Wind

 Mijn eerste kinderboek was De wind maakt grapjes van André Leunge met tekeningen van Martin Meijer (1947). De wind - dat is de clou - is de onzichtbare, je ziet alleen wat hij aanricht. Ik hoorde het met open mond aan, kreeg geen genoeg van de plaatjes. Daar was ie!

 In Tijdschrift Terras, nummer 8, vond ik een nieuw windgedicht van Miek Zwamborn, opnieuw aan de waterlijn. Uitspansel:

 Dwars op de wind loopt

een wezen van sneeuw

gewapend met spiegels

traag trekt het de zee achter zich

 

aan explosies van meeuwen

omcirkelen rukwinden van verdwenen dagen

omhoog valt de dag uit de nacht

 

landinwaarts vangt een staande hand

de koele adem wind

waait uit de ogen weg

 

wrikt 's nachts het spreken los

vloeit in handen uit tot meren.

 

 Miek Zwamborn is dezer dagen writer in residence in het Haags Gemeentemuseum waar ze haar werk laat zien in de expositie Getemde Hemel. Op 21 juni sluit ze af met een boek. 

 

Tags: 

Miek Zwamborn in Den Haag

 Betreed het Berlagezaaltje, boven links en je bent op bezoek in de werkruimte van Miek Zwamborn, Er hangen prints en schilderijen, er liggen gevonden voorwerpen. Ze schrijft weer en wind-tekst uit de literatuur op de muren, zoals Van Gogh het behang bij vrienden vol tekende als hij wilde laten zien waar ie me bezig was.

 En zo lees je het reisverslag van Willem IJsbrandszoon Bontekoe naast Slauerhoff en een keur aan vooral zeeschrijvers. 'Onse afgewagde groote mast lag de hele nacht en rick-ranckte onder 't vlack en op de zijd' van 't schip dat wij vreesden dat hij ons onder leck soude maecken. Het volck uyt het ruym riepen 'Hack alles af dat hem vast houdt en laet hem dryven..'.

 Werk in uitvoering. Er moet op 21 juni een boek van komen met teksten en afbeeldingen over de elementen in de kunst. Als iemand daar van weet is het Miek Zwamborn, ze was sluiswachter op Ijmuiden, voer mee op een booreiland waarover ze het verslag Oploper schreef en werkte in de bosbouw. Haar laatste boek De Duimsprong bracht haar hoog de Alpen op.

 Veel vond de eerste schrijver in residen­tie bij het Haags Gemeentemuseum in de depots, maar ze wandelde ook langs de waterlijn.

 Ik zou haar nog willen laten zien hoe Hagenaars hun spiegelruiten beschermden tegen inwaaien bij storm. Nog hoor ik windvlagen en glasgerinkel. Ze deden dat door bij hevige wind een lat tussen de twee daartoe bestemde haken te bevestigen, achter de ruit. Met in het midden een opgevouwen handdoek tussen het hout en het glas. Dat hielp.

 In Oploper noteerde Miek: 'De zee is rond. Waar ik ook kijk, ik ben altijd in het midden.'

Getemde hemel (1)

 In Den Haag heb je fietsend wind mee of wind tegen. Maar eigenlijk altijd tegen. 'Tegen de wind op tornen' is de uitdrukking. Miek Zwamborn, als eerste schrijver in residentie in het Gemeentemuseum, maakte niet toevallig de tentoonstelling Getemde Hemel, uit wat ze in de depots vond over weersgesteldheden. Ze ging, zegt ze 'het museum steeds meer als een weers­tation zien'.

 In Den Haag groeide ik op in weer en wind. Maar het kan krasser. Getuige het gedicht 'Krachtens welke natuurwet' van Miek Zwamborn:

twee Amerikaanse boeren, één in '28 en één in '51

omschreven het oog van een orkaan als een wand van wolken

waarin vuurspiralen zich van kleine tornado's probeerden

los te rukken

 

slaap bij vuil weer op je buik

vermijd tenten en bomen

geen wind kan ooit zo volkomen koud zijn

en ontstromen zonder neerslag

van vuurzaden

 

loop weg naar het westen of slaap binnen

waar donderslag niets zal raken

de schichten te ruste legt

tam lijkt te worden - wieling of werveling

wind bevat ook verticale componenten, opklaringen!

 

het krimpend oog van een orkaan is niet ongevaarlijk

je kunt er nog altijd een stoel tegen je hoofd geslingerd krijgen.

Tags: 

Omgekeerde tempels

 Onder de kop 'Een oog van water' schrijft Miek Zwamborn in het juist verschenen nieuwe nummer van het Tijdschrift Terras onder meer over de waterputten in de Indiase provincie Gujarat.

 Dit na lezing van Inverse, het fotoboek van Jeroen van Westen waarin ze zijn afgebeeld. Stadsgaten vallen overal. Meest ontstaan door onderaardse waterstromen. Solide lijkt het aardoppervlak, de grond waarop wij staan.

 Miek schrijft: 'In 2010 verdween er 'nachts een naaimachinefabriek in Guatemala City. Een kapotte leiding had de grond onder de fabriek, zonder dat iemand het merkte, maanden, misschien zelfs jaren lang beetje bij beetje weggespoeld waardoor er een holle ruimte onder de fabriek ontstond die het gebouw opslokte.' En ze eindigt haar bericht met 'Misschien is het gat nog steeds een gat, met een hek eromheen midden in de stad.'

 In India zijn gaten tot onderaardse tempels gemaakt. Van Westen fotografeerde de 'stepwells' in Gujarat, waaruit van de zesde tot de twintigste eeuw water werd geput. Je bereikte de bronnen door af te dalen in schitterende bouwsels met vele treden in letterlijk vele verdiepingen. De putten staan nu droog, sinds mechanisch pompen het grondwaterpeil deden zakken.

 Maar nog steeds kun je van de bodem van elke put de hemel zien. En het bijbehorend ritueel is niet weg. Soms sprenkelt men nog melk op de putranden voor de watergoden. Omgekeerde tempels zijn het. Sommige stepwells, schrijft Miek Zwamborn 'lijken gebouwen die op hun kop zijn geland en zich in de grond vastbeten.'

 Ze verzwijgt wijselijk hoezeer deze gezegende plaatsen een seksuele lading dragen. 

Tags: 

Mens en berg (1)

 Het Hollandse misverstand over de Alpen is beheersbaarheid. Er sluimert daar halverwege Noord en Zuid een monster. Vrees het. Je weet het nooit met de berg. Dat weten bergbewoners.

 Miek Zwamborn schreef 'De duimsprong'. Een boek over mens en berg. Ze verkent ze, te voet. Op zoek naar een man die de bergen in ging en niet terugkwam. Maar ook in de archieven. Waarom gaan mensen de bergen in? Wie De duimsprong leest denkt 'om te verdwalen'. Of te verdwijnen, zoals de figuur Jens in dit boek. Weerberichten wegen er zwaar.

 Het is lang geleden dat de Nederlandse literatuur de Alpen nam als wat ze zijn: machtig en onvoorspelbaar. Miek Zwamborn vertelt je wie ze zijn.

 Lord Byron overnachtte op weg naar Italië - de oversteek duurde in 1817 vele dagen - bovenop de Simplon, waar hij een gedicht schreef dat hij achterliet onder een steen.

 Mist en onweer blijven levensgevaarlijk. De duimsprong: 'Dan betrekt binnen een paar minuten de hemel opnieuw. Al voor de eerste bliksem horen zij steenslag. In de kom begint alles te schuiven. De muren storten in. Losgebroken stenen rollen van grote hoogte naar beneden. Het noodweer sluit hen in. Weggedoken onder een overhellende rots zien ze toe hoe alles broos lijkt te zijn geworden.'

 Later meer. Ook over de Sebald-achtige foto's.

verblijf aan de Westerschelde

Miek Zwamborn (1)

Miek Zwamborn werkt sinds januari niet meer als sluiswacht in Ijmuiden, maar de zeevaart houdt haar meer dan ooit bezig. In Vlissingen verdiepte ze zich - in de archieven en aan het water - tweeëneenhalve maand lang in de taal van het varen. Dat heeft geleid tot 'Het krieken van sepia', het juist verschenen 125ste deeltje in de fameuze Zeeuwse Slibreeks en een kleine expositie in het Vlissingse kunstencentrum de Willem 3.

Bij Miek begon het met 'Oploper' het verslag van haar tocht met een werkeiland van Angola naar de Golf van Mexico. Het ging niet over, het werd erger. Vanmiddag zocht ik haar op in haar uitkijkpost aan de Westerschelde. Maandag is dat na 21.00 te horen in de Avonden. Hier vast een fragment uit 'Het krieken van de sepia'. 'de netten zijn lek.de punten van de passers ontbreken.de bestekkaarten vlekken.donker en steedsduiken de koppen weer opdrijven op baardendalen (botte loef)zengzakt het tweede dekmet ons weke pepersbinden jongens de doordrenkteditoditospoelt onze platvoetwachtin alle teinten blussendstriemt de regenskippen we hens'

Tags: 

Pagina's