. Hij heeft nog geëxposeerd in Nederland, ook in het Amsterdamse Stedelijk, een tentoonstelling die hij - inmiddels doodziek - nog net heeft kunnen zien. Daarna moest hij weg met een taxi.

 De begrafenisstoet, met grote Belgische schilders en dichters, trok van het ziekenhuis naar de katholieke begraafplaats tegenover waar nu de Rietveld academie staat. 

 In 1924 is hij herbegraven op het kerkhof van Bosvoorde in een graf met meerdere ''oorlogsslachtoffers''..

Tags: 

In Amsterdam

 Het Amsterdam Museum laat met Made in Amsterdam een keus zien uit wat kunstenaars in de hoofdstad de laatste eeuw maakten. Meestal mensen van elders. Hollanders van buiten de s­tad, Belgen als Rik Wouters die hun land in de Eerste Wereldoorlog ontvluch­tten, Duitsers als Max Beckmann en fotograaf Erwin Blumenfeld in de Tweede.

 Amsterdam als onderkomen, had het ook kunnen heten.

 Vreemde ogen op het bekende, dat maakt het boeiend. Helaas is er van Rik Wouters geen zicht op de Kostverlorenkade waar hij z'n laatste weken leefde.

 Het begin van de uitvoering van het Plan-Zuid is er. En de idyllische stadsranden die daar waren voor de nieuwbouw ze wegvaagde. Nog steeds zijn enkele boerenhuisjes, ingeklemd tussen de bebouwing van West of aan de Overtoom, de getuigen.

 De plek waar in 1928 het Olympisch Stadion kwam, de Amstelveenseweg van Jan Sluijters wordt een sprookje. Het Vondelpark van Gustave De Smet in 1915 niet minder.

 Maar dan begint wat ook Breitner gedaan heeft, de bouw. Hier van het Betondorp door Pieneman uit 1923.

 En er is een prachtig ingetogen portret van de 'dichter' van de Amster­damse School Michel de Klerk (1921), wiens werk pas nog in het Stedelijk stond en hing.

 Geen grachtengordel hier, en je mist hem niet.

 

Henri Evenepoel

 Tekenende, schilderende Belgen. Bij mij begon het bij de strips, van Hergé en Willy Vandersteen. Vandaar koerste ik naar het Lam Gods, Van der Weyden en Memling en de laatste jaren kwam ik hinkstapspringend via Rik Wouters bij Edgard Tytgat, die heel het scala tussen strip en schilderkunst omspant.

 En nu Evenepoel. Ik ontdekte hem al op de Kunstberg bij 'De eeuw van Brussel'. Eric Min, biograaf van Wouters en Ensor, Brusselomaan, was al een onmisbare gids. Zaterdag verscheen zijn biografie van de jong gestorven schilder en opmerkelijke fotograaf (1872-1899). Waarin de in Nice geboren Belg Parijzenaar wordt, een begin van succes heeft en bevriend raakt met oa. Matisse.

 Ze trekken veel samen op. Hij is dan drieëntwintig en Matisse vijfentwintig. Als Evenepoel zijn inzending voor een salon klaarmaakt helpt Matisse met sjouwen, van oa. een zwaar opgerold werk van Evenepoel: 'Dan wordt het dozijn schilderijen dat naar de Champs de Mars vertrekt langs de trap naar beneden gebracht. Terwijl Henri samen met Matisse de zware rol naar de entreehal van het expositiegebouw draagt - een voettocht van minder dan een kilometer - laadt hun vaste lijstenmaker Dosbourg de andere werken op zijn karretje. Na de lunch zullen de kunstenaars nog enkele uren bezig zijn met uitpakken en monteren.'  

 Later, als Matisse op Corsica zit wisselen ze commentaren op elkaars werk. Vier ontwerpen die Matisse stuurt vindt hij niet goed: 'Schilderkunst buiten adem is het, werken die je tot het uiterste drijven, en die met knarsende tanden geschilderd zijn. Toen ik ze voor het eerst zag was ik uit mijn lood geslagen - elles m'ont tué! Ik voelde me een burgermannetje.'

 Kort daarna sterft hij aan tyfus. Een halve eeuw later pinkt Henri Matisse nog een traan weg als hij aan hun samenzijn terugdenkt.  

De Belgen komen!

 Het is 2014 en nog is de Grote Oorlog voor Nederland een blinde vlek. Toch vluchtten in 1914 duizenden militairen, Belgische en Engelse - vergeefs ingezet om Antwerpen te verdedigen - naar Nederland. En duizenden burgers. Waar ze onmiddellijk in kampen werden opgeborgen.

 Terwijl de Duitsers Luik, Mechelen, Leuven en Antwerpen in de as legden - represailles omdat de Belgen terugvochten - bleef Nederland angstvallig neutraal en ontsprong de dans. De schilder in uniform Rik Wouters schreef zijn vrouw Nel in augustus 1914 vanuit Luik, waar zijn regiment door de Duitsers overlopen werd: “Ge weet dus van Jules dat ik niet gesneuveld ben, gelijk dat ze in Brussel van mij zeggen. Ik ben zelfs kunnen vluchten dankzij de laffigheid van onze commandant, die van de eerste occasie heeft geprofiteerd om zich terug te trekken, maar spijtig genoeg was het om ons op een weg te doen uitkomen waar er langs drie kanten op ons geschoten werd, terwijl dat de Duitsers niet te zien waren, doordat dat klein wegeltje afgeboord was met een hoge, dikke haag. Langs alle kanten vlogen de kogels over onze kop en velen hebben daar spijtig genoeg hun dood gevonden en ik peins zelfs dat de commandant de eerste van allemaal was. Daarna sloegen we allemaal op de vlucht en het was en 'redde wie zich redden kan'.”

 Er vluchten 250.000 Belgen via Vlissingen naar Engeland, ruim een miljoen kwamen naar Nederland. Burgers en - dienstweigerende of gedeserteerde militairen werden gescheiden en kwamen - ook Rik Wouters - deels in Kamp Zeist, het grootste van Nederland.

 Het en­thousiasme van de opvang sleet. De vluchtelingen hadden zich te schikken naar strikte voorschriften. Belgen die zelf wat geld hadden mochten gaan waar ze wilden. De minderbedeelden ‑ veruit de grootste groep ‑ waren verplicht zich dagelijks in hun kamp te melden, met een speciale sectie voor criminelen en dames van lichte zeden. Die laatsten kwamen samen met de categorie 'minder gewenste elementen' in Nunspeet terecht.

 En nu herdenkt Rotterdam feestelijk de komst van de Belgen. Op zondag 19 oktober as. komen 100 Belgen, honderd jaar later, weer per trein naar Rotterdam. En er worden 100 vrijwilligers gezocht voor het ontvangstcomité. Feestelijk? En vanaf 4 oktober is er een expositie in Flehite in Amersfoort. Tja.

 Het Flanders Fields museum in Ieper krijgt nog steeds uit Nederland zijn minste bezoeke­rs. 

Tags: 

Bohème

 Vanmiddag bij de piekfijne tentoonstelling in Mechelen vloeiden de verhalen ineen. De koppen die Rik Wouters van Nel, hemzelf en z'n vriend Edgard Tytgat maakte raakten aan de praat met Nescio's Japi en Bavink. Van de Jan Steenzolder vloog ik naar de Bezemhoek, alles tegen 1910.

 Lezend in de Wouters-biografie van Eric Min (2011) zit ik in Nescio's Buiten-Ij, waar Lien ('uil!') de jongens voordoet hoe je een vet bord afwast. Nel, 'het velours madammeke' is een levende Lien die het huis­houden, eten en drinken van de vele langskomers bestiert: 'Onze vrienden zijn zo arm als wij. Iedereen brengt iets mee: een half pakje koffie of suiker, wat thee.' Stoken doen ze van sprokkelhout uit het Zoniënwoud.

 De discussies over kunst duren vaak tot 's nachts: 'Rik zit dan op de rug van zijn stoel als op een tribune in het parlement, met zijn voeten in dikke grijze sokken op de zitting en zijn klompen eronder.' De laatste tram is al lang weg en het is twee uur lopen naar de stad. De buurt ziet ze eerst aan voor terroristen of een religieuze sekte. De gelijkenis met Nescio gaat verder: Bij het naburige Sint-Pieters Woluwe ontstaat in 1905 een kleine anarchistische kolonie die zich later verplaatst naar de Bezemhoek. En een Uitvreter is er ook, Emile De Mets, die op de canapé blijft slapen en de volgende ochtend het brood blijkt te hebben opgegeten, getuige zijn briefje 'Het heeft gesmaakt'.

 Morgen in de Avonden meer.

Rik en Nel

 Morgen naar Mechelen, naar Rik Wouters in het Schepenhuis, dat de doeken uit het Antwerpse KMSKA te leen heeft, zolang dat verbouwd wordt (tot 2017!).

 Wouters was de zoon van een Mechelse houtbewerker en meubel­maker en begon met kerven in de vaderlijke werkplaats. Ik ga zien waar dat was. Ook al omdat Rik er uit geldnood tij­delijk heeft ingewoond met Nel, zijn bruid en model. Dat liep verkeerd.

 Rik Wouters leerde het vak in de tijd dat heel de Belgische woninginrichting vol zat met ornamentiek en gipsen lofwerk.

 Ze vluchtten terug naar Brussel. En landden Bos­voorde, in het wijkje 'De Bezemhoek' aan de rand van het Zoniënwoud. Waar Rik zijn mooiste werk maakte. Bekend is het ook van de houtsneden die vriend Edgard Tytgat in 1916 als In Memoriam voor Rik maakte van de mooie dagen die Nel, Rik en hij er beleef­den. Boterham­men met platte kaas en wan­delingen naar de kapel van O.L.V. van de Welriek­ende.

 Een paar jaren zijn ze gegund, dan is het augustus 1914. Nel schrijft: "Ikzelf had nooit serieus gedacht dat het werkelijk oorlog kon worden.. In het midden van de nacht, rond twee uur 's oc­htends, wordt er gebeld en met de vuisten op de rolluiken getrommeld: 'Mijnheer Henri, vooruit!" roept de veldwachter. "Hier is uw oproepingsbevel, ge moet zo snel mogelijk vertrekken."

 Twee jaar later sterft Rik Wouters. Hij ligt in een ver­zamelgraf met 'oorlogsslachtoffers', op een klein kerkhof aan de bosrand, daar om de hoek.

Kostverlorenkade

 Wie kans ziet moet naar het Schepenhuis in Mechelen, om de Rik Wouters (1882‑1916) tentoonstelling te zien. Zoveel schilderdrift binnen zo'n kort leven.

 Tot zijn dood ‑ aan de Derde Kostverlorenkade 73 ‑ in Amsterdam. Waar hij in het Prinsengracht-ziekenhuis nog één keer vergeefs geopereerd werd aan oogkanker en voor hij wegzakte in chloroform de artsen liet beloven dat hij ze zou mogen schilderen, zoals ze daar om z'n bed stonden. Als een anatomische les?

 In 1914 overleefde hij als dienstplichtige de zware beschieting en inname van Luik. Daarna werden alle Belgische militairen die naar Nederland vluchtten geïnterneerd in grote, miserabele kampen, hij in Zeist, want wij waren strikt neutraal, dat moesten de Duitsers weten.

 Rik kwam als zieke tenslotte met z'n vrouw en model Nel in Amsterdam terecht. Waar hij bleef schilderen tot het eind. Ik lees brieven, als deze, uit het kamp Zeist, van 12 november 1914: 'Allerliefste Nel, Uw brief van gisteravond kwam juist op tijd. Ik was toch zo triest. Dat kwam zeker door het slechte weer en door mijn koppijn waar ik erg van afzie. Kunt gij voor mij ietske kopen bij de apotheker en het mij opsturen. Als we op rapport bij de dokter gaan, moeten we eerst minstens twee uur wachten in weer en wind en ge weet dat ik daar grote zeer van krijg.. (...) Vele kuskes voor u, Rik'  

Tags: 

Honger

 Heb ik nooit gehad, wat vreemd is in een tijd dat kranten vol staan met recepten. Ik ken ook weinig getuigenissen van echte honger.

 Eens las ik over de 'dirt eaters' in Louisiana, Alabama, Misis­sippi, crisistijd. Dirt is grond. Het waren mensen die grond aten om tenminste iets in hun maag te hebben.

 Nu, in het verslag van de vroege jaren van de schilder Rik Wouters en zijn kameraden kom ik iets ervan weer tegen. Ook Wouters heeft met kiezelstenen in zijn mond rondgelopen. Geen geld, lege maag. En dan moeten bedelen. Riks vrouw en model Nel kon het.

 'Grote miserie' aan de Stationstraat 26 in Watermaal, het is 1905 als ze daar trouwen. Rondkomen lukt niet en al na twee weken moeten ze bij de nurkse - ook al arme - vader Wouters in Mechelen intrekken. Lastig, want Nel is nogal ongedurig: 'Liever alle miserie van de wereld dan mij nog verder op mijn kap laten zitten door die vuile bourgeois van een vader van hem. Ik zal hem eens laten zien dat een stuk model uit de goot sterk genoeg is om de carrière van een schilder te begrijpen en vooruit te helpen...'.

 Terug naar Brussel dus, kome wat komt. Nel schrijft haar vriendin Mitje om geld: 'Eindelijk zijn we terug in Brussel maar in wat voor miserie. Ik ben bij mijn moeder en Henry (Rik) bij een vriend. We zijn het afgetrapt na een grote ambras met de vader en we hadden nog juist genoeg geld voor de trein. Ondertussen werkt hij maar en krijgt hij geen geld om te leven. Maar bon, gods wil geschiede..

 En nu over zaken: ge zoudt bij de vader van Henry moeten gaan om hem betaling te vragen van wat ik u nog moet plus de rok van 3,25 frank. Maak hem een klein rekeningske, inkaseer en stuur mij dan die 3,25 frank. Het is toch voor brood en boter voor Henry...'.

 'Inwonen'. Een woord, een wereld.

Tags: 

Edgard Tytgat

 Is een schilder die niet anders kon of wilde dan de kroniek van z'n leven tekenen, schilderen en ook schrijven. In z'n vroege jaren woonde hij vlak bij z'n vriend Rik Wouters en diens vrouw en model Nel in Watermael, aan de zuidrand van de stad.

 Ze waren straatarm. Toen de eerste Wereldoorlog uitbrak vluc­htten Rik en Nel naar Amsterdam, waar hij in 1916 stierf. Edgard maakte ter nagedachtenis in Londen een diep ontroerend boekje met teksten en kleurhoutsnedes, getiteld 'Quelques images de la vie d'un artiste', waarin hij hun gelukkige jaren sinds 1907 vastlegde.

 De wandeling naar de kapel aan de Welriekende Dreef, waar ze boterhammen met platte kaas aten, Nel altijd in haar roodwitte – van vele schilderijen bekende - strepenjurk. En ook hoe Tytgat poseerde voor een beeld van Rik dat helaas nooit af kwam omdat hij naakt moest staan en het voortduren vroor en zeer koud was.

 Eens, schrijft Tytgat, vertelde Rik onder het werk over een droom die hij had, van een prachtig kasteel en tekende het meteen op de muur van het atelier. Natuur­lijk lagen Nel en hij in een hemelbed in dat kasteel. Tytgat (1879-1957) legde ook dit verhaal vast in kleurhoutsneden.

Oscar Jespers (3

 Rik Wouters kon zijn Nel te allen tijde vragen in die houding stil te blijven staan, precies zo, met dat strijkijzer in de hand. En dan schilderde hij haar.

 Van Rik is bekend dat hij bij Oscar Jespers op atelier kwam en daar een beeldje in klei zag ontstaan waaraan naar zijn idee teveel franje zat. Hij nam een mes en streek ze weg. Die strakke vorm heeft Jespers nooit verlaten.  

 Maar daarbinnen lukt het hem altijd het eigene te treffen. Van vrouwen vooral. In net dat ene trekje om een oog, juist die houding. Het grafmonument voor zijn vriend Van Ostaijen is uitzonderlijk. Ik ken er geen tweede zo. Een liggende man. Op z'n zij. Met open ogen. Hij is niet dood, eerder in gedachten verzonken. Het heeft ook een titel: Engel. Maar nee, ik moet beter kijken. Het is een engel. Hij vliegt.

 Het is de zelfde nabijheid die je bij Wouters en Tytgat treft.

 In 1962 maakte Oscar Jespers een dubbelbeeld waar ik in Hilversum dagelijks voorbij kwam. Peter Flik fotografeerde me tussen het tweetal omstreeks 1969. Het stond aan de Heuvellaan, voor de oude VARA-studio. Dat het van Jespers was stond er niet bij. Nu leer ik dat het 'Kijken en luisteren' heette. Het is verdwenen. Verblijfplaats onbekend.

 

Pagina's