Poëzie

 Toen ik Louis Lehmann eens aankondigde als 'dichter en schrijver' maakte hij bezwaar. Hij zag geen reden sommige tekstsoor­ten gedichten te noemen en andere proza. Hoe dan? 'Zeg maar gewoon schrijver. Ik schrijf toch?'

 Zoiets als de VSB-prijs - die morgen wordt uitgereikt - was in zijn ogen onzin.

 In het Tijdschrift Terras, waarin tekstsoorten dwars door elkaar staan trof ik bij de vermakelijke 'Verwarde note­n' van Jean-Michel Espitallier een weerwoord: 'Poëzie (geeft) de taal wat rust, frist haar op, laat haar ontsp­annen, hangt haar op (aan de waslijn), shampoot haar (Schuim! schuim! 'zacht van de zeep de tong losmaken', Francis Ponge), of integendeel, verhit haar juist, laat haar blozen (van schaamte/van warmte)' en zo nog veel verder.

 Louis Lehmann zou zeggen 'Hm..'. En ik denk, je kunt het beter doén. Laat anderen dan maar uitmaken of ze wat je schrijft poëzie willen noemen en er prijzen voor willen geven.

 Een levend voorbeeld. De dichter Frank Koenegracht ging met zijn Geeske naar een vakantiehuisje op Terschelling. Toen ze na een week binnen zitten - en drinken - vroeg 'Wanneer gaan we nou eens naar zee?' zei de dichter 'Ík ben de zee'.

Vechten

 In de online versie van het tijdschrift Raster staan herin­neringen uit 1996 aan de juist gestorven Bert Schierbeek van Rudy Kousbroek. De eerste is deze:

 'Bert Schierbeek: wat de wereld niet weet is dat hij een keer voor mij heeft gevochten. Lang geleden, op een avond, op dat stukje Leidseplein vóór Café Reijnders waar nu al sinds mensenheugenis terrasjes zijn ingericht. Het moet in 1950 zijn geweest, op een zomeravond na sluitings­tijd. Ik had Bert leren kennen door het tijdschrift Braak, dat Remco Campert en ik hadden opgericht (...). Waar de vechtpartij over ging weet ik niet meer. Ik herinner me alleen nog dat Bert toen daadwerkelijk heeft gevochten, echte vuistslagen gevend en incasserend, na het uitspreken van de woorden: 'Wie aan Rudy komt komt aan mij!' waarbij zich van mij een hevige ontroering meester maakte. Die is nu, 46 jaar later, nog niet verminderd. Ik was toen 20, hij 31.'

 Wat de wereld ook niet meer weet is dat Rudy Kousbroek op zijn beurt heeft gevochten met anti-rookmagiër Robert Jasper Groot­veld. Jasper zat als vaak - met zijn bentgenoten van de 'Bi­kbus' - achterin de zaal van Studio Desmet bij een voorstelling van Music-Hall. Meestal kon ik de manisch-depres­sieve Groot­veld, laten 'dimmen', maar nu, terwijl Rudy Kousbroek zijn liefdes­gedich­ten voordroeg gaf Jasper luidop lucht aan zijn afkeuring en was niet te stoppen.

 Tot het Rudy teveel werd. Hij stormde het podium af, de zaal in en verkocht Grootveld een kaakslag, zo fors dat Jasper met stoel en al achterover tuimelde. Waarna hij verwijderd werd, terwijl Rudy terugwandelde en zijn gedichtencyclus afmaakte. Wordt er nog gevochten in de literatuur? De laatste dichter die ik zag boksen, Louis Lehmann, leeft niet meer.

Een Ruimtereis

Van Alida Beekhuis, uit de nalatenschap van de dichter Louis Lehmann, komen dit verhaal en deze tekening. Beide ongepubliceerd. Datering volgt, ik schat jaren ’50..

 Daar ik nu wel andere dingen aan mijn hoofd heb is het wat moeilijk mijn angst en spanning van voor de oplating na te vertellen, Maar ik verzeker u dat ze niet gering waren. Er waren wel apen met raketten van 60 mijlen in de atmospheer naar beneden komen vallen en de dokters hadden verklaard dat deze in blakende physieke wel stand verkeerden, Maar de apen hadden niet kunnen vertellen hoe hen de reis was bevallen. Ik kon me niet voorstellen dat ze het direct prettig vonden en mijn ondervindingen hebben ook uitgewezen dat het lichamelijk ongemak op vele momenten verre van gering is. Maar zoals u ziet, het is in zekere zin meegevallen. Als ik bij het begin wilde beginnen moest ik u de liefdesgeschiedenis vertellen, welks uiteindelijke onaangenaamheid mij er toe bracht mij op te geven als vrijwilliger voor het opgelaten worden in een raket, toen men meende van de apen niets meer te kunnen leren. Er plegen weinig mensen zelfmoord, wat eigenlijk wel vreemd is en ik begrijp ook van mezelf niet hoe ik tot mijn geste kwam. Met de gewone ijdelheid komt men er niet. Ik verwachtte ook eigenlijk niet dat ik aan genomen zou worden voor dit werk, als men het zo noemen mag. Maar ik kreeg een hevig officieel schrijven en werd daarna enige weken lang intensief onderzocht. Gewone medische keuring en vooral veel zogenaamd psychologische tests. In eerlijkheid moest ik bij verscheidene van deze zeggen dat ik de oplossing al kende (omdat ik ze met psychologen vrienden aan de universiteit als gezelschapsspelen had beoefend), wat de dokters in het begin zeer scheen te mishagen. Maar de wekenlange intimiteit met deze lieden bracht enige vriendschappen te weeg en na de tests vertelde een van hen mij dat ik nog vrij veel medesollicitanten had gehad, Maar vrij wel allemaal gekken. Een zelfs zozeer dat hij gezegd had dat hij solliciteerde omdat hij op zijn minst hoopte engelen te zien. Ik heb nu wel de gelegenheid om over deze opmerking na te denken. Toen mij dit verteld werd, was ik al midden in de maandenlange technische opleiding, die de tests volgde. Bij nader inzien was dit eigenlijk nog dwazer. Het was ongeveer zo dwaas als om iemand een cursus in geologie te geven voor hij begraven wordt. Dat bleek toen ik voor het eerst mijn raket te zien kreeg. Deze raketten zijn namelijk geheel op apen ingericht, dus al zou men in staat zijn het mechaniek gunstig te beïnvloeden in moeilijke ogenblikken, dan zou men toch nergens bij kunnen komen. Ik weet niet of de televisie installatie, waardoor men kon zien wat er buiten de raket gebeurde een speciale attentie voor mij was, of dat de apen die ook al voor ogen hadden.

 Mijn afscheid was tenslotte een vrij eenzame aan gelegenheid. Het moest geheim blijven. Als ik heelhuids zou zijn teruggekomen zou men een communiqué uitgeven ( dat u al in enige bladen hebt kunnen lezen). Er waren alleen technici aanwezig die nauwelijks notitie van me namen. Ze hadden het veel te druk met zenuwachtig te zijn en elkaar zenuwachtig te maken over de machinerieën. Pas toen ik helemaal opgesloten was in een hokje, dat niet veel verschilde van wat u in films over reizen naar Mars of de maan hebt gezien, alleen nauwer en minder gezellig kwam er een stem, nauwelijks verstaanbaar door de loudspeaker naast het televisiescherm, en vroeg hoe ik het maakte. Ik zei dat het best ging, vermoedend dat er wel een microfoon in de buurt zou staan. Ik vergat nog te zeggen dat ik zo vastgesnoerd was, dat ik nauwelijks mijn hoofd kon bewegen. Toen vroeg de hele zachte stem weer of ik er soms nog uit wou. Ik zei "nee ", en kreeg daarbij in mijn hoofd een van de onbenullige gedachten, die men zo vaak op moeilijke momenten heeft. In dit geval, dacht ik, dat ik haast niet durfde door complicaties te veroorzaken de technici nog nerveuzer te maken Dan ze al waren. Even later kwam er een bar lawaai door de loudspeaker en was ik erg dankbaar dat ze hem zo zacht hadden gezet. Dit prettige gevoel had ik niet lang want ik kreeg tegelijkertijd een onbeschrijflijk naar gevoel. Een snelle lift was er werkelijk niets bij. Het duurde misschien naar de klok niet lang, maar wel voor mij.

 Toen ik nu eindelijk weer enige rekenschap kon geven van wat er om me heen gebeurde, moest ik constateren dat dat niet veel was. Het televisietoestel was niet bijster interessant ingesteld. Ik zag niets dan een donkere hemel met helderder sterren dan ik gewend was. Ik had veel liever de aarde eens van deze afstand gezien en vervloekte de technici. Maar misschien had het niets anders gekund. Ik keek niet meer hard. Maar toen ik weer eens het scherm zag, verbaasde ik mij wel. Want de sterren waren zo veel groter geworden. Dit kon volgens mij niet, ook al was de raket uit de dampkring weg en ruimteschip geworden, zoals het in de verhaaltjes heet. Maar ja, ik was tenslotte de eerste die zo ver van de aarde weg was en dit zag, dus was het enigszins pedant om te beweren, dat alles anders was dan het had moeten zijn. Het gekste was nog niet gebeurd, want toen ik naar deze sterren, die steeds maar groter werden, zat te kijken, verscheen er op mijn televisiescherm een heel ander, ja, misplaatst beeld. Een wagen met twee wielen en twee paarden, waarin een vrouw met een lang gewaad aan stond. Ik dacht natuurlijk dat dit beeld als hallucinatie zou verdwijnen, Maar dat deed het niet. Het zonderlinge span bleef in het beeld, het scheen zich parallel met mijn raket en even snel te bewegen. Nu zag ik ook wat zij deed. Zij schoot een lang touw op in grote, gelijke bochten en even later zag ik ook waarom. Het was een lasso; op het televisiescherm zag ik de lus recht op mij afkomen en toen aan alle kanten tegelijk uit het beeld verdwijnen. Ik was gevangen; de raket gaf blijk niet meer regelmatig te bewegen, maar de schokken en de vertraging waren niet van dien aard dat ik me ook maar bij benadering er zo naar door voelde als door de start. Ik bleef kijken; zij begon haar lasso in te palmen en verdween toen achterwaarts uit het beeld, blijkbaar afremmend. Wat ik op het vrijgekomen scherm zag, was evenwel nauwelijks minder vreemd. Voor nog maar twee van de groot geworden sterren was plaats op het scherm en zij waren vastgehecht, of zaten in een donkere wand. Ik geloofde het eerst niet maar het werd zekerheid toen ik een deel zag van een groot luik dat in deze wand geopend werd. De vrouw op de wagen loodste mij blijkbaar daarheen. Na enige tijd zag ik de doorsnee van de wand, niet dikker dan een halve meter, tenminste bij deze opening, en een lichte, kale zaal waarin de raket zonder erge schokken stil kwam te liggen. Nu kwam er ook weer geluid door de loudspeaker. Het eerste wat ik hoorde was een mannenstem:“Wat ben je weer nieuwsgierig, Athena, had je dat ding niet gewoon terug kunnen gooien? “

 “Waarom, Apollo? “antwoordde een vrouwenstem, blijkbaar die van mijn vangster, "ga jij nu Hephaistos even halen, die kan zo’n ding open krijgen”.

 “Nogal interessant, de laatste keer dat je hem er een hebt open laten peuteren kwam er een aap uit, net als uit de mouw”.

 “Weet je geen beter mopje? Ga hem nou alsjeblieft halen, want ik heb het gevoel dat het deze keer iets bijzonders is. “

 “Vrouwelijke intuïtie”, zei Apollo smalend, maar het werd toch stil.

 Ik was dus niet minder dan bij de goden verzeild en wel bij dezelfden van wie men op school leert. Een waarschuwing tegen het onderschatten van het onderwijs. Even later hoorde ik Athena weer spreken en een andere mannenstem antwoorden. Ik hoorde enig technisch geluid aan de buitenkant van mijn vehikel en verwonderlijk snel ging het luik, waardoor ik naar binnen gekomen was open en een man met een baard en een blauwe overall keek naar binnen. " He " zei hij, "Athena, je had gelijk, er zit een mens in". Athena keek ook naar binnen en zei toen: " Kom er maar uit, je zult wel stijf zijn". " Ik zit vast", zei ik. " Hephaitos maakt je wel los". En hij deed het. Een gemoedelijk persoon, deze goddelijke monteur. Ik kroop naar buiten en stelde mij voor. Wat had ik anders moeten doen.? Ik ben niet godsdienstig opgevoed. Ik zag dat de man in de overall mank was.

 Athena nam me mee naar een zaal die er comfortabeler uitzag dan de ruimte waar de raket geplaatst was. Daar zaten nog een paar andere goden en godinnen. Ik stelde mij voor, zij niet. Dat bevreemde mij eerst, maar later begreep ik dat zij veronderstelden dat ieder mens hen wel bij name zouden kennen. Ik werd op een divan met kussens gezet en kreeg te eten en te drinken. Ik weet niet wat, maar het was bijzonder lekker en gaf me een bijzonder gevoel van fitheid, dat ik tot op de huidige dag heb gehouden. De conversatie ging overigens nogal moeizaam. Ik begon me al ongerust te maken daarover, toen er een nogal oude, forse heer met een lange baard binnen kwam. Iedereen stond haastig op, keek min of meer betrapt en begon druk te vertellen alsof zij zich wilden verontschuldigen. Ik was ook met de anderen opgestaan, de oude heer van wie zelfs ik begreep dat hij Zeus was, knikte mij minzaam toe en zei: "Zo, jonge man, ik zie dat ze je goed onthaald hebben."

 Daarna wendde hij zich tot Athena en zei: "Dochter, je hebt er goed aan gedaan hem binnen te brengen. De stervelingen zijn nu wel ver gekomen, maar het is nog niet het moment om actief tussen beide te komen. Maar aangezien we ze ook niet allemaal te pletter kunnen laten vliegen tegen het hemelgewelf, zoals met deze bijna gebeurd was, lijkt het mij het beste als we de hele zaal voorlopig wat uitbouwen. Het is wel een heel werk en vergt veel materiaal, maar Hephaistos zal het wel aankunnen. De anderen keken wat beteuterd, zij waren waarschijnlijk blij met wat afleiding. Ik werd naar mijn raket teruggeleid. Ik bedankte iedereen en kroop naar binnen. Daar zag ik dat het zwaar vastgeschroefde luik in de bodem van mijn verblijf, dat toegang gaf naar de machines, waar ik zoveel over geleerd had en niet aan mocht komen, open lag. Even later kwam het hoofd van Hephaistos er boven uit.

 “Hoe bent U daarin kunnen komen?” vroeg ik verbaasd.

 Hij lachte en zei: “Je denkt toch zeker niet dat een sterfelijk monteur een mechaniek kan verzinnen, dat ik niet direct door heb?” Ik heb daar beneden even een paar dingen versteld waardoor je heel wat comfortabeler zal worden. Goede reis”.

 Ik bedankte hem. Hij was een gemoedelijk persoon, deze godenmonteur. Ik werd door het luik in het hemelgewelf naar buiten geschoven en ik had inderdaad op mijn terugreis merkwaardig weinig ongemakken. Ik kon nadenken en verbaasde mij eerst dat de goden mij geen eed van geheimhouding hadden opgelegd of zoiets. Maar al spoedig begreep ik, dat dit onnodig was. Niemand op aarde zou me toch geloven, als ik alles vertelde. Ik heb tot nu toe steeds gezwegen, alleen moet ik steeds erg lachen als ik hoor over de theorie van het uitdijend heelal.

Tags: 

Woord

 In vrijdagnachten kan het gebeuren dat op Radio 1 zomaar stemmen uit het verleden te horen zijn. Zo kan wie vannacht bij z'n radio inslaapt na drieën wakker worden bij stem en muziek van de onlangs overleden dich­ter Louis Leh­mann.

 Het nachtprogramma Woord brengt onder meer opnamen van hem met pianist Guus Janssen uit 1985, een interview uit 1986 en een Grieks lied waarbij Lehmann zich­zelf op de accordeon begelei­dt.

 Wat me brengt op het oude verhaal dat je onder bij­zondere atmos­ferische omstandigheden - zonnevlekken, het noor­derlicht - radioprogramma's van lang geleden kon opvan­gen. Die op bepaalde frequenties in eeuwigdurende weerkaat­sing bewaard bleven. Zo kon je opeens terecht komen in een wedstri­jdvers­lag van Han Hollander uit 1938 of Duitse legerbulletins uit de Tweede Wereldoorlog.

 Niet alleen Louis Lehmann is vannacht tussen twee en zeven te horen op radio 1, ook bijvoorbeeld Wim Kayzer in gesprek met Rudi van Dantzig en vele anderen. Vanaf morgen ook te downl­oad­en als podcast. 'Woord' is de aanloop naar het digitale Gesproken Woord-archief van de hele Nederlandse radio. Later meer.

Louis Lehmann (4)

 Op de crematieplechtigheid vanmiddag was zijn uitroep 'bizar' minder van toepassing dan op wat hem in het verpleeghuis met dementerende dames was overkomen.

 Eentje legde een speelgoeddier bij hem in bed, een andere stond erop hem te kussen en droeg nogal lipstick, zodat vriendin Alida hem met een knalrood gezicht aantrof. Zij benadrukte vanmiddag Louis' meest kenmerkende eigenschap, zijn nieuwsgierigheid. Ja! Nam hij deel aan een ongewisse rit met het sixties-relict Magic Bus - een bus vol hippies en één sombere oudere heer achterin - en vroeg je hem achteraf hoe het was geweest dan luidde het antwoord als vaak 'vervelend', maar hij wist niet van opgeven. En sociale lachjes waren hem vreemd. Vond hij een stuk muziek of een tekst slecht dan sprak zijn gezicht boekdelen.

 De jaren zestig beschouwde hij als een bevrijding, de Beatles als de muzikale revolutie van de eeuw. Jarenlang spraken wij over muziek - zijn eigen composities, alle soorten - poëzie was een taboe-onderwerp. De reden? Als hij ergens solliciteerde als archeoloog en werd afgewezen zeiden ze altijd 'maar u bent toch dichter'. De poëzie had hem 'baanloos' gemaakt, meende hij.

 Eens vroeg ik hem naar zijn gedachten over de dood. En hij antwoordde dat hij de gedachte aan wat hij allemaal zou missen als hij er niet meer was onverdraaglijk vond.

 

Tags: 

I.M. Louis Lehmann (3)

 Je leeft niet meer en als vanzelf rijst de vraag wie je was. Terwijl dat er tijdens je leven toch veel minder toe leek te doen.

 Morgen wordt Louis Lehmann begraven, die een uitzondering was, ook hierin. Eens liet ik hem mijn vooroor­logse Radio Encyclopedie zien, waarin ook de volkslie­deren van alle landen die per radio te ontvangen waren - men draaide ze aan het eind van de zenddagen - met tekst en melodie in noten­schrift. Die avond heeft Louis alle tien volksliederen gezon­gen in tien talen - hij was componist maar ook polyg­lot. In Denemarken bestaan twee volksliederen, leerde ik, een links en een rechts - hij zong beide.

Louis is wel verdacht van ironie, maar dat is een vergissing. Er was maar één Louis. En die zat voor je neus. Je kon hem vragen wat je wilde en hij gaf antwoord. Sinds 1984 zag ik hem voortdurend, ook door het radiowerk. Gedichten publiceren deed hij niet meer: 'Het begon me te vervelen. Je hoeft er niets voor te weten. Je kunt het of je kunt het niet.' Hij werd scheepsarcheoloog. Toch, er waren de mappen. Ontbrak iemand bij Music-Hall door ziekte of trein­pech dan fietste hij naar de Koestraat en haalde zo’n map. Er zaten onaffe gedic­hten in of wat ook.

'Hee.. Heb ik dit geschreven? Merkwaardig.' In 2008 verschenen ‘Teruggevonden gedichten’, zoals:

Er staat een trap op straat,

Een oude trap om nee tegen te zeggen,

Een trap die je niet zou toestaan je aan te spreken,

Een trap die je niet in je huis zou dulden.

Tags: 

I.M.Louis Lehmann (2)

 Nu komen ze, de verhalen over Louis. Dat van Yvonne, die hem trof op het Stationsplein. Hij moest naar z'n oude moeder en zag daar erg tegenop.

 Gelukkig had ze een flesje cognac bij zich, dat ze daar zittend op de stoep gezamenlijk leegdronken terwijl hij - toch echt geen drinker - zijn moederverhaal vertelde. Hoe ze thuis tegenover elkaar aan tafel zaten - zijn vader was op zee - en elk een boek lazen, want buitenspelen mocht hij als kind niet. Te gevaar­lijk vond ze. En tenslotte de laatste trein naar Overschie miste.

 Of dat van Yolande, aan wie hij vertelde van de woorden van vier lettergrepen die niets betekenden. Die uit zijn mond kwamen toen hij eens bij een psychiater was beland, die hem vroeg naar z'n ouders, zoals psychiaters dat doen. Die woor­den werden een tic. Ze kwamen in allerlei gesprekken naar boven, on­gelegen. Tenslotte tikte hij ze uit, om er van af te komen. Vellen vol.

 Later las hij ze voor op de radio. Dat werd wat saai. Waarop hij zei 'ik kan ze zingen ook'. Hij zong ze, op een melodie van Ellington. En inderdaad, er was er niet één bij die iets betekende. Ra-fi-ma-zo. So-zu-da-gi..

Tags: 

Louis Lehmann (1920-2012)

 Langzaam drong het nog onbevestigde bericht door. Louis, de dichter, componist, scheepsarcheoloog is gistermiddag gestorven. Weer zie ik hem boven voor het raam in de Bethaniënstraat staan, zomer 1997. Hij moest weg uit dat kraakpand, ik zou helpen. 

 Alida had gebeld. Min of meer ten einde raad, want Louis moest verhuizen en hij wou niet. Toch was er geen ontkomen aan, het huis zou worden gesloopt. 'Daar zijn tegenwoordig toch snelle en handige mensen met auto's voor.' Maar Louis had gezegd dat hij het zo onder geen beding wilde en was in snikken uitgebarsten. Hoe dan wel? Ik kreeg hem aan de telefoon. En zei 'je bent toch wel eens eerder verhuisd, hoe ging dat dan?'

 'Met een steekkar en touw-en-blok.' Net als in Leiden, in 1947? Goed, als het zo zou gaan was hij bereid te verhuizen. Nu moest ik gaan bellen. Al vlug bleek de steekkar niet meer te bestaan. Ik vroeg Louis of een bakfiets ook goed was. Desnoods dan. En zo stond ik op een zomerochtend in de Bethaniënstraat, met een bakfiets en een touw-en-blok. Het was een typisch Louis-huis. Zonder stoelen dus. Kwam er een gast, dan mocht die in de kruiwagen ('daar heeft Roland Holst nog in gezeten'). Zonder kasten ook, zodat papier, boeken etc. op stapeltjes op de vloer lagen, waartussen gangpaden waren uitgespaard. Aan de muur hingen interessante objecten, soms van straat opgeraapt en opgeprikt, soms op de markt gekocht (ik herinner me een in plastic verpakte multi-purpose nijptang).

 Louis had gezegd dat hij wel wat zou voorbereiden, maar daar was weinig van gekomen. Wel had hij bij Albert Heyn 5 kartonnen dozen gehaald en beschikte ook over een aantal 'eindjes touw'. Ingepakt was er niets. Het werd een gloeiendhete dag, met ook nog veel wind, die dwars door de Bethaniënstraat woei. De rolverdeling was als volgt: Louis zat boven, tweehoog met zijn inboedel, de dozen en de eindjes touw (op driehoog bevond zich nog een vlierinkje, met vooral pannen om lekkend regenwater op te vangen). Beneden stond ik, geholpen door de nicht van Alida, die ook het transport naar het nieuwe huis (in de Koestraat, twee straatjes verder) verzorgde. In het nieuwe huis richtte Alida in.

 Dit werd een lange dag. Wat ik Louis nooit heb durven vertellen is dat ik er een forse schouderblessure aan overhield. We hingen touw-en-blok aan de hijsbalk. Na het takelen van de zware dingen, de kruiwagen, kisten etc. begonnen we aan de dozen. Louis vulde er telkens een met wat voor de hand lag en bond hem toe, waarna hij hem aan de haak van het touw hing. Sommige waren onverwacht zwaar, andere vederlicht. Soms ook kwam er een onverpakte stapel buroladen naar beneden, waarvan de inhoud (doorslagen, brieven, brochures) meteen door de Bethaniënstraat woei. Telkens als een aantal dozen beneden was aangekomen en geleegd moesten ze weer terug naar boven, met de ontknoopte eindjes touw.

Tags: 

Louis digitaal

 Dichter, scheepsarcheoloog en (onder meer) componist Louis Lehmann (92) heeft een eigen website, gemaakt door Frank Esselink in opdracht van de Bezige Bij.

 En, zijn vriendin Alida Beekhuis, die hem dagelijks bezoekt in het verpleeghuis, bericht me dat ze zondag 9 dec. as. op de Beurs voor Kleine Uitgevers in Paradiso staat met twee nieuwe uitgaven: 'Louis is alive, but not kicking. Hij gaat erg achteruit. Weegt nog 50 kg. Hij eet redelijk en drinkt veel. Het enige wat hem nog amuseert is muziek. Toch maakt hij geen depressieve indruk. Hij heeft geen pijn en slaapt veel.'

 Op 9 december in VPRO's Vrije Geluiden besteedt Guus Janssen op tv ‘enige’ aandacht aan Louis' muziek. Maar waar bleven toch zijn vele opt­redens in oa. Music-Hall? Waar bleven de twee uren met uitvoeringen van zijn composities door Guus en met toelichting van Louis zelf? Met ingang van febru­ari as. zijn ze - met nog veel meer - terug te vinden op de nieuwe archief­site van de omroep woord.nl.

 Hier alvast het vijf-uurs Marathon interview dat ik met hem had in 1990, en dat geen interview mocht zijn. Een 'gesprek' dan.

Tags: 

Lehmann op zee (2)

 Het was de enige zeereis met z'n vader, later heeft ie er nog verscheidene gemaakt. Terug naar de erudiete rechtenstudent in 1947 temid­den van een wel erg Hollands stel zeelieden.

 Officier O. meent dat na Suez 'het mensdom ophoudt'. Op 2 mei noteert Louis: 'Verveel me en verlang naar land. Zee zo dood dat men zich niet kan voorstellen dat er vissen in leven. Kan begrijpen dat beesten als Pelorus Jack (noot: 'mens­lieve­nde dolfijn') geliefd zijn.'

 Hij moet steeds maar patience spelen met zijn vader, de kapitein: 'Een zekere zin van het onvermijdelijke schijnt te maken dat men aan boord niet geheel in vervelingsrazernij raakt. Bij eten verhalen van T.O., drank en Coney Island. Verhaal over vuilheid van een man Smit en hoe deze in Mar­seille in witte uniform aan land ging en terug kwam met zijn rug vol rode lippen. Patiencecorvée. (...) Ga mee tot Napels. Verlang naar het eind van de eenzaamheid en van het gezelschap der bevaren kantoorbedienden. Het is vreemd hoe dicht iets aangenaams naast iets vervelends is. Als ik iemand hier aan boord had die me na stond zou ik genieten hem in de scheepss­feer in te leiden die voor mij zo alledaags is. Nu is de zeereis iets onwerkelijks met een vage ondertoon van tijd verknoeien.'

Tags: 

Pagina's