De surrealist Grandville

 Nu Boijmans op 17 februari een grootse surrealistenshow opent met Dali, Ernst, Magritte en andere kanonnen kom ik maar met hun enige echte voorloper, de tekenaar Grandville.

 Nu nog te zien in Dr. Guislain in Gent in 'Een andere wer­eld'.

 Grandville, de 'karikaturist' die groente laat leven, de dieren zichzelf laat tekenen en voortdurende metamorfosen schept als die waarin je een vrouw een vis ziet worden. De surrealisten bezaten vast zijn boek 'Un autre monde' (1844), denkt Jan Ceuleers. Max Ernst verwerkte er citaten uit, Dali borduurde erop voort.

 En zijn reuzenduim - een grap bij de opening van een beeldententoonstelling - werd later een serieus beeldhouwwerk van Baldaccini dat nu vele parken siert.

 Grandville in 1843: 'Op het vlak van sculptuur zullen we de Vinger van God vermelden, een gigantisch werk waarvan de originaliteit de mooiste voorstellingen van de oudheid en de Renaissance overstijgt. De auteur van dit kolossale stuk werkte er sinds twintig jaar aan; hij had het die ochtend zelfs voltooid in de tentoonstellingszaal, krachtens een speciale toelating: een uitzonderlijke gunst, waarin de vinger van God zich goed laat zien.'

Tags: 

Doolhof Brussel

 Als de jonge verslaggever afscheid neemt - hij gaat naar Congo voor de kinderkrant - doet hij dat, als een Brusselaar in de jaren ’30 op het station Bruxelles-Nord. Kuifje zal in Antwerpen scheepgaan.

 Het station is in 1955 gesloopt bij de aanleg van de Noord-Zuid treinverbinding die Brussel vele jaren in chaos stortte. En verhalen voorbracht als Vergeten Straat van Louis Paul Boon, waarin een straat voorgoed aan beide kanten doodloopt.

 In het Brusselnummer van Terras gebruikt Jan Baeke Brusselse tram en ondergrondse-haltes als staties, met werkelijk bestaande namen als Matongé, Drievuldigheid of Mysterie. Het wordt een levensreis met Brussel als metafoor, zijn ber­gen, zijn Zoniënwoud en zijn Babylo­nische naamgevingen.

 Zo een smeltkroes, dan Brussel. Een veel­taligheid, die verten opent. Het Brussels dat Hergé in zijn familie hoorde werd Syldavisch. Welke mengtaal men nu in Sint-Joost, St.Gill­es en Molenbeek op straat spreekt weet ik niet.

 Mijn Brussel begon achter het nieuwe Noordstation, waar ik logeerde in de resten van het Noordkwartier. Neel Doff woonde er nog. Midden in de nacht werd het middeleeuwse café annex hotelletje bestormd door de BOB, de hasj ging het raam uit, maar ze kwamen niet voor hippies maar voor sans-papiers. Heel de wijk is verdwenen voor glas en staal. 'k Zag de laatste hoerenhuisjes nog oplichten temidden van de kaalslag. De nieuwste sans-papiers kamperen nu in het op die plaats aangelegde Ma­ximiliaanpark.

Doolhof Brussel. De trams ontsporen er vaak omdat de rails over zo vele deelgemeenten lopen en slecht onderhouden worden. En het graf van Magritte vind je op de begraafplaats van Schaerbeek, waar hij zijn laatste jaren woonde, maar die ligt dan weer in de gemeente Evere. Wie wil zoekraken kan in Brussel terecht. 

Miniatuurmusea

 Kijkdozen als musea. Dat is je eerste indruk bij de eerste aanblik van de miniatuur-exposities op schaal 1:7. De Bel­gische galeriehouder Ronny van de Velde kreeg meer dan 100 Belgische kunstenaars zo gek er een te maken.

 Omdat ze allemaal even groot zijn - een meter bij 0,65 bij 0,60 - vallen de verschillen extra op. Maar wat voor soort kunst het ook is, hij past altijd in een doos, van Cobra tot Surrealisme, van film en foto tot installatie.

 Ik bleef lang staan voor het verkleinde bioscoopzaaltje waar de huis, tuin en keuken-filmpjes van Magritte en Broodthaers draaien. Maar ook de hoedenwinkel van Angel Vegara (2013) doet het in het klein opeens wondergoed. Net als het samenvattende L'Art Belge van Frank Maieu (2011).

 Er is in de kunst veel vergroot, van de reuzenstoel van Wim Schippers tot de velden zonnepitten van Ai Weiwei, verk­lei­n­en wordt dan een weldaad. Ook omdat alle dozen precies even groot zijn. Verkleinen stelt heel andere eisen. Zo hangt bijvoorbeeld in het museumpje van Peter de Meyer een openbare klok die zeven keer zo snel draait.

 En iedere kunstenaar is goddank zijn eigen curator. Marcel Duchamps draagbare museum 'Boît-en-valise' met verkleinde versies van al z'n werk is niet ver weg. Maar ook het poppenhuis en de modelspoorbaan steken soms de kop op.

 Het 'Museum op schaal 1/7', eerder in Brussel is nu te zien bovenin de Rotterdamse Kunsthal.   

Marcel Broodthaers

 Er hangt een kunstwerk van Marcel Broodthaers (1924-1976) in Kade in Amersfoort. Een zeefdruk met twee strijdige titels: Das Recht en Nicht Rauchen (1972).

 Broothaers werk is daar door Tom Barman neergehangen als eerbetoon aan de Belg der Belgen. Immers Broodthaers zag als eerste dat België kunst was.

 Het begon ermee dat hij zijn mislukking als dichter tot kunst maakte door een stapel onverkochte exemplaren van zijn bundel Pense-Bête in gips te gieten. Zo - onleesbaar, als object - verkochten ze opeens. Zijn mooiste gedicht wordt aangehaald door vriend Freddy de Vree in zijn monografie:

 Gevolgd door vuur en gevolg

schrijft de visionaire vogel acht

Hij zingt zoals men zingt in een moordenaarshol,

kent enkel plicht en muziek.

 De vogel beschrijft een acht, zegt Freddy, teken der oneindigheid, met achter hem Ensor-achtige taferelen, een begrafenisstoet. Broothaers deed zijn dingen als een taoist, 'zoals het ging'. In 1968 na de studentenopstand werd zijn atelier in Brussel aan de Boomkwekerijstraat bij toeval tot een 'Denkbeeldig Museum'. Er was ruimte nodig voor een discussie over kunst en maatschappij en Broodthaers zei dat het wel bij hem kon. Hij vroeg de firma Menkes in kunsttransporten wat lege transportkisten om op te zitten. Dat werden vanzelf kunstvoorwerpen. Hij hing wat ansichtkaarten en 19-de eeuwse schilderijen op als provocatie naast zijn eigen werken in plastic.

 Waar Marcel Duchamp zou zeggen 'dit is een kunstwerk' zei Broodthaers 'dit is een museum.' 

 Daarna zag hij - als eerste denk ik - de Belgitude. Zijn vriend Magritte had de voorbeelden gegeven, hij trok de conclusies. Zo werd een pan - oneetbare - mosselen, het nationale voedsel, na zijn oneetbare dichtbundel een kunstwerk. En zo ging hij voort.

Belgische kunst (2)

 Magritte kwam eens thuis en zijn vrouw was er nog niet, wel een onbekende, een net geklede meneer die zij kennelijk had uitgenodigd. Ze wisten niet wat tegen elkaar te zeggen. Toen de man uit het raam stond te kijken nam Magritte een aanloopje en gaf hem zomaar een enorme schop onder zijn kont.

 Waarom? De meneer stond hem tegen. Ook die wist zich kennelijk geen raad met het voorval. Na de schop deed hij of er niets gebeurd was en ze wachtten tot Georgette Magritte terugkeerde. Het ging over kunsthandel.

 Waarmee ik wil zeggen dat het ware surrealisme geen pose is, maar voortkomt uit oprechte verwondering of onvrede met het bestaande die geen andere uitweg vindt. Dat is wat je in de Amersfoortse Kunsthal ondervindt. Oprechte uitingen van bevreemding. Neem het uitzicht uit een appartement aan de Belgische kust. Het mist buiten. Niets dan mist zie je. Een uitzicht zonder uitzicht.

 Er ligt op de vloer een schilderij van een uitvergroot glas melk. Het glas glimt wel als glas, maar bestaat van onderen uit verkreukeld papier. Melk maar geen melk. Er is veel dat je net ontsnapt. Zoals het Niet Roken van Broodthaers - koop zijn monografie door Freddy de Vree die in Amersfoort in de museumwinkel ligt. Roken als onbegrijpelijkheid. Rook komt bij Broodthaers uit oren of elders inplaats van uit neuzen of monden.

 Het filmpje bij stralend weer van James Ensor met vrouwen en vriend aan de zeekant van Oostende (1920) kun je eindeloos blijven bekijken. Wat deden mensen toen aan de zeekant? Ze wandelden over het strand en de boulevard, ze keken rond. Het licht blikkerde. Net als nu. Ensor zwijgt. Als dit de eeuwigheid is doet hij mee.

 Twee achterlijven van paarden worden samen een in Roger van Akeleyns 'Onrust' (197). Je ziet het en denkt even 'ja, natuurlijk'. Je bent aan de rand van het begrip. Het begrip dat net buiten handbereik ligt. Van de kunstenaar net zo goed als van mij. Zou dat de 'state of mind' van België zijn?

Belgische kunst (1)

 Zag ik vanmiddag in de Amersfoortse Kunsthal Kade. Dat begon al met de titel: 'De Vierkantigste Rechthoek. Tom Barman ziet alle hoeken van een eeuw Belgische kunst.'

 De voorman van de rockband dEUS dus, nu als maker van een tentoonstelling. Takken van kunst die elkaar kruisen. Het zet zich voort in de openingstekst waarin hij Magritte als peetvader aanhaalt: 'Elk zichtbaar ding verstopt een ander ding.' En ja, achter iedere kunstenaar komt hier weer een andere tevoorschijn. Wat ze gemeen hebben is de Belgische werkelijkheid van het 'reëel bestaande surrealisme'.

 Barman laat je zijn rondgang langs ateliers en musea meemaken. En daar komen ook de woorden. Waar in Nederlandse kunst 'zonder titel' zo gangbaar is, blijkt het in de Belgische een zeldzaamheid. Er worden al een eeuw lang absurde verhalen verteld, waarbij tekst en beeld in elkaar grijpen.

 Net andersom als in het Calvinistische Noorden, waar het woord een vloek is in de ijzige beeldkerk en Mondriaan zwijgt als het graf.

 In Amersfoort is het andersom. Dat begint met de peinzende vrouw van Fernand Khnopff die een bloemvaasje ophoudt: 'Gebaar van een offerande / Gebaar van respect (1900) en het 'Etui voor bromfiets' (2004) van Wim Delvoye, een reuzengitaarkoffer - met rood vilt gevoerd - waar precies een Peugeot brommer in past. Van 'From Here To The West And Back (2008) waarin Koen Van Den Broek de zonnestanden door een deuropening vangt tot de voet tussen de deur van Peter de Meyer 'A way in, pre-study' genaamd (2014).

 Tussendoor laten mensen als Jane Graverol (rond 1950) en Leon Spilliaert je zien dat de Belgitude nooit weg was. Grapjes, absurditeiten, en daarachter de behoefte vorm en taal te geven aan het gevoel van hopeloze onthechting dat België zo eigen is. Bij vlagen o zo gezellig, maar wacht tot de wanhoop toeslaat, zoals in 'Herr Einsam' van Nel Aerts of het voor de spiegel gehangen fluwelen kledingstuk van Lili Dujourie (1985) getiteld 'In mijn nacht nadert niemand.'

 België in Amersfoort aan den lijve ondervinden. Niet mis. Later meer. 

Patrick Hughes (1)

 Met iedere stap die je zet verandert de wereld. Behalve als je voorbij een schilderij komt. Dan blijft ie stilstaan. Dat schilderij blijft vrijwel het zelfde. Behalve, maakte ik vanmiddag mee, bij de Engelsman Patrick Hughes in Panorama Mesdag in Den Haag. 

 Die maakt schilderijen in drie dimensies waarin hij verschillende blikpunten verwerkt. En die bij iedere stap die je zet er anders uitzien. Je gelooft letterlijk je ogen niet. Schiet ook voortdurend in de lach bij deze superkijkdozen. De locatie klopt, ook Mesdags Panorama is bewandelbaar, al mag je niet pal onderlangs het doek lopen.

 Vaak is het niet een tafereel, maar zijn het meerdere schilderijen ineen. Zodat je, wanneer je eraan voorbij loopt, geleidelijk van het ene schilderij in het andere schuift. Je komt bijvoorbeeld langs deuren. Een hele rij, maar wanneer je ze passeert gaan ze open en krijg je zicht op een landschap erachter. Dat is de eenvoudigste vorm. Maar verderop wandel je door een hele tentoonstelling van Picasso-werken, samengevat in een enkel driedimensionaal doek.

 Vraag me niet hoe hij al die blikpunten kloppend bijeen krijgt. En dat zonder 3D of wat voor digitalia ook. Doek en verf, meer is er niet, alleen in drie dimensies.

 Als ik het zo vertel gelooft geen kip me, en toch. Ga naar Panorama Mesdag want daar hangen ze. Tot immens plezier van de bezoekers. Kinderen voorop, die maar heen en weer blijven lopen om de wonderen te ervaren. Maar ook hun ouders, groepjes Japanners. Iedereen verlaat lachend de zaaltjes. Waar bij komt dat er ook gewone tweedimensionale grapjes tussen zitten.

 Grote leermeester Magritte – wiens werk ook door Hughes verknipt wordt - had dit prachtig gevonden.  

Belgitude

 Noem het Belgitude, het Belgische. Geen Belg kan je uit­leggen waar hem dat in zit. Maar welke Belg zal zich Belg noemen? 

 Morgen zullen Flupke en Mathilde het nieuw vorstenpaar zijn. Vandaag hield vader Albert zijn afscheidsspeech. Belg of geen Belg, wat hij deed om het land bijeen te houden zal ik niet licht ver­geten. Hij bracht de langste regeringscr­isis ooit tot een einde door een Franssprekende, Italia­anse im­migran­tenzoon tot premier te maken.

 Pure Belgitude. Die stab­iele vorm van schizofrenie die kunst tot staatsvorm maakte. Magritte regeerde. Over de taalgrens heen. Samen met Hergé, Broothaers, Spilliaert, Kamagurka, Edgard Tytgat, Marc Sleen, Delvaux, Chantal Akerman, Willy Vandersteen, Franquin..- Magritte werd geboren in Lessines, vrijwel aan de taalgrens, woonde in Brussel, jarenlang in Jette, later Schaerbeek

 Hoe komt het dat er nooit een burgeroorlog uitbrak? Dat komt omdat de Belgitude werkte. Wat betekent oppas­sen met de gevoeligheden van de ander. Een glimlach, een groot gevoel voor slapstick. En vooral heel veel niet zeggen. Niet precies eigenschappen waarin Flupke uitblinkt. 't Is verdrietig, Albert was de laatste Belg.

 Morgen is 't over, la Belgique de Papa.

Roger Raveel (1921-2013)

 Is gestorven. Mijn interview met hem zal er niet zijn. Terwijl zoveel vragen resten.

 Dit 'Karretje om de hemel te vervoeren' uit 1968, te zien in het Raveel-museum in Machelen. Ja, je vervoert de hemel met behulp van een spiegel. Aan de achterkant van het museum, achter een graslandje ver­rijst een betonnen muur, beter een betonnen schutting, bes­taande uit betonnen staand­ers waar betonplaten tussen zijn geschoven. Raveel schildert de poëzie van beton.

 Lang na België zal er nog Belgische kunst zijn. Wat hebben Khnopff, Wiertz, Marc Sleen, Hergé, Franquin, Dodeigne, Kamagurka, Magritte, Marcel Broothaers, Jan Fabre, Spilliaert, Ensor, Alys, Claerbout, en Willy Vandersteen gemeen? Taal scheidt ze niet. In de hal van het Raveel Museum - wondermooi, zo moet een museum - staat ook de oplossing van de Belgische kwestie. Het 'Ka­rretje om de hemel te vervoeren' (1968). Dit fietskarretje komt op veel werk van Raveel voor. Samen met de betonnen muur, de daken, de bones­taken. De spie­gel in de dekplaat zorgt ervoor dat het karretje de wolken, de lucht, de oneindigheid kan vervoeren. 

 Raveels karretje zal België redden.

Drempel

 De drempel. Daar bracht de Fresh widow-tentoonstelling me tenslotte.

 Duchamp wilde rond 1920 een schilderij niet meer zien als de ver­beelding (sorry voor het woord) van een uitzicht, maar als een ding. Maar daarmee was hij nog niet blind geworden. En ramen had zijn huis ook nog steeds, al noemde hij ze fresh widows (matig geestig, als ik het zeggen mag) inplaats van French windows. Wat hij ook probeerde, hij bleef steken, op de grens van binnen en buiten, halverwege bedenksel en werkelijkheid.

 Magritte maakte er één grote grap van, alle Franse filosofen ten spijt. Le soir qui tombe (1964) is zijn laatste woord.

 Rooms with a view, wat zijn wij ande­rs? 

Pagina's