Mark Smeets nadert

 De striptekenaar (1942-1999) die aan alle wetten van zijn discipline ontsnapt. Beeldkaders, tekstballonnen, potlood en inkt. Die links onderaan begint en rechtsboven weer een ander verhaal onderneemt. Alles eindig.

 Op 3 juni as. opent in Teylers Museum in Haarlem een tentoonstelling van zijn schetsboeken en andere onafheden. Ter gelegenheid van de Haarlemse stripdagen en de verschijning van De triomf van het tekenen, het grote Smeetsboek. Waaruit alvast zijn contact met zijn idool Hergé, van wie hij diverse zeer vriendelijke brieven kreeg, net als van Franquin. Hergé schreef dat hij Mark op technisch gebied niets meer te leren had. En op de vraag of Mark hem eens zou mogen ontm­oet­en, antwoordde hij bevestigend.

 Daar, in het heilige der heiligen aan de Avenue Louise 162 in Brussel, trof Mark hem in 1971 druk in touw voor een nieuw Kuifje avontuur, Kuifje en de Picaro's. Het gesprek verliep daar­door enigszins stroef, want Mark was vooral weg van Hergé's vroegere werk en wilde liefst de originele tekeningen van De Blauwe Lotus zien.

 'Tsk, tsk,' zei Hergé toen hoofdschuddend. En Mark achteraf: 'Waaruit ik kon opmaken dat hij dat zelf kennelijk veel minder interessant vond dan het verhaal dat hij op dat moment onder­handen had. Ik kreeg toen een grote plaat te zien, een str­aat­tafereel met de grote regeringsauto waarin Haddock tabak gaat halen. Die begeleidende politiemotors moesten allemaal zo mooi in perspectief weglopen. "Moet dat echt?" vroeg ik nog, waarop Hergé zei, in de paar woorden Neder­lands die hij kende: "Ja, dat moet." Ik geloofde hem niet, natuurlijk. Nog steeds niet. Je kunt een perspec­tief beter in elkaar zetten zoals hij in het begin deed, met een timmermansoog.'

 In Marks ogen was de latere Hergé te recht­lijnig, te orthodox. 'En ik had toch in m'n achterhoofd dat ik misschien op die studio's aan het werk zou kunnen. Maar dan zou ik daar komen te zitten als handjes‑­en-voetjes-tekenaar of inkleurder, want dat waren de baantjes die nog te vergeven waren.'

 Mark ging terug naar zijn schetsboeken en vond een unieke vervlechting van literatuur en beeldende kunst.  

Henri Evenepoel

 Tekenende, schilderende Belgen. Bij mij begon het bij de strips, van Hergé en Willy Vandersteen. Vandaar koerste ik naar het Lam Gods, Van der Weyden en Memling en de laatste jaren kwam ik hinkstapspringend via Rik Wouters bij Edgard Tytgat, die heel het scala tussen strip en schilderkunst omspant.

 En nu Evenepoel. Ik ontdekte hem al op de Kunstberg bij 'De eeuw van Brussel'. Eric Min, biograaf van Wouters en Ensor, Brusselomaan, was al een onmisbare gids. Zaterdag verscheen zijn biografie van de jong gestorven schilder en opmerkelijke fotograaf (1872-1899). Waarin de in Nice geboren Belg Parijzenaar wordt, een begin van succes heeft en bevriend raakt met oa. Matisse.

 Ze trekken veel samen op. Hij is dan drieëntwintig en Matisse vijfentwintig. Als Evenepoel zijn inzending voor een salon klaarmaakt helpt Matisse met sjouwen, van oa. een zwaar opgerold werk van Evenepoel: 'Dan wordt het dozijn schilderijen dat naar de Champs de Mars vertrekt langs de trap naar beneden gebracht. Terwijl Henri samen met Matisse de zware rol naar de entreehal van het expositiegebouw draagt - een voettocht van minder dan een kilometer - laadt hun vaste lijstenmaker Dosbourg de andere werken op zijn karretje. Na de lunch zullen de kunstenaars nog enkele uren bezig zijn met uitpakken en monteren.'  

 Later, als Matisse op Corsica zit wisselen ze commentaren op elkaars werk. Vier ontwerpen die Matisse stuurt vindt hij niet goed: 'Schilderkunst buiten adem is het, werken die je tot het uiterste drijven, en die met knarsende tanden geschilderd zijn. Toen ik ze voor het eerst zag was ik uit mijn lood geslagen - elles m'ont tué! Ik voelde me een burgermannetje.'

 Kort daarna sterft hij aan tyfus. Een halve eeuw later pinkt Henri Matisse nog een traan weg als hij aan hun samenzijn terugdenkt.  

De ijzeren broek van Merijn de Boer

 Kuifje-tekenaar Hergé legde me eens uit hoe je het onwaarschijnlijke geloofwaardig kon maken. Sindsdien noem ik dat de wet van Hergé. 'Alle details, heel de achtergrond moet kloppen,' zei hij. ' Pas dan zul je geloven dat Jansen en Jansens hun vreselijke val overleven en er met hooguit een pleistertje vanaf komen.

 Zo bereik je bij de lezer de gewenste 'temporary suspension of disbelief'. Hergé tekende heel het album De zwarte rotsen opnieuw nadat Engelse briefschrijvers hem hadden gezegd dat onder meer het schotse rokje dat Kuifje draagt en een locomotief niet klopten. 

 In zijn nieuwe roman 't Jagthuys gaat Merijn de Boer vergelijkbaar te werk. Heel de introductie is zeer gedetailleerd. De hoofdpersoon rijdt met de bus van station Breukelen voorbij Nieuwersluis en gaat op bezoek in een buitenhuis. Zover niks ongewoons, behalve dat een schep dient als deurklopper. De bewoonster heeft een verontrustende naam, maar zoiets kan. Ook is er een zoon die zich verstopt. 

 Bezoekster en moeder praten over ditjes en datjes. Er wordt thee gedronken.

 Dan blijkt dat de bezoekster gekomen is voor deze vijfendertigjarige zoon, die opgegroeid is met een 'scheve heup'. Waarna de moeder en passsant zegt: 'We hebben hem een ijzeren broek om moeten doen'.

 Nu blijkt waarom de bus van Breukelen hierheen is gereden. De ijzeren broek is nooit meer uitgegaan. Een ijselijke variant op de Zander-therapie, die het verhaal naar een andere wereld tilt.

 De moeder zegt: 'Ik wil dat mijn zoon seksueel gezond wordt.'

 Als de bus niet zo secuur vanuit Breukelen was komen aanrijden en de thee gedronken was een wending als deze onvoorstelbaar geweest. Nu moet ik verder lezen.

Doolhof Brussel

 Als de jonge verslaggever afscheid neemt - hij gaat naar Congo voor de kinderkrant - doet hij dat, als een Brusselaar in de jaren ’30 op het station Bruxelles-Nord. Kuifje zal in Antwerpen scheepgaan.

 Het station is in 1955 gesloopt bij de aanleg van de Noord-Zuid treinverbinding die Brussel vele jaren in chaos stortte. En verhalen voorbracht als Vergeten Straat van Louis Paul Boon, waarin een straat voorgoed aan beide kanten doodloopt.

 In het Brusselnummer van Terras gebruikt Jan Baeke Brusselse tram en ondergrondse-haltes als staties, met werkelijk bestaande namen als Matongé, Drievuldigheid of Mysterie. Het wordt een levensreis met Brussel als metafoor, zijn ber­gen, zijn Zoniënwoud en zijn Babylo­nische naamgevingen.

 Zo een smeltkroes, dan Brussel. Een veel­taligheid, die verten opent. Het Brussels dat Hergé in zijn familie hoorde werd Syldavisch. Welke mengtaal men nu in Sint-Joost, St.Gill­es en Molenbeek op straat spreekt weet ik niet.

 Mijn Brussel begon achter het nieuwe Noordstation, waar ik logeerde in de resten van het Noordkwartier. Neel Doff woonde er nog. Midden in de nacht werd het middeleeuwse café annex hotelletje bestormd door de BOB, de hasj ging het raam uit, maar ze kwamen niet voor hippies maar voor sans-papiers. Heel de wijk is verdwenen voor glas en staal. 'k Zag de laatste hoerenhuisjes nog oplichten temidden van de kaalslag. De nieuwste sans-papiers kamperen nu in het op die plaats aangelegde Ma­ximiliaanpark.

Doolhof Brussel. De trams ontsporen er vaak omdat de rails over zo vele deelgemeenten lopen en slecht onderhouden worden. En het graf van Magritte vind je op de begraafplaats van Schaerbeek, waar hij zijn laatste jaren woonde, maar die ligt dan weer in de gemeente Evere. Wie wil zoekraken kan in Brussel terecht. 

Securit

 In koorts zwenkt mijn kop langs afgronden en catastrofen tot hij verlost wordt door de dageraad. In de ontwaakslaap vindt hij soms houvast. Vanmorgen bij Bianca Cas­tafiore.

 Wie vliegangst heeft raad ik Kuifje aan. Verzink erin. Maar welke dagrest bracht me bij de Milanese nachtegaal? Ja, ik las in Kunstschrift over de tentoonstelling in het Rijksmuseum van Oosterse kunst waar onze Gouden-eeuwers mee pronkten. Porselein, gal­joenen vol, uit China en Japan. En dacht 'het kon allemaal kapot'.

 De koortssprong volgde: Bianca Castafiore kon elk kristallen voorwerp of wijnglas kapot zingen met haar hoge noten.

 Weer reed ik over C- en V-wegen lukraak door Noord-Frankrijk en keek van een heuveltop plotseling uit over een dorp dat voornamelijk uit een enorme glasfabriek bestond. Plaatsnaam: Saint-Gobain. Ten Westen van Laon. Het duurde even voor ik begreep dat de Nationale Franse glasin­dustrie aan mijn voeten lag. Een uitzicht dat Hergé had kunnen tekenen.

 Ik stond op en begon - nog maar half wakker - sporen te volgen. Het eerste was Bianca Castafiore. Maar waar moest ik zoeken? Tenslotte vond ik haar in het boek waarin Hergé Castafiore introduceert. Ze zit in een auto naast Kuifje en Bobbie. Ze zijn op weg naar Syldavie. En hij kent haar zangkunst nog niet.

 Deze scene bleek het, in De Skepter van Ottokar (1939). Nu wist ik ook weer het merkje op de ruit: Securit. Het blijkt nog steeds een product van Saint-Gobain. Extra sterk veiligheidsglas. Ooit staatseigendom, zoals de putdeksels van heel Frankrijk gemaakt worden in Pont-a-Mousson (bij Metz), wat er altijd op staat.

 Zover deze omzwerving. Kop noch staart. Maar de koorts zakt.

Tags: 

Hechtpleister

 Omdat het morgen plakavond is in de Utrechtse molen nog dit. Toen plakken eenmaal mogelijk was kwamen de slagzinnen bij de wonderen. Collall plakte alles aan alles. Velpon, je zag er geen barst van. Vergezichten na eeuwen van loslaten!  

 Sellotape verving het klassieke bruine, altijd loslatende plakband voor postpakketten en pakpapier. Plakken verkeerde in z'n tegendeel. Je kreeg pakjes nauwelijks meer open. En dan dacht ik aan kapitein Haddock.

 Ook omdat ik lange tijd pleisters moest plakken. En ervoer dat Hansaplast nog steeds geen oplossing heeft voor het losmaken van de kleefranden. Er is een uitvinding onderweg, las ik, die maakt dat pleisters onder een stroom warm water vanzelf loslaten.

 Tot zo lang blijft het peuteren.

 Het plakeuvel heeft wel geleid tot een van de mooiste scenes die Hergé ooit tekende, in De zaak Zonnebloem. Waar hij in de bus in Zwitserland achter meneer Wagner, begeleider van Bianca Castafiore en haar dienstmaagd Irma zit. De pleister heet in de vertaling van Bob de Moor niet kleefpleister zoals bij ons, maar 'hechtpleister'.

 Waar komt de pleister vandaan? Haddock en Kuifje overleven een aanslag. Hij draagt pagina's lang pleisters. Tenslotte nog maar een, op z'n neus, die hij geheel vergeet. Tot hij hem op pagina 45 ontdekt.

Tags: 

William Hogarth

 De oudste smoes om in een Christelijke cultuur geile plaatjes te kunnen maken en verkopen is de waarschuwing. Liet je als artiest zien hoe het een meisje verging dat na goed verdiend te hebben in de goot belandde dan zat je altijd goed.

 William Hogarth (1697-1764) ontkwam aan alle zedenmeesters als kampioen van de 'moraliserende kunst'. A Harlot's Progress (1731) beschrijft in zes prenten en schilderijen het lot van een boerenmeisje dat in de stad in de prostitutie terecht komt. Te beginnen met de ontmoeting met een hoerenwaardin en eindigend met haar begrafenis ten gevolge van geslachtsziekte.

 Een groot succes. In 1735 gevolgd door de serie A Rake's Progress. Acht prenten die het bandeloze leven van Tom Rakewell in beeld brengen, zoon van en rijke zakenman, die al zijn geld uitgeeft aan luxe, hoeren, gokken. En eindigt in het Bedlam Royal gekkenhuis, waar men zich aan de gekken kon vergapen. Een rake is een losbol, een harlot een slet. 

 In 1951 werd dit het libretto voor de enige opera van Igor Strawinsky, die Hogarth's prenten had gezien. In Teylers Museum hangen ze nu. En nog veel meer, ook politieke.

 Hogarth rakelt in zijn massa scènes Breughel en Jeroen Bosch op, straattaferelen vol liederlijke personages. Tegelijk maakte hij als een der eersten vervolgverhalen in stripvorm, met een kop en een staart.

 In de ontwikkeling van het beeldverhaal verdwenen die massa scènes, al bezondigt Hergé er zich nog een enkele keer aan, zoals in de prachtige volksoploop voor het hek van Molensloot en de autorally in de tuin, in De Zaak Zonnebloem. Maar de strakke verhaallijn won.

Tags: 

Hergé

 Het entree is klassiek, met de lift kwam je boven in een halletje en stond oog in oog met de uitstalkast vol Kuifje-symbolen. Het vaandel van de Harmonie van Molensloot, de kapstok met de twee wandelstokken en bolhoeden en zo meer. In 1971 was ik bij tekenaar Hergé in zijn studio aan de Brusselse Avenue Louise 162. Hans van Genderen filmde de visite. Ik was daar eerder geweest voor de radio. We werden hartelijk ontvangen en rondgeleid. Het filmpje staat nu op youtube. Omdat er naar gevraagd werd, hierbij.

 Hergé had me eerder verteld hoe ‘de koningin’ als ze ging winkelen in de buurt haar ‘zoontjes’ Boudewijn en Albert bij Herge stalde, die een voorraad ingebonden Kuifjes had om ze bezig te houden. Ik denk dat moet Liliane de Rethy geweest zijn, de tweede vrouw van Leopold.  Die nooit koningin werd, maar prinses heette. We spraken over zijn moderne kunstverzameling (een Appel oa.) die daar hing.  Hij had ooit zelf kunstschilder willen worden.  En nog veel meer.

 Na afloop van de opname nam hij ons mee voor een ‘verrassing’. En zie, hij bracht ons naar een klassiek Chinees restaurant om de hoek. Met rode lampions, goudkleurig figuurzaagwerk en al.  En vertelde erbij dat het net het interieur van Kuifje en de Blauwe Lotus was. Iets heel bijzonders! Hij leek niet te weten dat zulke restaurants Amsterdam heel gewoon waren.   

Tags: 

Plaatjes kijken

 Woorden als 'opgaan in' schieten te kort. De kindermond gaat onwillekeurig een beetje openhangen tijdens het plaatjeskijken. Zo dat mijn vader er wat van zei, het hinderde hem.

 Met Willem Frederik Hermans had ik het over de met vloeipapier bedekte, ingeplakte kleurplaten in De Wonderen van het Heelal, die we allebei als kind zagen. Net als het zwaard van konng Arthur dat een magische hand nog eenmaal boven de waterspiegel heft.

 Levenslang is zoiets. Bij mij het omslag van Het klompje dat op het water dreef van W.G.van de Hulst. Dat klompje drijft daar heel alleen, het bijbehorende jongetje is verdwenen, en ook zijn andere klompje. Daar ga je. De prent in Krekel bij de boksers in China van Paul d'Ivoi kon ik delen met Kuifje-tekenaar Hergé: een blanke wordt met ijzeren haken gemarteld door Chinezen met haar in lange staarten.

 Dit alles opgerakeld door het bladeren in het nieuwe naslagwerk De verbeelders van Saskia de Bodt, over Nederlandse boekillustraties in de twintigste eeuw. Wegdromen bij een plaatje dat je verplaatst in het boek dat opengeslagen op schoot ligt. Onder een schemerlamp, juist nu het schemerseizoen is aangebroken en voetstappen op straat onder lantaarns klinken naar kou. Flarden dringen zich op, de een na de ander:

'De volgende morgen om kwart over acht

Begon het te stormen, wie had dat gedacht

En Jan Pieterolie en Aal van der Vliet

die riepen "Toe jongens, verdrink nou maar niet".

 Op het in mijn hoofd opgeslagen plaatje zie je een huizenhoge golf met de jongens aan boord en Jan en Aal handenwringend aan de wal. Het verhaal komt denk ik uit een geschenkboekje van de oliefirma ‘De Automaat’, vandaar Jan Pieterolie. Pieterolie was spreektaal voor petroleum. 

 

Syldavisch (2)

 Hoe hoort een Franstalige Belg de taal van een Vlaamse landgenoot? Van oudsher als koeterwaals, als gebrabbel van een zot.

 Tegenwoordig laat men dat niet meer merken. Maar daar ligt de bron van de taalstrijd. De sprekers waren boeren. Die soms kwamen demonstreren in Brussel. Ik herinner me een Waalse contrademonstratie in de jaren '60 op het Brouckèreplein met spandoeken 'KEER NAAR UW DORP'. Veel daarvan zit toch ook in de graptaal die Hergé verzon voor Syldavië, die Oost‑Europese staat waarin zoveel België zit, met z'n koning Ottokar ‑ toch een grapversie van Leopold en Boudewijn, inclusief nep‑dynastie.

 En nu is er de studie die de Engelse taalkundige Rosenfelder van het Syldavisch maakte en het blijkt inderdaad een komische variant van het Brussels dialect, het Marols dat Hergé's moeder en grootmoeder nog spraken. Lastig voor een Engelsman. Waar Rosenfelder bijvoorbeeld overheen keek was die naam Ottokar. Vervlaamst Frans voor 'autocar' lijkt me toch. Flauw, maar het hele Syldavisch is vrij flauw. Als een politieman tegen de in de auto zittende Haddock zegt 'Halt! Ihn dzehkhouchz blaveh...' is dat gewoon 'in de koets blijven'. En 'Ah? Döst? On fläsz Klowaswa vüh dzapeih.. Eih döszt' is dan toch 'Ah, dorst? Een fles Klow‑water voor deze pee.. Hij heeft dorst.'

 Marols dus. En 'Güdd.. Zrädjzmo!... Zsoe ghounh dzoeteuih ebb touhn' is toch 'Goed... Rijmaar... Ze gaan de deuren open doen'. En zo door. In alle tientallen vertalingen van Kuifje is het Syldavisch ongewijzigd gebleven. En let wel, ook in de Nederlandse van Bob de Moor, die vast in het complot zat. Geen Vlaming die er ooit over viel.

Tags: 

Pagina's