Raketpost

 Toen ik hoorde dat vriendin Miek naar een Schots eiland zou vertrekken vroeg ik allereerst naar George Orwell, die in de jaren 1945-1949 op zo'n eiland als boer leefde. Moest ze dan ook elke ochtend in haar dagboek noteren hoeveel eieren de kippen hadden gelegd? Ja, dat zou ze zeker gaan doen.

 Ik dacht aan de postbezorging op verre eilanden waarvoor de Royal Mail bij ruw weer als er niet gevaren kon worden raketjes gebruikte, die neerkwamen aan parachutes, met speciale postzegels. Ook voor voedsel.

 Al in 1934 werd raketpost afgevuurd naar de Schotse eilanden, 1200 brieven tegelijk. Helaas ontploften de eerste raketten. Maar het ging verder.

 Denk dus niet dat Internet alles heeft opgelost. Onze steden barsten van de koeriers die Internet-aankopen moeten bezorgen. En de eilandbewoners dan?

 Buizenpost was mijn eerste ervaring op dat gebied. Wat met perslucht werkt. 

 Voor pakketten lijkt het ideaal. In Parijs werkt het oude systeem nog steeds, zij het totaan de periferique. Daarbuiten komen de brommmertjes.

 Toen in 1969 in de radiovilla van de VPRO een snelle verbinding tussen de studio en de telefoonredactie moest worden aangelegd was daar de buizenpost met briefjes in kokers. En nu zeer gezochte Rohrpostzegels.

 En let op: de toekomst van het Internetkopen en -bezorgen ligt in de buizen­post. En als het om afgelegen plekken gaat worden dat drones. Als Miek in Schotland straks zonder spliterwten zit laat ik ze bezorgen per dronepost.

 Wie ontwerpt het eerste Dronezegel?

Kafka's verdwenen manuscripten

 Een kort AP-berichtje in de Volkskrant van vanmorgen. De handschriften die in Tel Aviv waren bij Eva Hoffe, dochter van de laatste vriendin en secretaresse van Kafka's vriend Max Brod moeten - na jarenlange strijd - naar de Israëlische nationale biblioth­eek. Komen nog onbekende Kafka-verhalen naar boven uit in Tel Aviv weggestopte koffers?

 Kenner Niels Bokhove gemaild. Die het verhaal in 2009 al vertelde in het blad van de Nederlandse Kafkakring. De dames Hoffe, moeder en haar twee dochters deden alles wat erfgenamen zo'n slechte naam bezorgt. Niels helpt twee sprookjes de wereld uit. In 1921 al zei Kafka die in 1924 aan tbc zou sterven tegen Max dat zijn testament 'ganz einfach' zal zijn: 'die Bitte an dich  alles zu verbrennen'. Brod zei hem toen meteen: 'Falls du mir im Ernste so etwas zumuten solltest so sage ich dir schon jetzt, dass ich deine Bitte nicht erfüllen werde.' Brod publiceerde dit kort na Kafka's dood en de familie benoemde hem tot executeur testamentair.

 Toen de Duitsers in 1939 Praag binnenvielen verdween Max Brod net op tijd naar Palestina met een grote koffer manuscripten. Max bracht het werk grotendeels uit, de romans, verhalen en brieven die we nu kennen.

 Na zijn dood in 1968 erfde Ilse Esther Hoffe wat nog over was, met de opdracht van Max het in een openbare bibliotheek onder te brengen, zodat het openbaar toegankelijk zou zijn. Dat deed ze niet. Handschriften, tekeningen, kaarten, brieven bleven achter haar slot in Tel Aviv. Zij en haar dochters verkochten ze soms stukje bij beetje aan de meestbiedende,

 Het is echter niet waar dat niemand ze mocht inzien. Verscheidene geleer­den zagen ze. Niels verwacht geen nog onbekende teksten.

 En nu Israël. Waar nooit veel belangstelling, ook geen wetenschappelijke, voor Kafka was. Hijzelf hield niet erg van het Zionisme, voelde zich meer aangetrokken tot de Oostjoodse cultuur. Lees zijn dagboeken.

 Waarheen nu met de resterende erfenis? Niels meent dat ze het beste naar het Duitse Literaire Archief in Marbach zouden kunnen, waar de know-how is. Kafka's werk is bijna geheel uitgegeven, maar dat van Max Brod - waarin veel over Kafka - nauwelijks.

 De geruchten blijven intussen. Er zouden volgens de dames Hoffe nog duizenden pagina's dagboeken, lezingen en brieven in banksafes liggen, in Zurich en Tel Aviv... Maar de Israelische bibliotheek belooft dat alles tenslotte online zal komen. Hopelijk ook de ca. 50 tekeningen die er nog moeten zijn (zie ''Einmal ein grosser Zeichner'', Vitalis Verlag in Praag, van Niels Bokhove en Marijke van Dorst). 

Landmeter

 Bij mij om de hoek nadert de Noord-Zuidlijn zijn voltooiing. Jarenlang zag ik landmeters door mijn straat lopen met hun kijkers op driepo­ten. De enige landmeter die ik kende was K. uit Het slot van Kafka, maar die verricht in heel het boek geen enkele meting. En nooit vond ik een uitleg van deze beroepskeuze.

 De landmeters in mijn straat lieten onbegrijpelijke tekens en getallen achter op gevels, ook de mijne. Dat vervulde me met angst. Uit mijn vorige huis was ik namelijk verdreven door twee functionarissen van de dienst Bouw en Woningtoezicht, die in Amsterdam beschikt over leven en dood. Ze werkten, zo bleek, in opdracht van een projectontwikkelaar die zijn oog had laten vallen op de 'toplocatie' aan het Vondelpark waar ik een 19de‑eeuws huisje bewoonde.

 Ze stonden bij mij in de kamer. De een liet een knikker over de vloer rollen die duidelijk naar de linker zijmuur wilde. 'Hij staat scheef.' Zei hij tevreden.

 De ander liet een peillood aan een touwtje uit het raam zakken en keek het na. 'Hij buikt,' zei hij.

 Na maanden procederen tot aan de Raad van State moest ik weg. Rondom mij werd gekraakt. Links van me was een Duitse drumster ingetrokken.

 Huizen en al wat er mee te maken heeft hebben me veel angst aangejaagd. Ze zijn sterker dan ik.

 Zoals Nescio zei (waar?): 'Wat willen de mensen? Mooie oude huizen afbreken en er lelijke nieuwe voor in de plaats zetten.'

 Maar ik ben nu even gerust. De Noord-Zuidlijn ligt er. En is bijna klaar om volgens plan nog meer klanten naar de Albert Cuyp en de binnenstad vervoeren. 

Tags: 

De roman van Miranda July

 Het vermijden van de obstakels die medemensen zijn. Dat is het waardoor Lionel Messi nooit gebleseerd raakt. Ben je er niet zo goed in, mijd het speelveld. Zeg liever nee als ze je vragen.

 Maar in het leven van alledag geldt niets als schaamtevoller dan vermijden. Sociale onhandigheid is een groot onderwerp waar de literatuur meestal omheen draait. Van de niet geschreven roman van Friedrich Nietzsche over zijn toenade­ring tot Lou Salomé tot Kaf­ka’s in verlegenheid gesmoorde relatie met Milena Jesenska. Schaamte, en toch een pad moeten vinden in het mijnenveld. Liever thuis blij­ven als gezegd wordt 'ga toch gezellig mee', eindeloos smoezen verzinnen.

 Het meesterwerk hierover in onze letteren is het onderschatte 'Meneer Foppe over de rooie' van Wim de Bie. Maar daarbuiten? Oblomov vindt ontsna­pping in de slaap, de droom. Een obese hoofdf­iguur las ik nog niet.

 Maar nu ben ik dan verzonken in de eerste roman van Miranda July 'The first bad man' - vertaald als 'De eerste foute man'. En haar heldin Cheryl, even in de veertig, blijkt familie van meneer Foppe. Ook zij leeft alleen en heeft haar eigen 'sy­steem' voor alles. Zo is er maar een bord in huis dat ze steeds afwast, zodat er nooit een gootsteen vol vuile afwas staat. Een werkzame manier van angstbezwering.

 Totdat er een onbeschofte jeugdige logé komt. Cheryl kan geen nee zeggen dat hoort bij de kwaal. En deze Clee houdt zich aan geen van haar regels. Binnen een dag staat de goo­tsteen vol vaat. Het meisje wast zich maar eens per week. Ze stinkt. En is nog mooi ook, krijgt mannen achter zich aan. Ze eigent zich het huis toe. Wat nu? Die foute man? Ik lees.

Realisme in de supermarkt

 Lang geleden woedde er in de beeldende kunst een stam­menstrijd tussen abstracten en realisten. Het nieuwe nummer van Kunstschrift overschouwt leerzaam en vaak komisch wat ervan rest.

 Gijsbert van der Wal beschrijft hoe hij in de rij bij de supermarkt stillevens ziet ontstaan tussen wat hij noemt de 'beu­rtbalkjes'. Wat een woord! Gaandeweg blijken het composities te zijn, zelfportretten: 'Zelf zet ik mijn boodschappen, sinds ik ze als stillevens beschouw, vaak wat stillevenachtiger neer. Staande flessen en pakken achteraan, met een mooie afwisseling in kleur of hoogte. Lagere potjes en pakjes daarvoor. Een liggend voorwerp op de voorgrond, als de keeper op oude elftalfoto's. Soms een tros bananen die om het geheel heenkrult.'

 Het componeren zit hem in het bloed. Zo zelfs dat hij vergeet dat straks bij het inladen de flessen bovenop de bananen terecht komen.

 Wat dit nummer zo mooi duidelijk maakt is hoe nutteloos dat oude onderscheid is. Je komt uit bij het laten spreken der dingen. Door de keus van de schilder juist deze voorwerpen samen te brengen, door hun textuur, de ordening ervan.

 Gek genoeg wordt 'het ding' ook in de literatuur opnieuw bekeken. Tijdschrift Terras wijdde er een nummer aan. Veel ding-poëzie. Ik sloeg Kafka op, denkend aan zijn gesprek met de biddende man die zo schreeuwt in de kerk. Die zegt:

 'Ik neem namelijk de dingen om me heen alleen in zulke broze gedaanten waar dat ik altijd geloof dat ze ooit geleefd hebben, maar nu wegzinken. Altijd, beste heer, heb ik een verlangen de dingen zo te zien, zoals ze zich misschien vertonen voordat ik ze te zien krijg. Dan zijn ze vast mooi en rustig. Dat moet zo zijn, want zo hoor ik de mensen vaak over ze praten.’

 Ann-Sophie Lehmann schrijft over de vervloeiing van levende en dode materie in een uitgewogen stuk over glas in de schilderkunst, halverwege schijn en wezen. 

Plot?

 Hoe komt het dat je verder leest en een boek niet weglegt? Je wilt weten hoe het verder gaat, met wat of wie ook. Hoe het afloopt misschien.

 Deze week opende Gustaaf Peek met een steekhoudend en geestig betoogje de avond 'Weg met de plot', waar een nieuw Re­visor-nummer werd gedoopt. 

 Wat houdt die spanning gaande? Vanouds heette dat de plot. Je kon er over leren bij eindeloos herdrukte Amerikaanse instructeurs van filmmakers: Syd Field, Lajos Egri. Daar leerde ik over de 'plotpoints', de momenten in een verhaal waarop een hoofdpersoon een weg inslaat waarvan geen terug meer mogelijk. Het meisje gaat in Psycho het spookhuis boven het Bates-motel binnen waar haar de krankzinnige Anthony Perkins wacht. Hitchcock speelt het spel volgens de regels.

 Gustaaf Peek verzet zich tegen dat klassieke fuikmodel. Hij hield het op geheimzinnigheid als spanningmaker. Dat wat wij als lezers - en als schrijvers - niet weten. Ik was daar en viel hem bij. Voorspelbaarheid is dodelijk. Zeker die van plots uit het boekje.

 Je hebt dat in alle takken van kunst. Als ik steeds terugga naar dat ene schilderij - ik noemde de Mariaplaats van Saenredam in Boijmans met de struikjes op het kerkdak - dan is dat omdat elk goed kunstwerk een raadsel bevat, waarvoor je er steeds weer naar teruggaat. Schilders bevestigen me dit.

 Dat zei ik, is ook de reden dat ik levenslang een paar boeken met me meesleep, ze bevatten een raadsel. Kafkas Beschrijving van een strijd, Werther Nieland, Petersburg van Andrej Bjelyj en zo door.

 Een raadsel ook voor de schrijver. Hij schreef om iets te ontdekken, over zichzelf. En nam je mee op zijn zoektocht. Gedeelde spanning. Vergeefs natuurlijk. Het raadsel blijft bewaard. Een boek weet, als het goed is, meer dan de schrijver.  

Vorlesebühne

 Volgende zaterdag, de 20ste doe ik in Utrecht mee met Bernhard Christian­sens Vorlesebühne, een aflevering over liefdesbrieven, samen met Roelof ten Napel, Sylvia Hubers, Maaike Haneveld, Bernhard zelf en muziek van Heug. Ik lees behalve iets eigens ook uit Franz Kafka's brief aan Milena over de 'briefspoken' (1922):

 'De eenvoudige mogelijkheid van het brieven schrijven moet puur theoretisch bekeken een verschrikkelijke ontwrichting van de ziel in de wereld gebra­cht hebben. Het is immers een omgang met spoken en wel niet het spook van de geadresseerde, maar ook met het spook van je zelf, dat je onder de hand in de brief die je schrijft ontwikkelt of zelfs in een reeks van brieven, waarbij de ene brief de andere versterkt en zich op hem als getuige kan beroepen.'

 'Hoe kwam men nu toch op het idee dat mensen door middel van brieven met elkaar kunnen omgaan? Aan iemand in de verte kun je denken, wie bij je is kun je vastpakken, al het andere gaat de kracht van een mens te boven­. Maar brieven schrijven betek­ent je voor de spoken ontbloten, waarop ze gretig wachten. Geschreven kussen komen niet op hun plaats van bestem­ming, maar worden door de spoken onderweg leeggedronken. Door deze rijkelijke voeding vermeningvuldigen ze zich ongehoord. De mensheid voelt dat en strijdt er tegen, ze heeft, om waar mogelijk het gespook tussen de mensen uit te schakelen en de natuurlijke omgang, de vrede van de ziel te bereiken, de spoorwegen, de auto, het vliegtuig uitgevonden, maar dat helpt niet meer, het zijn duidelijk uitvindingen die al in het afglijden gedaan worden, de tegenpartij is zoveel rustiger en sterker, ze heeft na de post de telegrafie uitgevonden, de telefoon, de draad­loze telegrafie. De geesten zullen niet verhongeren, maar wij zullen te gronde gaan. (...)'

Peter Altenberg in het Café Central, zijn stamcafé

Lift

 Wie schrijft heeft de plicht te noteren wat er gebeurt. Zo vat ik de woorden van Henk Hofland samen die me al heel lang vergezellen. Geen diepe gedachten dus, geen fantasieën, maar allereerst gewoon wat er om je heen aan de hand is. Nu is dat nog zo gewoon en alledaags dat het niet belangwekkend genoeg lijkt om te noteren, maar dat is een vergissing. Eens, later zal het uniek en van grote waarde blijken te zijn.

 Franz Kafka is een van de eerste beschrijvers van vliegtuigen (Aeropläne in Brescia) en misschien wel de allereerste die een auto-ongeluk in détail heeft beschreven (in het Bois de Boulogne). Walter Benjamin heeft in zijn 'Berliner Kindheit' voor altijd vastgelegd hoe de telefoon bij hem thuis z'n entree maakte en hoe men ermee omging. In het bundeltje 'Sonnenuntergang im Prater' (1901) noteerde de Weense stukjesschrijver Peter Altenberg (1859-1919) zijn kennismaking met de lift. En hij zegt net waar het om draait: 'Ik ben niet zo dom me door gewenning aan de zegeningen van de modern tijd de charme ervan te laten ontnemen'.

 Altenberg prijst zich gelukkig dat hij voortaan zijn hart en knieën kan sparen dankzij de lift. Wat hij echter niet kan leren is hoe je je moet gedragen als je met een vreemde in de liftkooi opstijgt. 'Je denkt dat je een gesprek moet beginnen en probeert van verdieping tot verdieping iets te verzinnen.' Maar tenslotte weet hij niets anders uit te brengen dan 'Ich empfele mich'. 'Op een toon alsof je juist een vriendschap voor het leven hebt gesloten.'Altenberg mijdt na korte tijd de lift.

'gekrabbel in de marge'?
Voltaire door Jean Huber (1721-1786), favoriet schilderij van Kafka
aan de muur: afgietsel van Maenade nr. 64
het zevende, door Bokhove ontdekte 'Kafka-mannetje'

Kafka tekent (2)

Wie weet dat Franz Kafka eigenlijk - voordat hij ging schrijven - droomde van een carrière als beeldend kunstenaar? Weinigen, maar u wist vast ook niet dat hij een fiets had, een roeiboot en een hond. Afgelopen dinsdag werd boek 'Einmal ein grosser Zeichner, Franz Kafka als bildender Künstler' gedoopt. Een Duitstalige bundel met alle door Kafka gemaakte en beschikbare tekeningen, aangevuld met toepasselijke passages uit zijn werk. Zie dit log van vrijdag 1 december, waar al de tekening van de danseres Eduardova staat.Vanavond - 4 december - een gesprek met Bokhove over woord en beeld bij Franz Kafka (1883-1924).

 Hiernaast een paar van de besproken plaatjes. Kafka krabbelde vaak in de marges van brieven of manuscripten en zijn vriend Max Brod verzamelde al vroeg zijn tekeningetjes. De huidige erfgename van Max Brod, Ilse Esther-Hoffe in Israël, heeft vast nog meer tekeningen, maar ze 'is lastig'. Van het 'Kafka-mannetje' met de lange ledematen dat op veel omslagen voorkomt waren totnutoe zes varianten bekend, maar in dit boek brengt Bokhove een nieuwe, zevende, een soort 'penseur' á la Rodin.Ook de beelden uit Kafka's jeugd komen voorbij. In zijn gymnasium hing een plaat van de 'Alexanderslag', die Alexander de Grote leverde bij Issos. Kafka komt er later vaak op terug.Wat hing er in zijn kamer aan de muur? Een ploegende boer van de Tsech Hans Thoma traceerde Bokhove. Waarom? Geen idee. Verder achterhaalde hij een erotische 'Maenade' (een Bacchante) waarvan Kafka een afgietsel had besteld. Geen toeval, hij was ook geabonneerd (samen met Max) op twee pornografische tijdschriften: 'Opale' en 'Amethyst', uitgegeven door Franz Blei.

 Beide vrienden waren geïnteresseerd in beeldende kunst. In 1910 en 1911 waren ze in Parijs en bezochten het Louvre en het Palais de Versailles. En in het Musée Carnavalet zag hij een schilderij dat grote indruk op hem maakte van Jean Huber: Voltaire, die uit bed stapt en terwijl hij zich aankleedt - op één been - een inval dicteert aan zijn bediende. De schilder Titorelli in 'Het Proces' moet haast een ideaal vertegenwoordigen: als hofschilder had hij direct toegang tot de hoogste instanties.

Tags: 
De rol van beeldende kunst bij Kafka
Beluister fragment