Staatsieportret

 Kortgeleden zag ik van Arie Schippers kleine schilderijtjes in zwartwit van wat niet anders konden zijn dan schrijvers, filosofen of geleerden. Waar zag ik dat aan?

 Het waren hun ‘iconische’ houdingen - hand onder de kin, pijp in de hand, vorsende blik - die van het staatsieportret zoals ze tot de tweede Wereldoorlog en nog kort daarna gemaakt wer­den. Ik zei hem dat, hij keek er van op, had ze zonder veel bijgedachten gemaakt. Wat hem boeide was de portretvorm. Men kleedde zich ervoor, poseerde eindeloos. Multatuli leed daaronder.

 Ze zijn verdwenen. Vervangen door casual fotootjes, snapshots.

 De oude portretten werden gemaakt voor de eeuwigheid. Misschien was Harry Mulisch de laatste.

 In zijn boekje Koningslichamen beschrijft Pierre Michon het portret waarmee Beckett de eeuwigheid in zal gaan. Als Beckett niet meer gelezen wordt zal dit portret er nog zijn.

 In de woorden van Michon, vertaald door Rokus Hofstede: '...hij heet enkel Samuel Beckett en hij zit, gevangen in de kerker van die naam, in de herfst van 1961 voor de lens van Lutfi Özkök, Turk, fotograaf - esthetiserend fotograaf, die zijn model in donkere kleding heeft neergezet voor een donker laken om het portret dat hij van hem gaat maken de uitstraling van een Titiaan of een Champaigne te geven, een klassiek voorname uitstraling te geven.'

 Er zijn nog wel staatsieportretten, van vorstelijke personen, maar ook die krijgen iets informeels. Omdat de geportretteerden geen formele houdingen en gezichtsuitdrukkingen meer kennen. De staatsie is verdwenen. De poging heeft iets komisch gekregen.

 Maar de oude, zwart-witte, als die van Beckett, hebben hun kracht behouden. De snor van Nietzsche, het schele oog van Sartre zullen de tijd weerstaan.

P.C.Wonder in Utrecht

 Waar komt de wilde drift van Multatuli vandaan? Het venijn van de Camera Obscura of de verbittering van Piet Paaltjens? Als je nu de schilderijen van P.C.Wonder (1777-1852) ziet in het Utrechts Centraal Museum kom je thuis.

 Ze zijn uitzonderingen op een regel. Welke? De tijd na Napoleon - en zijn broer, de beste koning die Nederland ooit had - viel het land ten prooi aan een gruwlijke vertrutting.

 P.C.Wonder heeft een satirisch oog als Nicolaas Beets. Hij laat zien hoe men - o zo gezellig - avonden lang het Triktrak bordspel bedreef, maar smeerde hem naar Londen. In zijn portretten zie je karakters van zijn tijd, functionarissen of in zichzelf gekeerde intellectuelen. Vrouwen deed hij meest genre-achtig keurig, met restjes empire. Het portret met bril van Eline Robin is dan weer levensecht.

 Die vreemde drang tot restauratie van goede oude tijden. Het idealiseren van de Gouden Eeuwse kunst, wat leidde tot treurige schoolplaten genre Cornelis Springer.

 Een rare tussentijd.

 P.C.Wonder heeft uitzonderingen geschilderd. Het op de rug geziene meisje en profil dat zich kleedt om uit te gaan (1816). Vrij naar Gerard Terborgh. Een hommage.

 De tentoonstelling geeft bij de schilderijen een entourage van Empire-jurken, meubelen en pronkstukken, waardoor P.C.Wonder in z'n tijd komt te staan.

 De diepe bedding van het Hollands burgerdom. 

Multatuli had een hekel aan gefotografeerd worden..

Poësie zwijgt

Als Multatuli schrijft is het op z'n mooist een allegaartje van dagboek, brief, verhaal of column. Soms zit daar weleens iets gedichtachtigs tussen. Hij gebruikt vrijwel alle schrijfvormen, zoals ze hem op dat moment van pas komen. 

 In zijn twee brieven aan Cornelis Kruseman uit Menado (1851), aan het aarzelende begin van zijn schrijfbestaan zegt hij het zo:

 '31 jaar! En ik heb nog niets gedaan! Niets dan wat versjes gemaakt die men "heel lief" vond, - en die vrij soeperig zijn, zoo als trouwens de meeste verzen van de 19 eeuw. Ik heb een hekel aan verzen. Ik geloof niet aan de poësie van een vers. Ik heb regt tot dat geloof. Ik heb nu en dan iets redelyks gemaakt, en ik herinner mij dat mijne stemming by het betere dikwijls lager stond dan bij het mindere. Sterker nog - ik geloof poësie in het hart te hebben, - maar juist dan als "de geest spreekt" - maak ik geene verzen. Als er hier en daar om den geijkten term te gebruiken "een sprankje dichtvuur" in doorstraalde, was dat niet de uitdrukking van 't oogenblik, - maar slechts herinnering aan de gedachte van een zwijgend tijdperk. (...) Poësie is woest en ledig - en de geest Gods zweefde daarover! (...)

 Ledig, - ja, als de oneindige ruimte! Ledig als daar waar 't stof ophoudt! Ook sedert lang maak ik geene verzen meer, zonder te beweren dat mijne stelling: poësie zwijgt, omgekeerd mag worden.'

 De twee brieven uit Menado werden 'bezorgd' door Henri A. Ett en uitgeven door G.A.van Oorschot in 1948. Het stempel 'VERWIJDERD' is van de Openbare Leeszaal en Bibliotheek te Naarden-Bussum. 

Tags: 

Hoe Multatuli schreef

 Geen beter leesgezelschap in een ziekenzaaltje dan Multatuli. Hij springt net zo elegant van de hak op de tak als de in en uitlopende artsen, verpleegkundigen, dames met voedsel en beddegoedkarren. Multatuli is ze allemaal tegelijk.

 In zijn 'Twee brieven uit Menado' (1851) aan vriend Kruseman probeert hij eerst uit te leggen, hoe hij put uit zijn voortvloeiende 'levensst­room'.

 'Ja, voort - voort  Ik heb eens -

 (beste Kruseman neem myne manier van schrijven voor lief. Verg niet dat ik elke zin afspin, - elke meening toelicht: ik kan het wel, - maar eerst sedert ik den moed heb mij aan niets te binden in mijn schrijven, kan ik aan U schrijven. Ja, dat is het; daarom, geloof ik schreef ik niet vroeger.

 Vergeef mij myne tusschenzinnen, - de parentheses [tussenvoegsels] in de tussenzinnen zelfs let er zelfs niet eens op of ik den draad weer juist aanknoop waar hij brak, -

 Het leven bestaat uit tusschenzinnen, - het mijne althans.)'

 Zo begint zijn brief, en dan komt hij op 'het tweede ambacht' van het schrijven, waarbij hij graag een assistent zou hebben, om deze reden: 'het letten op taal, stijl enz. - Wat gaan er een aantal idees verloren terwijl men een zin rondt, een hardheid schaaft, (h r d h d s c h f t  van schaven gesproken! Zie je wat ik bedoel?) En zoo iemand zal ik nooit vinden. Dat kan niet. Elke boer wil keizer zijn, dat heet: hij Klaas - wil keizer zijn, maar met behoud van identiteit. Zoo ook geef ik mijn 'stijl' niet weg, want mijn stijl, - dat ben ik.'

 En laat ik dat nu ook zo vaak hebben. Een opgeschreven zin fatsoeneren en tegelijkertijd worden bestormd door nieuwe ideeën die je dan weer vergeet! Nog de zelfde dag kon ik het ziekenhuis verlaten. 

 

 

Tags: 

Een straatje in Palermo

 Ons kindje is dood, maar we laten het er niet bij zitten. In deze regel van Multatuli ligt heel de film 'Una via in Palermo' van Emma Dante besloten. Geen genoegen nemen met het noodlot.

 In dit geval een straatje ingereden zijn waar je een andere auto tegemoet komt. Geen ruimte om te passeren, dus wie zal achteruit? In dit geval geen van beiden. Een dag en een nacht lang, tot in de vroege ochtend de dood erop volgt.

 De twee automobilistes Samira en Rosa overkomt het in deze film. De straat is geen eenrichting, ze hebben allebei gelij­k. In een beschaafde samenleving kom je dan na wat overleg tot een oplossing waar beiden vrede mee kunnen hebben. Ik heb me in heel wat Italiaanse stegen achteruit gewurmd. Wat insch­ikken en zie, er kan weer gereden worden. Zoniet hier. De film geeft beide vrouwen iets wat lijkt op een motief: Samira heeft net het graf van haar dochter bezocht die aan kanker stierf, waarin ze niet kan berusten. Zomin als Rosa erin kan berusten dat het zal uitraken met haar lesbische vriendin Clara.

 En zo staan er twee auto's tegenover elkaar, onbeweeglijk, wat familie en buurtgenoten ook proberen.

 Het mooie van de film is dat hij louter gaat over het je vastbijten in een eigen gelijk, hoe onredelijk ook. Een menselijk trekje dat vele rampen heeft veroor­zaakt. Het was de schrijver en classicus Jan Pieter Guépin die me wees op de overeenkomst tussen de - allebei raadselachtig veelgeprezen - his­torische figuren Socrates en Jezus van Nazareth, die allebei verkozen, toen ze voor de keus kwamen te staan, te sterven voor hun gelijk. Ze hadden ook een klein eindje achteruit kunnen­ rijden, maar dat verdomden ze.

Honger‑symphonie

 Weinig Nederlanders in Eric Mins 'De eeuw van Brussel': Multatuli, die er de Havelaar voltooide, Jan Toorop, maar geen Gorter. Wel Neel Doff, die door de Keetje Tippel-film van Paul Verhoeven voorgoed de hoer werd. Dat ze vooral een bijzondere (Franse) schrijfster was -kandidaat voor de Goncourtprijs in 1911 - leer je uit haar 'Dagen van Armoe en ellende':

  "We waren allemaal misselijk van den honger. Ik was niet uitgegaan, omdat ik niet wist, naar welken kant mij te wenden. Vader was op, verslapt; wij zagen hem bijna niet meer; hij zwierf rechts en links rond, buiten staat tot eenig ernstig werk. Hein en Naatje spraken over 't kunstje, om aan één klein boterhammetje genoeg te hebben. Naatje vond, dat je 't in de rondte af moest knabbelen; 't laatste stukje, zoo groot als een cent, moest je in je mond houden en 't daar laten smelten.

  'Nee,' antwoordde Hein, 'zoo moet je niet doen. Langzaam eten maakt je honger erger; als ik genoeg wil hebben aan één snee brood, slik ik de stukken in, haast zonder kauwen; dan krijg je later wel hoofdpijn, maar je honger is minder.'

  Dirk kwam als een wervelwind binnen stuiven; hij liet de deur wijd open staan en begon dadelijk in de kasten, de laden, de kachel, tot onder de meubels toe naar iets eetbaars te zoeken. Zijn gezicht had een uitdrukking van waanzin. Toen hij niets vond, ging hij weer weg, zonder een woord te zeggen. Moeder was uitgegaan; ze dacht, dat haar hoofdpijn beter zou worden, als ze voor de keukenramen de lucht van 't eten, dat er werd klaargemaakt, op ging snuiven; maar ze kwam nog zieker thuis en met nijpender honger.

  'Wat zouden de rijken toch eigenlijk eten? De lucht alleen zou een doode opwekken, maar als je maag leeg is, sterf je van verlangen er naar. Wat moeten we doen? Wat moeten we doen?'

  Daar ik duizelig was en mijn slapen hamerden, ging ik naar het raam om 't open te zetten; vóór 't winkelraam van den slager aan den overkant zag ik Kees staan, hij likte de ruit op de plaats, waar aan den binnenkant de hammen en ossetongen waren uitgestald."

Pauvre Belgique

 Vrijdag naar Brussel om Eric Min te spreken over 'De eeuw van Brussel, biografie van een wereldstad (1850‑1914)'. Een boek van voetstappen, niet de minste, wie week er niet uit naar Brussel als het hem elders te heet onder de voeten werd?

 Karl Marx, Sigmund Freud, Rimbaud en Multatuli woonden en schreven er. Soms jaren. Charles Baudelaire, de dandy, de grote flaneur kwam er in 1867 tierend aan z'n voorlaatste snik, gruwend van de stad. Eric Min citeert Pauvre Belgique:

 "'Het flaneren, een dierbare tijdsbesteding voor volkeren met fantasie, is er onmogelijk. Niets te zien, de straten onbegaanbaar.'

 Een groep Belgen lijkt wel een schoolklasje, een bende, een blok of een kleine volksstam. De vrouwen gaan uitsluitend pissen in groep. Ze lachen zonder reden. De spieren van hun gezicht zijn niet in staat tot een glimlach. Hun ogen, onschuldig en argeloos, zouden de lenzen van een microscoop kunnen zijn. De tronies van de inboorlingen: afzichtelijk, vormeloos, vaalbleek of net het tegendeel - wijnrood. Gele haren. Een bakkes tussen koster, beulsknecht en wildeman. Kermisvolk van Bruegel en Teniers. Bizarre kaak­constructies, een dreigende stompzinnigheid. Scherpe tanden. Nergens een wellustige mond, maar evenmin gebiedende of ironische lippen. Belgen spreken met een dikke tong; de lettergrepen blijven achter in hun keel. Verbazend veel bochels. Wie zich elegant wil voordoen, draagt een lorgnet van vensterglas. De Belgische manier van lopen is idioot en log. Mensen kijken voortdurend achterom en botsen de hele tijd tegen elkaar aan.

 Lopen is een soort van vallen. Zo daagt een Brusselaar op straat de zwaartekracht uit. Even razend als besluiteloos host hij rond. De benen en borsten van een Belgische vrouw - 'wijfje' is allicht correcter - zijn volvet, haar voeten plat 'en bij dit alles de winderigheid en het opgeblazen uitzicht van een kropduif'.

 De dichter heeft zijn taalstreken uit de tijd van Les Fleurs du Mal niet verleerd. De Brusselse en de Vlaamse vrouw - de Waalse laat hij voorlopig buiten beschouwing bij gebrek aan didactisch materiaal - is voor hem niet alleen een remedie tegen de liefde of een 'groente, geteeld op moerassige bodem' maar ook 'een drassig geweld'.

 'Katten, feeksen en hellevegen. De vrouwen lopen met hun voeten naar binnen. Grote platvoeten. Grove armen, grove borsten en grove flessenkuiten.'”

De eeuw van Brussel (2)

 Nog 'n voorschotje uit 'De eeuw van Brussel (1850-1914)' van Eric Min, het hoofdstuk ‘Charles Baudelaire, hoofdstadsmens op de dool’. De Parijse flaneur vluchtte in 1864 berooid naar Brussel:

 "Ik loop er helemaal doorheen en tel tweehonderdvijftig van mijn eigen spaarzame, afgemeten stappen - en als ik zo tweeduizend passen heb gezet, keer ik terug naar het Hôtel du Grand Miroir. Dat is de enige lichaamsbeweging die ik neem; ik ben nog nooit naar het Park gegaan. Aan u om te oordelen of dat geschikt is als ontspanning voor mijn lijf en mijn hoofd. De dokter van het hotel heeft mij wandelingen in de openlucht voorgeschreven."

 Plaats van handeling: de Sint‑Hubertuspassage, hartje Brussel. Aan het woord is Charles Baudelaire, de Franse dichter en kunstcriticus die zijn vrijwillige ballingschap in België doorbrengt. Drieënveertig jaar is hij nu. Zo kijkt hij ons aan op de foto: een gebeeldhouwde kop met oplichtende ogen en een verbeten trek om de mond, boven een sleetse zwarte overjas waaruit een onberispelijk witte kraag en manchetten steken - schoon linnengoed is zijn laatste luxe. Baudelaires jonge bewonderaar Georges Barral, die als een schaduw in zijn voetsporen loopt, noteert elk woord dat de grote schrijver die vrijdag 30 september 1864 uit zijn keel laat rollen. Na de lunch heeft Barral hem opgezocht in zijn hotel op nummer 28 van de Bergstraat, tussen de Grote Markt en de kathedraal. De heren zullen een wandeling maken en slaan linksaf, de Beenhouwersstraat in. Daar wijst Baudelaire zijn kapper aan.

 De Almanach du Commerce et de l'Industrie leert ons dat de man die hij zwierig zijn figaro noemt, eigenlijk C.Stumpers heet. De berooide dichter komt er almaar minder over de vloer en laat zijn lange grijze lokken over de kraag van zijn jas golven."

de Vlaamse dichter Paul Snoek (1933-1981)
Alfred Schaffer

Tirade

Bedreigd worden ze, de literaire tijdschriften. Tirade overbrugt de tijd tussen de nummers met amusante blogs op de website.

Laatstelijk door Alfred Schaffer, die terug is naar Zuid-Afrika en daar weer doceert aan de universiteit van Stellenbosch, net als in de tijd dat ik hem wekelijks aan de lijn kreeg als correspondent van de Avonden:

(...) 'Volgens mij zijn de examens redelijk gegaan. Het laatste examenonderdeel betrof drie vragen bij een gedicht. Bij het uitstelexamen ging het om 'Tweede man' van Nachoem Wijnberg, bij het reguliere examen om Paul Snoeks 'Een zwemmer is een ruiter'. 
Waarom zou de dichter in de titel een vergelijking maken tussen "zwemmen" en "paardrijden"?' luidde de derde en laatste vraag. 
"Iemand wat perdry is mal oor perde, soos die swemmer mal is oor swem." Schreef iemand, waarschijnlijk in tijdnood gekomen. Geen speld tussen te krijgen. Een zwemmer is een ruiter:

Zwemmen is losbandig slapen in spartelend water, 
is liefhebben met elke nog bruikbare porie, 
is eindeloos vrij zijn en inwendig zegevieren.
En zwemmen is de eenzaamheid betasten met vingers, 
is met armen en benen aloude geheimen vertellen 
aan het altijd allesbegrijpende water.
Ik moet bekennen dat ik gek ben van water. 
Want in het water adem ik water 
word ik een schepper die zijn schepping omhelst, 
en in het water kan men nooit geheel alleen zijn 
en toch nog eenzaam blijven.
Zwemmen is een beetje bijna heilig zijn. 
 

in 2007 in de tuin..
deze niet

In Memoriam Rudy Kousbroek (2)

Onze grootste essayist sinds Multatuli is gestorven.Iemand die je las en leest om z'n mening. Omdat die mening altijd gebaseerd was op inzicht en feitenkennis.

En dan, de Zingende Honden. Ik kon hem vertellen hoe het wonder - eind jaren '40 - tot stand kwam: je neemt talloze hondenblafjes op, op magnetofoonband. Je rangschikt ze op toonhoogte.
Daarna monteer je de blafjes op de plaats van de muzieknoten. Tenslotte draai je het resultaat af en laat een muzikant of een orkestje meespelen.
En dat geheel leg je dan weer vast.    
Wat ons allebei het meest bleef verbazen was de ontroering die het resultaat - steeds weer - bij ons teweegbracht. 
En wat ik zag was hoe in de Zingende honden heel de Rudy Kousbroek-thematiek samenkwam: Poëzie en techniek reikten elkaar de hand.. Mens en Machine.. En dan: de zo merkwaardige, maar niet te stuiten menselijke ontroering om dieren.

De grote strijd die Rudy Kousbroek onafgebroken heeft geleverd was die met de 'de ongecijferdheid'.
In zijn woorden: 'De zwakte van onze samenleving is het mislukken, in zekere zin, van de wetenschappelijke revolutie - te veel mensen begrijpen eenvoudig niet wat wetenschap is en hebben geen idee van de manier van denken die eraan ten grondslag ligt.'
Die strijd is nog maar net begonnen.
En waar is de nieuwe Rudy Kousbroek die we nu zo nodig hebben?
Iemand die poëzie en natuurwetenschappen beide kent, en die ze met elkaar weet te verzoenen?

Morgen na 20.00 is hij te horen de Avonden.
 

I.M. Rudy Kousbroek
Beluister fragment

Pagina's