Place Stalingrad

 Vanmiddag op Amsterdamse Art Fair Erik Pape gesproken. Die al vijftien jaar dat ene plein in Parijs schildert. Van uit twee standpunten. Hij woont daar ook, niet ver van het Canal St.Martin. Lange tijd was het een junkie-buurt.

 Johnny van Doorn heeft het verschijnsel benoemd: 'magie der herhaling'. Waaraan hij dan onmiddellijk als illustratie toevoegde Volkswagen-Volkswagen-Volkswagen. En je zag de kevers van de lopende band rollen.

 Ik ken de Place de la bataille de Stalingrad een beetje, genoemd naar de gruwelijkste veldslag uit de Tweede Wereldoorlog, waarbij de Russen de Duitsers tegenhielden,

 En - nomen est omen - zo'n naam wordt een zerk. Tekenend is de gietijzeren brug van de metro, die hier boven de grond komt en een ruime bocht maakt. Akoestisch een stuk muziek

 Tijdens mijn eerst bezoek aan de stad liet mijn moeder me de route uitzetten, zodat ik een lange omweg kon inlassen langs de magische plaatsen waar de metro bovenkomt. En nog bejubelt Charles Trenet de 'Quai de Grenelle ou le metro sort de son tunnel'.

 Mijn eerste route deed vanzelf ook Place Stalingrad aan. En zag het toen verlaten tolhuis van Ledoux. Nu een sjiek restaurant.

 Erik Pape schildert het plein vaak 's nachts, bij lamplicht. Geen mens te zien. Het gaat hem om de verlatenheid.

 De charme van de stad is hier weg. Meer de charme van Parijs wegschilderen heb ik weinigen zien doen. 

Onder de leden

 Volgende week moet ik komen voor de griepprik. Dat lijkt net te laat, maar of wat ik nu heb griep is, geen idee. Ik ga niet internet op.

 Huismiddeltjes worden aangereikt. Johnny van Doorn zwoer bij compressen van ik dacht groene kool. En een vriendin raadt aan: ‘snelverbanden in witte azijn gedoopt en strak om de onderbenen gewonden, dan zakt de koorts als de wiedeweerga.’

 Mijn eerste griepprik kreeg ik lang voor de standaardleeftijd, op aandringen van Gerard Reve, die graag doktertje speelde. Hij was doodsbenauwd voor ziekte maar vond het tegelijk ook spannend:  ‘Je kunt mij altijd wat vragen hoor, want ik weet bijna alles.’

 Zijn darmoperatie in het Schiedamse ziekenhuis zal me heugen.

 Eerst vertelde hij: ‘Er is een rechtstreekse televisieuitzending verzorgd uit mijn achterste. Ik heb het zelf gezien.’ Huh? Het bleek dat er een cameraatje in zijn darmen had rondgekeken. Dit onder leiding van een vrouwelijke arts  - ‘dat zijn de beste’.  De operatie die volgde liep goed af.

 Ik had een dokter, een vrouw, die zei ‘niets doen, niets slikken, alleen water drinken’.

 Het gaat al wat beter.

Onwoorden

 Vriend Dave, de schilder in Goes, kreeg de opdracht 'iets' te doen in de pas gerestaureerde watertoren aldaar. Daar begon het mee. De toren ligt vlakbij zijn atelier. En hij wilde iets met woorden die hem ergerden. Woorden die je steeds om de oren vliegen.

 Zoals passie, uniek of verrassend. Een gezelschap zou de toren beklimmen, waar de gewraakte woorden op koptelefoons moesten klinken met uitzicht over heel Zuid‑Beveland. Hoe verder wist hij nog niet. Hij verzamelde onwoorden. Ik vertelde hoe ik een wekelijkse ver­gadering had verzocht het woord uitstraling niet meer te gebruiken waar ik bij was.

 Woorden als onoverkomelijke struikelblokken. Ik herinnerde me de onenigheid die ik had met Johnny van Doorn bij het nakijken van het manuscript van zijn verhalenbundel Gevecht tegen het zuur (1984). Daarin staat het verhaal Gevangenisdirecteur aan zee. Op zekere avond maken Yvonne en hij het gezellig in het huisje in Bergen waar ze bivakkeren. Rond de lamp komt rood crêpepapier zoals je toen op feesten deed. 'Subtiel' noemde hij dat.

 De procedure was als volgt: we corrigeerden aan de keukentafel op Het Laagt 145 in Amsterdam-Noord. Johnny droeg de tekst hardop voor, ik las mee in mijn kopie op schoot. Als het me niet beviel moest ik 'stop' roepen en mijn bezwaar kenbaar maken. Daar kwam het woordje 'subtiel'.

 'Stop.' Waarom, hoezo, wat mankeerde eraan?

 'Versleten woord John, beetje kwasideftig ook. Een onwoord.'

 Hij begreep het niet. Onenigheid aan de keukentafel. 'Als dat woord erin blijft is je boek dood,' riep ik tenslotte. Hoe sterven woorden?

 Wie helpt vriend Dave aan onwoorden voor in de watertoren?  

Zeee

 'Zeee.' Johnny van Doorn schreef het woord met drie e's in de tekst van zijn verhaal Gevangenisdirecteur aan zee en zo sprak hij het ook uit toen hij het voordr­oeg op de radio. Vanmiddag in Belvedère in Oranjewoud zag ik zoveel schilders, zoveel zeeën. Van tastbaar aan de vloedlijn tot onpeilbaar, onafzienbaar in de overgang tussen land, water en lucht in de schemering.

 Als kind kende ik in Den Haag een vrouw die eens terloops zei dat ze nog nooit de zee gezien had.

 'Waarom niet?'

 'Ik had er niets te zoeken,' zei ze.

 Tot vandaag heeft die zin me niet verlaten. Eeuwenlang werd de zee als niet dan een vuilstort gebruikt, waar hooguit vissers wat ophaalden, terwijl Kniertje op het duin haar handen wrong. De vis werd duur betaald. Sinds Odysseus was de zee angstaanjagend. Vol zeemonsters, en sirenen die zeelui naar de bodem zongen.

 Tot in de 19de eeuw romantiek toesloeg. Het geneeskrachtige zeebad ontdekt werd en het gezondheidstoerisme. Zeezout.

 Wat zoeken schilders aan zee? Dat zie je in Museum Belvedère in Oranjewoud op de tentoonstelling 'Wind, water, wad’.

 Het heeft alle kenmerken van een eredienst. De onderdompeling, de zelfdoop in het zeewater.

 Of in de kunst, de spiegel. Het staren naar het raadsel. Waar bezonken kalmte elk moment kan verkeren in een tsunami. 

Magie der herhaling

 Gisteren bij de presentatie van de nieuwe Revisor ging het over 'herhaling'. In proza geldt dat als saai of zelfs beledig­end. Zeg nooit 'zoals ik al zei', want daarmee beticht je je toehoorder van onoplettendheid.

 In poëzie werkt dat anders, denkelijk door de muziek. Muziek is een spel van patronen en patroonherkenning. Waarbij de musicus moet zien zijn publiek voor te blijven, te blijven verrassen. In poëzie sluipt de muziek aan. Totaan de Ursunate van Kurt Schwit­ters.

 Apen kunnen heel aardig tekenen, maar arceren doen ze nooit, zegt Frans de Waal. Of apen muziek maken weet ik niet. Voor ons zit de magie juist in het arceren, de herhaling. Van Afrikaanse ritmevariaties die hele nachten duren tot minimal music. Het standaard akkoordenschema van de Europese popmuziek is daarbij dodelijk saai.

 Het was de dichter Johnny van Doorn die het begrip 'Magie der herhaling' - 'Volkswagen-Volkswagen-Volkswagen-Volkswagen' - introduceerde met zijn verhaal 'De toets' waarin een oude kunstschilder in een enkele weerkerende bliksembeweging het 'woensdagmiddaglicht' aanbrengt op een lange rij fabrieksmatig gefabriceerde doeken met steeds het zelfde hengelaars stekje. Als een slagwerker: 'Tikketakketikketak'.

 Waar komt bij het herhalen spanning vandaan? Wim T. legde het uit toen hij zijn acteur Barend Servet steeds het woord 'Pollens' had laten zeggen: 'De eerste keer lachen ze, de tweede ook, de derde werd het al wat minder... En dan blijft het stil. Maar dan moet je juist doorgaan. En bij de der­tiende keer 'Pollens', wordt er weer gelachen.'  

 Ik las gisteren mijn 'Alle trams rijden naar de hemel'. Trams hebben alleen eindpunten. Ze komen aan, en rijden weer terug naar 'het andere eindpunt'. 

Donkere kamers in Gent (2)

 Pas tegen het eind van de 19de eeuw werd het woord depressie gebruikt als aanduiding voor wat heette een ziekelijke 'artistiek-romantische' melancholie. Zwaarmoedigheid kan lamleggen maar ook inspireren, wist men. Aristoteles meende al dat genieën altijd melancholiek waren. Nee, hij had het niet over de genieën die je in cafés ontmoet.

 Toch, het verhaal van genialiteit en waanzin duurt voort.

 Er is eeuwenlang gekletst over hoe het toch kwam. Vooral over de theorie van de vier humeuren, die voortkwamen uit lichaamssappen als zwarte gal - die neerslachtig zou maken, maar door latere medici nooit is aangetroffen.

 Flegmatisch, sanguinisch, cholerisch waren naast melancholisch de andere drie en filosofie is tot op de dag van vandaag het vak waarin je kunt beweren wat je wilt, zonder enige vorm van bewijs. De kunst moest het doen, zodat de prent Melencolia I van Albrecht Dürer eeuwenlang alle wijsheid samenvatte. Muziek, speciaal de luit wekte melancholie op, maar kon hem ook weer bestrijden. Saturnus was de god aan de sterrenhemel der zwaarmoedigen.

 Hoe je te bevrijden van zoveel onzin? De tentoonstelling laat - behalve de kunst - verrassende keus - die melancholie opleverde - zien hoe in de 19de eeuw individuele, medische behandelingen ontstonden. En in de tegenwoordige 'bijbel van de psychiatrie', het DSM 5, gaat het om negen symptomen, waarvan je er op z'n minst vijf moet vertonen.

 Je komt er niet ver mee. Wie iets wil weten over de geestesgesteldheid van een melancholicus kan beter de literatuur raadplegen. En als het om therapie gaat kom ik terecht bij Nietzsche – schrijver en filosoof ineen - die alleen gedachten vertrouwde die in de buitenlucht tot hem waren gekomen. Zie hem lopen in Sils Maria met zijn bekertje, waarmee hij fris bergwater tapte.

 Beweging, nieuwe indrukken, de geest verzetten, dat helpt nogal eens. Zoals de dichter J.J.L. ten Cate - graag geciteerd door Johnny van Doorn - het zei: 'Naar buiten jongmensch!'. Op de tentoonstelling is een mooie afdeling over de wandelaar en het landschap.

Johnny's soep

 Oudjaarsavond nadert en daarmee herinneringen aan de jaarlijkse rituele viering bij Johnny en Yvonne van Doorn op Het Laagt 145 in Amsterdam-Noord. Johnny kookte, op het van zijn moeder geërfde Etna-fornuis. Een meesterkok.

 Eerst zijn fameuze soep, daarna wellicht een 'romige piree' of zelf gedraaide croquetten. Het soeprecept was ‘Een oer-mediterrane soep. De Romeinen waren er verzot op. En ´t was ook goed voor de lever.. Je hele fysieke toestand wordt er door beïnvloed. Een soep waar je hooggestemd van raakt!´ Het recept staat in zijn dagboek ´Door de weken heen´ dat hij voor de radio voordroeg, waarna het in druk verscheen. Als volgt:

 ‘2,5 liter water aan de kook brengen, met daarin (schrik niet!) 30 a 40 teentjes knoflook, van de schilletjes ontdaan, plus 4 middelgrote aardappelen in blokjes. Als ´t kookt 2 bouillonblokjes toevoegen; laten oplossen. ‘Echte bouillon’, getrokken van runderpoulet, kan natuurlijk ook, maar bedenk wel dat de knoflook van zichzelf al een zeer sterk aroma heeft.  Het vuur laag zetten, en vervolgens in de pan: ´n miniem scheutje olijfolie, Italiaanse kruiden, 2 kruidnagels, ´n takje peterselie, ´n laurierblaadje, een paar gekneusde peperkorrels, ´n pietsje salie.

 Alles net zolang laten koken (40 minuten) tot de teentjes en de aardappelblokjes zeer gaar zijn geworden. De bouillon door een zeef in een andere pan gieten. De massa die overblijft in de zeef met een vork of lepel fijnstampen, en volhardend dóór de zeef wrijven, waarbij de onderkant van zeef steeds goed moet worden schoongemaakt.

 Tenslotte de soep op temperatuur brengen, wellicht naar smaak zout en peter uit de molen toevoegen en dan bestrooien met pikante gemalen kaas (beslist geen Parmezaanse-uit-een-pakje). Enfin, met stokbrood en een glas wijn erbij, weet je niet wat je proeft.´

 Wij aten. Werd Johnny gevraagd of hij niet ook een kommetje wilde, dan luidde zijn vaste antwoord: 'De kok eet niet'. En schonk hij zich nog een glaasje in.

 Gisteren bij Kunststof op de radio kreeg ik van Yvonne 'Hou contact' de verzamelde verhalen van Johnny van Doorn. Maar daarin ontbreekt dit recept. Vandaar. 

Geen beer

 Omdat een Verzameld Werk van mijn oude vriend Johnny van Doorn (1944-1991) is verschenen - de chroniqueur bij uitstek van de koude oorlog - zijn vrouw Yvonne en ik uitgenodigd bij Kunststof, morgen op Radio 1

 Zijn verhalen en gedichten zijn er, maar veel kwam ook niet - geen tijd van leven - op papier. Zoals het verhaal over de beer.

 Dat begint met het relaas van een vakantiebaantje in Ouwehands Dierenpark, bij een fotograaf. Waarvoor hij tijdens een hittegolf moest optreden in een berenpak. En zo dag in dag uit op foto moest met de talloze kinderen die de dierentuin bezochten. Een uitputtend baantje, ook al omdat de kinderen er plezier in kregen de beer te pesten en te voeren. Ze kochten bananen en duwden die - voor de foto - naar binnen in de berenmuil.

 Johnny bestierf het daarbinnen van de hitte en moest zich weldra ook voortbewegen in een klotsende hoeveelheid tot moes getrapte bananen. Na een dag werd het hem teveel. Hij kreeg het werkelijk benauwd en vroeg even respijt aan de fotograaf. Dat mocht - even dan - en hij ontweek de drukte naar een stil achteraflaantje in het dierenpark. Daar trof hij een bank waarop hij uitgeput neerzeeg.

 Naast hem zat weliswaar een oud vrouwtje, maar die leek ingedut in de zomerse hitte. Tot ze wakker schrok en naast zich opeens een beer zag zitten. Wat te doen? Johny probeerde haar te kalmeren door voorzichtig, gedempt te zeggen:

 'Ik ben geen beer'.

 Waarmee hij het tegendeel bereikte. Het vrouwtje schrok vreselijk, sprong op en rende in paniek het laantje uit, op de vlucht voor de sprekende beer.

  Het Verzameld Werk is er. En daarmee gaat een wens in vervulling die Johnny zijn schrijversleven lang had gekoesterd. Bij zijn ouders stonden in het boekenkastje achter de glas-in-lood deurtjes maar een paar boeken, waaronder een Omnibus met het werk van Jan Mens. Dat wilde hij eens, ook bereiken: een Johnny van Doorn Omnibus. Hij is er: Droom vrijuit (gedichten) en Hou contact (verhalen). ps. Excuus: de beer is - na de radioversie - wel op papier gekomen, namelijk in het Dagboek 'Door de weken heen'. 

 

Johnny's Oudjaar

 Met Oudjaar waren we jarenlang bij Johnny, Yvonne en Sindbad van Doorn, zoals ik het beschreef in Oorlog en Pap, de biografie van Nico Keuning. Ik nam vuurwerk mee. Eens vloog toen Johnn­y's haar aureools­gewijs in brand. Lees maar. En beluister de CD.

 Johnny kookte, maakte soep of reuzenbitterballen. Maar at nooit: 'De kok eet niet'. Oorzaak: drank. In het blauwe kof­fertje met zijn ijzeren voorraad voor optredens zat het antwoord: Baudelai­res 'Spleen van Parijs' (1869).

 Waar hij ook op het biljart stond en 'Silence!' (Frans), en dan in het Engels 'Silence please' verzocht, het maakte indruk. En dan klonk het in zijn vrije versie: 'Gij zult altijd dron­ken zijn, dronken van wijn, dron­ken van deugd, dronken van poëzie..'

 Of in Baudela­ires woor­den, vertaald door Jacob Groot: 'Wees altijd dronken. Daar gaat het om: dat is het enige. Om niet de afschuwelijke last van de Tijd te voelen die je schouders verbrijzelt en je naar de aarde toe drukt, moet je je onophoudelijk bedrinken. Maar waar aan? Aan wijn, aan poëzie, of aan deugdzaamheid, dat moet je zelf weten. Maar bedrink je.'

 'En als je, een enkele keer. op de traptreden van een paleis, op het groene gras van een greppel, in de sombere eenzaamheid van je kamer, wakker wordt, en de dronkenschap is al verminderd of verdwenen, vraag dan aan de wind, aan de golf, aan de ster, aan de vogel, aan de klok, aan alles wat vliedt, aan alles wat zucht, aan alles wat voortrolt, aan alles wat zingt, aan alles wat spreekt, vraag dan hoe laat het is; en de wind, de golf, de ster, de vogel, de klok, zullen je antwoorden: 'Het is tijd om je te bedrinken!''

 Da capo. In Brussel liep ik Baudelaires stappen na. Hij zou er gestor­ven zijn als zijn moeder hem niet was komen halen. 

Logies in een landhuis (2)

 De nu vertaalde bundel over zijn lievelingsauteurs begint W.G.Sebald met een overdenking over schrijven: 'die merkwaardige gedragsstoornis die zo nodig elk gevoel in letters moet omzetten en die met verbazende precisie langs het leven heen schiet.'

 Wat hem vooral verbaast is het vaak 'verschrikkelijke uithoudingsvermogen' van de literaten. Schrijven is een verslaving waarmee je vaak nog lang doorgaat als het plezier erin allang verdwenen is. Robert Walser kon zich alleen van de schrijfdwang bevrijden door zich als het ware onder curatele te stellen. Zijn voormalige ziekenoppasser vertelde dat Walser, hoewel hij zich van de literatuur had afgewend, toch altijd een potloodstompje en op maat geknipte papiertjes in zijn vestzak had zitten, en dikwijls wat noteerde. Maar zodra iemand dat zag stopte hij ze snel weg, 'alsof hij was betrapt bij iets verkeerds of zelfs iets schandelijks.'

 Terwijl 'die arme schrijvers die in hun woordenwereld gevangen zitten toch soms perspectieven openen van een schoonheid en een intensiteit die het leven zelf nauwelijks kan bieden.'

 ps. Johnny van Doorn vertelde me graag en vaak over de schrijfdwang van Kerouac, die, teruggekeerd bij z'n moeder maar door bleef tikken op een machine zonder lint. Dat had Sebald er graag bij gehad, denk ik.

Pagina's