Terug naar Van Oudshoorn

 Meesterdrukker Jaap Schipper stuurde me het tweede deel van de dagboeken van J.van Oudshoorn (1934-1943). Weer een sterk staaltje, waarin zelfs een facsimile van een brief van Boutens met bijschrift van Van Deyssel en meer.

 Met drukwerk verzinken in de tijd. In dit deel weer de mengeling van dromen, overwegingen, herinneringen en dingen van de dag. Alles met de intensiteit die zijn boeken laat voortleven. Zo dat het pijnlijk wordt: 'De pijn, die er ligt in de sensatie van het weder intens beleven van "grauw" verleden (open ramen huiskamer Leiden Zaterdags avon­ds), de smart van het mysterie "voorbij" (...).

 In zijn inleiding citeert Jan Paul Hinrichs: 'Een mensch bevindt zich in den overgang, in een betrekkelijk nergens. Niet meer hier, nog niet daar enz. In wording enz.'

 Maar ook een droom als deze, op 20 september 1942: 'Met Van Deyssel domino gespeeld. Hij speelt valsch en rookt bovendien mijne cigaretten weg - (realiteit: Vrijdagmiddag 18 na distributie bij Gouden Hoofd Boutens ontmoet (...)'

 Veel denken over zelfmoord in deze jaren: 'Hij wilde van kerkhof veranderen, omdat langs de strook, waar hij kwam te liggen, teveel treinen voorbij begonnen te komen. Dit zou hem op den duur te onrustig worden. Maar is een dergelijk als posthume bedoelde voorzorg belachelijker, dan de beschikking een zoo en zoo gebeeldhouwde grafsteen te willen hebben. (...)' 

De codes van Van Oudshoorn

 In de dagboeken van J. van Oudshoorn uit de jaren 1943-1947 kom je af en toe het woord 'ananas' tegen. Zijn biograaf Wam de Moor sprak al het vermoeden uit dat dat staat voor onanie. Jan Paul Hinrichs, die de uitgave van de dagboeken verzorgde beaamt dat.

 En noemt nog meer 'codewoorden' als: lawaai-saus, gedonderjaag, druk- en draaiwerk, geharrewar en half-om-half. Waarin, lijkt me, de soort of kwaliteit van de zelfbevrediging wordt aangeduid.

 Verder noemt Hinrichs het regelmatig voorkomen van 'het blauwe licht'. Een waarneming van een 'intens, zeer helder hemelsblauw licht [...] nadat hij gedurende korte tijd de oogen uit­gewreeven had en dan nog gesloten hield'. Dit blauwe licht dat hij soms wel, soms niet kon laten ontstaan ging gepaard met een zekere extase.

 Ik kende het verschijnsel uit het verhaal 'Het pauwenoog' van Monika Sauwer. Meer mensen kunnen het met oogwrijven bereiken.

 Maar het grootste raadsel uit de dagboeken van Van Oudshoorn - die ook veel dromen beschrijft - blijft onbesproken, namelijk dat van de zwemvliezen (van een eend?). Ze komen vaak voor, zomaar tussendoor.

 Zo staat er op 15 juni 1946, na notities over zijn manier van denken en over ruimte en tijd, die we met ons meedragen: 'Uit-eengevallen - Hier het water, daar de zwemvliezen enz. Naast elkander. Maar zoo ook na - elkander in den tijd. En ook uit-eengevallen in ruimte en tijd zelf. Binnen buiten.'

 Geen onderwerp schuwt hij: weerkerende droom-WC's., de begrafenis van Mozart, het niet meer gehoorde zangvogeltje in de tuin, wat hij 'uit-eengevallen' noemt. En daarna, ook op 27 juli 1946: ''s avonds - bijna uitzinnig'.

 Maar daarna gaat het weer heel praktisch over de voedselschaarste.

 Ps. Er komt bij de Statenhofpers nog een deel (1934-1943) van deze dagboeken.

De bevrijding van J. van Oudshoorn

 Meer uit de dagboeken van Van Oudshoorn. Op het Haagse Van Imhoffplein 17, vlakbij het station Laan van Nieuw Oost Indië maakte hij de 'bevrijding' mee. Hij probeert thuis te werken aan overheidsopdracht tot herschrijven van documenten en een vertaling.

 'Donderdag 26 juli 1945. Na bijna negen maanden afsluiting, eindelijk weer gas, maar ... zoo goed als niets thans om te koken. Hoogstens wat oude aardappelen. (...) Door een weer met den dag toenemende verslapping ingevolge ondervoeding komt er niets van werken. - de sociale en polit­ieke chaos wordt steeds groter.' Maar dan:

 'Op maandag zes augustus is er 's middags: 'plotseling weer electrisch licht, na bijna een jaar in het donker. 's Avonds om ong. 10 uur ging het weer uit (20 november afgesneden)'

(...) Een schrijver zonder licht. In de kou. Op dinsdag 11 september noteert hij - steeds over zichzelf schrijvend als 'hij':

 'Voor de tocht zet hij in bed een pet op. Hij droomt dan iemand in de tram te zien voorbij komen, die hem niet herkent - omdat - denkt hij in zijn droom - omdat ik die pet op heb. Mengeling droom en werkelijkheid. Droomleven en bewustheid - Het gevoel een pet op te hebben maakt zich ook den laatste tijd (gewoon blootshoofds in een kamer zittend) hinderlijk bemerkbaar.- ' (...)

 'En nu deze redeneergang: Hij was er voor bestemd om gek te worden. Daar het hem echter intusschen gelukte, de dingen te objectiveeren, werd hij - in plaats van zelf gek te worden, tenslotte door een volkomen chaos (wereldoorlog) omgeven'.

 De dagboeken zijn te krijgen bij de Statenhofpers, zie eerder. 

J. van Oudshoorn

 J. van Oudshoorn (1876-1951) was een Haagse jongen. Na zijn Berlijnse jaren (1905-1933), waar hij bij de Ambassade werkte en trouwde met de mannequin Marie Teichner keerde hij met haar op wachtgeld terug naar Den Haag. En nu heeft kleine uitgever en vakman aan de drukpers Jaap Schipper van de Statenhofpers zijn dagboeken (1943‑1947) uitgebracht.

 Marcel van Eeden en ik zijn beiden Van Oudshoorn‑lezers. Hoe dat komt is moeilijk te zeggen. In zijn schrijven - vooral Willem Mertens' levensspiegel en Tobias en de dood zit denk ik een Haags levensgevoel. In de dagboeken, die puur uit losse aantekeningen bestaan, aangevuld met precies herdrukte krantenknipsels, lees je de hoop en wanhoop van de dagen. Vooral in de honger­winter.

 Ik verzink in woorden, regels, een verdwaalde alinea. Kaal, bloot, geladen. Neergezet met het schrijven als laatste toevlucht. Hij schrijft over zichzelf als 'hij'. Van Oudshoorn, 68 jaar oud, op hongertocht. Zijn vrouw wachtend thuis. Datum 30 april '45:

 'De toestand voor een bejaard echtpaar zonder relaties wordt steeds moeilijker. Vandaag verlangt men voor een hoognodig brood - de honger nijpt - Fl.35,- en voor wat klein brandhout - Fl.30,-.

 In den vroegen avond van 1 mei 45 meldt de Duitsche radio het overlijden van Adolf Hitler

 Op Woensdag 2 mei bij Goddard [uitgever van mogelijk een vertaling], niet aangetroffen (deze rotpen!!).

 " Donderdag 3 " naar Velpschestraat 100 met teruggevonden oude noodkaarten! 10 kl. aardappels - soep en pudding - joffer uit Utrecht -

 Nog steeds bar koud.

 Iemand, die merkt, dat zijn neiging om in het vuur te vliegen onweerstaanbaar begint te worden, hem blijft niet veel anders over dan zelf zijn eigen vleugels te ... verbranden. Vervloekt zij deze oude rotpen!!

(...)

 Gister: geen warm eten -

 Heden geen ontbijt -

 De laatste weken zelfs geen korte wandeling meer, zonder in een vensterbank te moeten uitrusten. Tot een scelet vermagerd. Volkomen op en krachteloos te bed.'

De trek naar zee

 Wie van Den Haag weet kent de trek naar zee. Naar de oneindigheid. Pas nog vond ik het bij W.G. Sebald die de onvoorzien lange wandeling van Hollands Spoor naar het Kurhaus maakt in De ringen van Saturnus, en daar op het strand in slaap valt. 

 Voor altijd staat het beschreven in Willem Mertens' Levensspiegel van J. van Oudshoorn (1914), lievelingsboek van Marcel van Eeden en mij. De verliefde, beschonken, verdwaasde Willem ploegt vanuit de stad door het mulle zand. Totdat:

 'Thans kon hij niet meer en zat blootshoofds in de zacht wuive­nde helm half verscholen op een der hoogste duinen. Voor hem was van de zee, hier en daar nog onderbroken door een duinkuif, het grauw blauw aan de horizon met de verschietende zonnesprenkels zichtbaar. Het licht verschraalde al en met een blik op zijn horloge bemerkte hij reeds meer dan drie uur onderweg te zijn. Hij voelde zich plotseling onbehagelijk  de geluidloze verlatenheid van het alom wijde landschap. Zelfs geen vogel ontplooide de gestrenge stilte en als enig gebeuren dreef een ontzaglijke wolk als een statig zeilschip langzaam door de leegte. Hij bevond zich als laatste der mensen op de scheiding der beide Rijken. De wereld der stervelingen was verdoemd, ten onder gegaan, de aarde zwart afgebrand. Maar aan zijn gelaat voltrok zich het eeuwige leven. (...)

 En dan:

 'Toen wist hij plotseling, dat niets ter wereld hem kon redden van de waanzin, dat hij reeds gek was en holde luid om hulp gillend, duin op duin af, tot de aanblik van het vrije strand met de eenzame figuur van een schelpenvisser hem uit zijn ban bevrijdde. Hij kwam langzaam tot zichzelf en wist nu zelf niet meer wat hij ervan denken moest.' 

 Zondag rijdt er een tram naar zee, met een boek. 

Extaze, Van Eeden en Van Oudshoorn

 Het zwarte licht van dit seizoen. Het duistere groen. Als de bladeren nog aan de bomen hangen, de zon laag staat en de eerste stormen nog niet geweest zijn. Dat is het licht, de duisternis van Marcel van Eeden. Als hij met kleur werkt, zoals de laatste tijd vaker, maakt dat zijn zwart alleen maar intenser.

 Het nieuwe nummer van Extaze werd gisteren in Den Haag gedoopt met onder meer een animatie door Els Kort van zijn tekeningen. Eens was Van Eeden bibliothecaris aan de Haagse Vondelstraat. Hij leest. Sinds jaar en dag is Van Oudshoorn (1876-1951) een voorkeur. Door hem ging ik het teruglezen. De onvergetelijke dronken struikeltocht door stad en duinen naar zee. Van Oudshoorn, de diplomaat die jaren in Berlijn zat, een Duitse mannequin trouwde en terugkeerde naar een heel Haagse portiekwoning. Waar zijn vrouw hem overleefde. En nu schrijft Marcel van Eeden een stukje waarin van Oudshoorn opduikt, die het eens probeerde aan de Haagse Academie. Wat niet lukte.

 'Nee,' schrijft Marcel, 'veel beter beschrééf Van Oudshoorn wat hij zag. Soms duiken er fictieve tekeningen op in zijn verhalen. Beelden, door niemand gezien, die alleen kunnen ontstaan in het hoofd van een lezer (..) '.

 En dan citeert hij Laatste dagen (1927), waarin ongeziene etsen voorkomen:

 'Half werktuigelijk op zijn schreden terugkerend, bevond hij zich even later alleen tegenover twee grote gekleurde etsen. Zij stelden beiden phantastische gebouwen voor, waarvan het doel niet te doorgronden leek. Het eene was een grillige, roode, compacte steenmassa, zonder deuren of vensters, te midden van een woest zomerlandschap; het andere daarentegen was uit enkel dunne ijzerstangen opgetrokken, ontelbaar vele en die, omgeven door een grauwe, grauwe regenhemel, aan het geheel iets onuitsprekelijks van troosteloosheid verleenden.'

 En Marcel besluit: 'Zulke beelden bestaan alleen in de literatuur. Ze worden nooit concreet. Toch blijf ik het proberen.' 

J.van Oudshoorn

Eigenlijk kan ik niet zo goed lezen, vind moeilijk concentratie. Omdat Marcel van Eeden hem aanreikte lees ik J.van Oudshoorn. Antiquariaten langs, via internet bestellen. Zoals het bij mij gaat, hinkstapspringend door de letteren. Maar nu ben ik geland in het zwart van 'Willem Mertens' Levensspiegel'. Het zwart waar Van Eeden het over had. Het zwart van zijn Koh-I-Noor potlood.

 Maarten 't Hart schreef een mooi stuk over eenzaamheid bij Van Oudshoorn als een hoger doel. Het niet langer afhankelijk hoeven zijn van anderen (in 'De som van Misverstanden'). En daar is het zwart dat daar bij hoort. 't Hart citeert: 'avondval in grauw en nacht', 'het donker klom', 'zwart verstarren' en nog veel meer om de toestand van de gedoemde Mertens te schilderen. Nee, 'niet zo geschikt voor dit leven, die Willem' (Reve).

 Zo beeldend als Van Oudshoorn schrijft, zo tekent Marcel van Eeden. En zo mooi-Haags ook de verwarde, eenzame wandeling naar zee, waar Willem half krankzinnig bij het strand belandt en pas - als hij gillend het duin af is gerend - tot zichzelf komt bij het zien van een schelpenvisser. Dan nog wel.

Marcel van Eeden
ronde straathoeken: eng.
uit 'Celia' (2006), tekst J.van Oudshoorn
Celia wacht bij tekstclip van Robert Walser

Marcel van Eeden (3)

 'What did one wall say to the other wall?''Meet you at the corner. 'Marcel van Eeden bracht me niet alleen bij J.D.Salinger. We spraken in Den Haag over licht en architectuur. Over zoiets vreesaanjagends als 'ronde straathoeken'. 'Eng,' zei Marcel. 'Vind je niet?'

 Ik vind dat ook. Een hoek moet niet rond zijn, om de zelfde reden dat een klok niet vierkant moet zijn. Hij gaf me zijn twee 'beeldboeken', die vorig jaar in Duitsland verschenen bij de grote kunstuitgever Hatje Cantz: 'K.M.Wiegand, life and work' en 'Celia. Beide werden in Nederland nauwelijks opgemerkt, wat nogal idioot is, het zijn boeken zonder eind. Tijdreizen. Je hebt ze nooit uit.Van Eeden voert de plaatjeslezer langs zijn eigen tekeningen, maar tegelijk ook langs daarmee vervlochten teksten van oa. T.S.Eliot, Robert Walser ('Spaziergang') en J.van Oudshoorn ('Laatste dagen').

 Beide boeken maken deel uit van zijn levensproject, het vastleggen van de tijd voor zijn geboorte (1965), de 'Encyclopedie van mijn dood'. Totnutoe leidde dat tot de min of meer losse, dagelijkse tekeningen op zijn Tekenlog. Maar deze twee 'beeldromans' brengen meer samenhang, ze doen denken aan de romantische fotoverhalen met balloons die in de jaren '60 nog verschenen en bij de kapper lagen.Hoe tekst en tekeningen op elkaar inwerken verrast per pagina. Ik moest soms denken aan de titels van Magritte, die een eigen leven leiden, maar toch. Zo goed als de Van Eeden-tekeningen van gedateerde foto's zijn afgeleid, maar toch. Een lichte, Haagse extase. 't Gaat verder. Over de 'glazen bakstenen' in portiektrappen. Over de 'superheld' K.M.Wiegand en nog veel meer.