De ingrepen van Frank Halmans

 Frank Halmans zette op Facebook drie foto's van nieuw werk, met als enig bijschrift: 'Nieuw boekwerk, een vervallen huis.' Eerder was er al een verkoold huis en maakte hij stapeltjes boeken bewoonbaar.

 Van mijn slogan 'Een huis is een mens is een huis' - of omgekeerd - is het maar een stap naar 'Een boek is een mens is een boek'.

 De lichamelijkheid van huizen en boeken. Hun verval.

 Het verval van mensen zie ik alle dagen.

 Boeken worden door Frank chirurgisch behandeld. Hij grijpt in - dat is onvermijdelijk - niet alleen in het voorwerp boek, ook in de tekst. Onvermijdelijk steekt hier of daar een woord, een regel de kop op, op een heel andere manier dan de schrijver ooit bedoelde.

 Frank Halmans is een lezend kunstenaar - we delen Willem Brakman - zoals ook Marcel van Eeden. En dan wordt een boek, dan wordt lezen onder lamplicht een ingrijpende bezigheid. Met gevolgen.

 Boeken overleven mensen. Op het Waterlooplein tref ik soms een stapel drukwerk die de stoffelijke rest moet zijn van een mensenleven. Wie dit las is dood. En dan sta ik te reconstrueren. Wie las eens Anja Meulenbelt, de Naked Ape, Ton Regtien, het Kinsey Report, McLuhan, Jung, Laing, Foudraine?

 Lawaai. Achter mij is de hele benedenverdieping van een vervallen huis in behan­deling. Kaalgestript tot op de muren. Geen restje behang. Vloeren eruit, er is een diep gat gegraven. De kelder van een nu nog onleesbaar interieur. 

Muzenstraat komt

 'Stille straten daar bij de zee.'

 Ging het springtouwversje dat ik hoorde op een warme zondagmiddag. Op Scheveningen, niet ver van de vuurtoren. Het wijsje bleef me altijd bij, meer tekst weet ik niet.

 Nu eind volgende maand toch werkelijk het boek getiteld Muzenstraat, Haagse verhalen - met Haagse tekeningen van Marcel van Eeden - verschijnt komt de vraag. Wat is er toch met Den Haag?

 En aandringend: waar gaat het over?

 Stuifzand, zal ik zeggen. Er zal een tram rijden naar zee. Dat moet genoeg zijn.

 Nog ben ik opgelucht. Ik heb Den Haag overleefd.

 Maar wat ik nou overleefd heb? Was het fietsen zonder licht, langs achterstraten? Het moet in het boek te vinden zijn. Bekijk de tekeningen van Marcel.

 Ik ontkwam. Het is goed afgelopen, ik durf er zelfs weer te komen. Na vijfentwintig jaar zette ik mijn eerste schreden terug, naar Duindorp, dat Willem Brakman me had aangewezen. Hij bewaarde Den Haag voor me. Tot de laatste stoeptegel.

 Wie ik ben, waar ik vandaan kom. Lees het boek en je weet het beter dan ik.

 Wat je zegt dat ben je zelf.

Met je kop onder lijn elf.

Met je kop onder lijn tien.

Wie niet weg is, is gezien.

Haags

 In februari verschijnt 'Muzenstraat'. Met Haagse verhalen van mij en Haagse tekeningen van Marcel van Eeden. We leggen er nu de laatste hand aan. Hier het omslag, ontworpen door Els Kort.

 Hagenaar blijf je. Ook al verlaat je de stad, hij laat je niet los. Zoals Kafka over Praag zei: 'Dieses Mutter­chen hat Krallen'. Ook Den Haag is een moedertje met klauwen.

 Marcel van Eeden en ik groei­den er op. Ik woon nu in Amsterdam en hij in Zurich, maar in de stad achter de duinen weten we blind de weg. Zo'n stad trekt in je.

 Muzenstraat vertelt van onze band met de stad. Marcel met zijn levenslange project waarin hij de wereld van voor zijn geboorte tekent, met een nadruk op trams, por­tiek­woningen, beton en wederopbouw. En ik met ver­halen over mijzelf en mijn familie, van voor en na de oorlog. Van het zonnige vooroorlogse Kijkduin tot het naoorlogse Statenkwartier, de resten van de Atlantikwall en de wijk rond Meer en Bos.

 De dreiging is nooit ver. Allebei weten ze wat het is om op een grijze dag met je rug naar de wereld te staan en uit te kijken over zee.

 'Den Haag raakt aan de eeuwigheid, die blijft trekken. Geen stad die dat heeft. Een rechte lijn op de landkaart, van boven grenzend aan het blauw.'

Extaze, Van Eeden en Van Oudshoorn

 Het zwarte licht van dit seizoen. Het duistere groen. Als de bladeren nog aan de bomen hangen, de zon laag staat en de eerste stormen nog niet geweest zijn. Dat is het licht, de duisternis van Marcel van Eeden. Als hij met kleur werkt, zoals de laatste tijd vaker, maakt dat zijn zwart alleen maar intenser.

 Het nieuwe nummer van Extaze werd gisteren in Den Haag gedoopt met onder meer een animatie door Els Kort van zijn tekeningen. Eens was Van Eeden bibliothecaris aan de Haagse Vondelstraat. Hij leest. Sinds jaar en dag is Van Oudshoorn (1876-1951) een voorkeur. Door hem ging ik het teruglezen. De onvergetelijke dronken struikeltocht door stad en duinen naar zee. Van Oudshoorn, de diplomaat die jaren in Berlijn zat, een Duitse mannequin trouwde en terugkeerde naar een heel Haagse portiekwoning. Waar zijn vrouw hem overleefde. En nu schrijft Marcel van Eeden een stukje waarin van Oudshoorn opduikt, die het eens probeerde aan de Haagse Academie. Wat niet lukte.

 'Nee,' schrijft Marcel, 'veel beter beschrééf Van Oudshoorn wat hij zag. Soms duiken er fictieve tekeningen op in zijn verhalen. Beelden, door niemand gezien, die alleen kunnen ontstaan in het hoofd van een lezer (..) '.

 En dan citeert hij Laatste dagen (1927), waarin ongeziene etsen voorkomen:

 'Half werktuigelijk op zijn schreden terugkerend, bevond hij zich even later alleen tegenover twee grote gekleurde etsen. Zij stelden beiden phantastische gebouwen voor, waarvan het doel niet te doorgronden leek. Het eene was een grillige, roode, compacte steenmassa, zonder deuren of vensters, te midden van een woest zomerlandschap; het andere daarentegen was uit enkel dunne ijzerstangen opgetrokken, ontelbaar vele en die, omgeven door een grauwe, grauwe regenhemel, aan het geheel iets onuitsprekelijks van troosteloosheid verleenden.'

 En Marcel besluit: 'Zulke beelden bestaan alleen in de literatuur. Ze worden nooit concreet. Toch blijf ik het proberen.' 

Lorentzplein

 '...een knop, ruis, gekraak, stemmen, weer ruis. Ver boven de huizen die eruit ­zagen als radio's.' Uit 'Lorentz' een nieuw getekend en geschreven verhaal van Marcel van Eeden, met zinnen als 'Hoog op de daken zaten de doden.'

 Marcel maakte een Haags verhaal dat zich geheel afspeelt rond het Lorentz­plein.

 In sommige landen wordt een geografisch middelpunt berekend, in Italië vond ik een zuiltje waar dat op stond in Rieti. Zou je het psychisch middelpunt van Den Haag kunnen berekenen dan zou het Lorentzplein daar uit komen.

De bloemenstal van de vader van Wim Schoor om precies te zijn. Al wat Den Haag maakt tot stenen dreiging is daar, de trams, hun in de verte langs de Gouverneurlaan verglij­dende bovenleidingen met gewich­ten, de portiekwoningen. Heel het Laakkwartier, waar eens de Hofstadgroep door een pol­itiemacht werd belegerd.

 Ik fietste er langs op weg naar verre uitwedstrijden aan de Brasserskade in Delft, heel de Veenendaalkade langs, zonder het te weten langs de huizen van Willem van Genk en Kees van Kooten en het ADO-stadi­on.

 De Erres radiofabriek bij Hollands Spoor wenkt. Om de hoek hadden de ouders van Ineke van den Bergen hun snackbar, waar ze in de soep spuugden van gehate klanten. En de doden zitten op de daken. 

 Volgt de fatale zin: 'En belde aan.'

Ooms

 In mijn aanstaande bundel Haagse verhalen - met Haagse tekeningen van Marcel van Eeden ‑ komen oom Jan en oom Henk niet voor. Zij waren van oudsher de twee vrienden van mijn vader, van school en uit de militaire dienst. Bij oom Jan en zijn gezin moest gegeten worden, op de Prins Mauritsla­an. Zes kinderen en vier volwassenen. Met als toetje Haagse bluf, want dat kon tante Hélène, een erg Haagse mevrouw, zo goed.

 Haar oudste dochter was dan mijn 'tafeldame'. Tante leerde me hoe ik haar tafelheer moest zijn.

 Later had oom Jan haar verlaten, hoorde ik, woonde alleen op een kamer in de binnenstad en dronk. Mijn vader was nog een keer langs geweest daar. Oom Jan was toen geen jurist meer op Algemene Zaken. 'De fles jenever stond onder z'n stoel, of hij hem wilde verbergen.'

 Oom Henk was kandidaat notaris, ongetrouwd en altijd opgewekt. Tot hij mijn moeder opbiechtte dat hij homoseksueel was en werd afgeperst door 'een jongetje'. Dat kon niet voor een kandidaat-notaris. Hij had het mijn vader nooit durven vertellen, want die had een hekel aan homoseksuelen en deed ze kwasi‑komisch na. Niet lang daarna zijn beide ooms gestorven.

 Ze staan op de huwelijksfoto's van mijn ouders. 

 De ooms blijven verder ongeschreven. Ik weet te weinig. 

Amsterdam drawing (1)

 Tekenen brengt vaak een lichtheid met zich mee die schilderijen en installaties missen. Alsof olieverf of concept een groter soor­telijk gewicht hebben dat ze omlaag duwt. Losse lijntjes luchten op.

 Geven de kijker de ruimte. Bij Amsterdam Drawing op het NDSM-terrein in Amsterdam-Noord was het ook nogeens onwezenlijk heet, wat gek genoeg hielp. Er komt ook een mooie bak licht van boven. En buiten kabbelt het IJ.

 Tekenaars dus, werkers met krijt en pen of waterverf als Emo Verkerk, Peter Morrens en Marcel van Eeden, Jantien Jongsma en Renie Spoelstra varen daar wel bij. Het idee van losheid, alsof het zo weer uitgegumd kan en weer anders gedaan. 

 Dat brengt, zo lijkt het wel vanzelf grapjes met zich mee. Grapjes met het medium. Zoals bij de onderbroek van Keetje Mans die van de lijn in de taken woei, of de dolende Jan Arends van Verkerk, ernstige grapjes zoals de eilanden van de Japanse Fumito Urabe, waar je geen Robinson Crusoe vindt maar een autowrak.

 Een enkele keer overheerst ernst als die van Ronald Noorman of de jonge Enkhuizenaar Thijs Zweers die in zijn Zero One no. 10 de wereld omkeert. Wat beschadigingen van de voorstelling lijken zijn juist zorgvuldig uitgespaarde plekken wit papier, net niet overgroeid door een enorm, broeierig bosschage.

 Later meer.

Wunderkinder

 Hoe Duitsland zichzelf weer opbouwde, het Wirtschafstwunder en er trotse grapjes over maakte in de film Wir Wunderkinder. In het Haagse fotomuseum gaat het over 'de stad', thema waarmee je alle kanten op kunt. Maar het opent met de foto's van Karl Hugo Schmölz van het nieuwe, na-oorlogse Duitsland.

 Gek genoeg exposeert Marcel Van Eeden in het ernaast gelegen GEM zijn tekeningen, waarin juist deze esthetiek overheerst. Esthetiek van de dood, denk ik stiekem.

 Ik bezocht in 1969 het door Schmölz geportretteerde, nagelneue Funkhaus van de WDR - tussen het station en de Kölner Dom - en bezichtigde de montagekamer waar Herr Tonmeister geluidsband sneed, net als in Dr. Murkes Versammeltes Schweigen van Heinrich Boll. Betonbouw, met interieurs van schrootjeswanden en trappen­huizen - Schmölz is trappenhuizengek - met overlopen en talloze hekwerken van fantasiestaal en koperglanzende aluminium balustraden. Marmer en parketvloeren in de afwerking. Je ruikt de boenwas.

 Hier en daar torent een vroege reuzenpotplant in een fantasiebak.

 Het lijkt of architect en fotograaf de nieuwe tijd bezingen, maar dat is schijn. Schmölz' vader werkte als fotograaf voor de Nazi's en wat Nazi-Duitsland ook was, toch ook erg 'jong' en 'modern'.

 In Kassel logeerde ik vorig jaar nog in het Parkhotel (nu Daysinn) waar dit alles perfect gerestaureerd voortleeft. 

Moderne Kunst

 Het was Marcel van Eeden - nu te zien in het Haagse GEM - die me leerde met ogen van nu naar 'Moderne Kunst' te kijken. De ogen van een man die de wereld van voor 1965 tekent, zijn nooit beleefde, toch verloren tijd. Waarin museumbezoek nogal eens voorkomt.

 Van­middag in het Cobra-museum, bij de Guggenheim collectie van 'Internationale abstractie 1949-1960' zag ik zijn blik terug. Er draait daar een glashelder fil­mpje van de opening van het Guggenheim in 1959. Publiek uit een tech­nicolorfilm, zo pijnlijk keurig gekleed dat je Cary Grant en Doris Day er vanzelf tussen ziet lopen. En dat in het traploze gebouw van Frank Lloyd Wright, bedacht voor het abstract expressionisme van de nieuwe kunst van Rothko, Kline, De Kooning, Pollock, Mother­well, Tapies. Die zelf op foto's ook keurig in pakken steken.

 En waarvan we sinds 1995 weten dat hun tentoonstellingen door de CIA de wereld werden over gestuurd omdat de koude oorlog ook een kunstoorlog was. Daar had het Sovjet-realisme niet van terug. Je kijkt in een merkwaardig verleden. Het soort kunst waar zoveel cartoons in Life over gingen.

 Wat blijft er over van non-figuratieve kunst? Liefde voor materiaal, voor verf, voor compositie. Zin voor evenwicht, kwetsbaar als dat is. Wie goed is dicteert je zijn evenwicht, zijn beheersing, dat krijg je door bij De Kooning of Appel. Zin voor het starende oog, zoals bij Rothko of Cy Twombly. Zo bekeken vallen de meesten door de mand. Te veel, te druk, te onrustig. Wonderlijk ook hoe deze kunst in zo'n korte tijd zijn eigen clichés schiep en zichzelf ermee om zeep hielp. De paar overlevers niet te na gesproken. 

Verloren tijd

 Kun je iets verliezen dat je nooit hebt gehad? Dat is het raadsel dat sphinx Marcel van Eeden me opgeeft.

 De andere Marcel, Proust, hoefde maar een Madeleine cakeje te eten of hij liep door Combray, aan de hand van z’n tante.

 Deze pagina uit Van Eedens verzamelde 'Tales of murder and violenc­e', nu verschenen bij het Haagse Stroom, geeft me twee van zijn Madeleines in de geest: de stoomtrein en de hoornen bril. Stoomtreinen die rijden naar een hiervoormaals waar hij thuis is, al was hij er nooit. En een bril die hij nooit op zijn neus heeft gehad, zelfs niet, wed ik, heeft zien dragen door een man in een pak.

 Terwijl ik - wat doe ik in zijn droom? - voetbalde met zo'n bril op, die na een mislukte kopbal in tweeën in het gras lag. Gebroken glas. Bloed op m'n voorhoofd, het lit­teken is nog zichtbaar. En met een vriendje wachtte op de loopbrug bij station Zutphen tot de stoomlocomotief kwam, die ons even onzichtbaar zou maken in witte, of zwarte rook.

 Niet vermoedend dat Marcel van Eeden verderop zat, met z’n negro-potlood en z'n tekenblok. 

 Morgen in de Avonden meer.

Pagina's