De Twijfel

 Je hoeft je in Nederland niet af te vragen waar god gebleven is. Hij mag weg zijn uit Jorwerd, maar op tv bijvoorbeeld zet Tijs van Den Brink zijn zuigerige gesprekken met ex- of  nog half gelovigen eindeloos voort, terwijl een gipsen god toekijkt. Adieu? De Twijfel leeft!

 Ook Bodar is een niet weg te rammen spook. Ik heb koorts en dan neemt de weerstand af. En zo kwam mijn sollicitatiegesprek met het Hoofd van de Vrijzinnig Chris­telijke Radio Omroep naar boven. Ik was tweeëntwintig. We zaten in de bestuurskamer met de ovalen tafel.

 Ik stond al bij de deur toen het hoofd vroeg: 'O ja, nog iets, heb je een geloof?' Ik stopte in de deuropening.

 'Oh, dat weet ik eigenlijk niet, zei ik naar waarheid'.

 Hij keek me blij verrast aan.

 'Ah,' zei hij, 'Je twijfelt.'

 Wat ik niet wist was dat de twijfel in de Vrijzinnig Protesta­ntse leer het hoogste goed was. Het kenmerk van het ware. Niet lang daarna woonde ik een congres bij in de Utrechtse Jaarbeu­rs, waar veel vrijzinnige dominees het woord voerden over vooral de twijfel.

 Eigenlijk was Gerard Reve ook Vrijzinnig, zei ik hem eens. Maar daar wou hij niet van weten.

 Aan het eind van dat congres sprak de voorzitter veelvuldig over de twijfel. Mijn vriend Peter Flik, die naast me zat kreeg het benauwd. Hij wou weg. Samen gingen we naar de telefooncentrale, waar ook de geluidsinstallatie bediend werd. Hij smoesde met de telefoniste. En even later klonk haar ernstige stem door de volle jaarbeurszaal: 'Telefoon voor de heer Twijfel'.

 Niet lang daarna was de VPRO geseculariseerd. 

Tags: 

De dagen van Max de Jong

 Wat voor de een veelzeggend is vindt de ander saai. Zo vinden Carel Peeters en Maarten Doorman de dagboeken van Max de Jong niet boeiend. Ik wel. Ook omdat ze niet voor publicatie bedoeld waren. Kijkjes in een andere tijd. 

 Kritieken heb ik nooit willen schrijven, alleen mensen attent maken op boeken of wat ook. Over wat ik vervelend vind schrijf ik niet, daar heeft niemand wat aan.

 En dan zo veel mogelijk citeren. Dat de lezer een indruk heeft. Bedenkende, als iemand kan schrijven is alles, ook het minst belangrijke - of juist dat - interessant. Een geluidsneurose, oren op steeltjes. Dat helpt de literatuur.

 Zoals op zaterdag 10 april 1948. Max de Jong loopt rond met zijn Hospita's-roman in aanbouw: 'Om 12 uur pas naar bed gegaan, dus maar zes uur geslapen, met alle gevolgen van dien. Ja nou ben ik opeens weer helemaal geradbraakt. In die paar uur, die ik had zullen slapen, eerst geboenk op het dak en daarna gepraat naast me aan de achterkant. Van die juffrouw met haar hartsvriend kan ik nog plezier beleven. Zijn er de hele nacht.

 Biekorff. Iemand had kamfer in de soep gedaan. (Zoudie werkelijk...) Goed op letten. Hilletje vluchtte min of meer, laat maar zo tot nader order. Bij Simon van het Reve en Hanny gezeten. Was wel gezellig. Lehmann laten lezen, geen interesse en vond er niets aan, zij las er tenminste nog even in, maar was er ook niet aan toe. Mee opgelopen. Hij is autistisch en onmogelijk, banaal en vervelend, en verrekt geestig. Ik ben enigszins over mijn slaap heen (...)’.

De eetziekte

 Ettore Scola is gestorven en daarmee zijn beroemde trattoria 'Mezza Porzione' waar de arme vrienden uit C'eravamo tanto amati hun halve porties kregen. Maar de wereld van de halve porties is verdwenen.

 Koken, mijn moeder kon er niks van, hoewel ze de zeven jaren van haar verlo­ving vele schriften had volgeschreven met recepten.

 Nog hoor ik de wanhoop in haar stem als ze zei 'zal ik het terugdoen', wanneer mijn vader, in huis het begin en eind van alles, had gezegd dat het vlees niet gaar was.

 'Laat maar,' verzuchtte hij dan.

 De eerste keer dat ik bij een vriendje at, wiens moeder een plakje ham over de witlof deed en er in de oven een korstje van paneermeel over deed ontstaan durfde ik daar thuis niet van vertellen. Te pijnlijk.

 Eten was een dagelijkse dure plicht waar je binnen een halfuur mee klaar kon zijn. Elke dag een bord pap, van griesmeel tot karnemelkse met stroop. Om niet te spreken van de soep uit pakjes. Spruitjes slikte ik in hun geheel door, als pillen.

 Hoe dat sindsdien zo heeft kunnen veranderen begrijp ik nog steeds niet. Direct na etenstijd beginnen koks op de televisie alweer te orakelen. Kranten staan vol kleurenfoto's van gerechten. Bij kranteninterviews krijg je zelfs het bonnetje van het restaurant. Wat men ook doet, een congres, een presentatie, een museumuitstapje, het eindigt met eten.

 Ik kan me niet onttrekken aan het idee dat al dat eten verdwijnt in een peilloos gat van onvrede, agressie en gemis. Er moet iets mee worden bevredigd, en dat lukt niet. Zodat er almaar meer in moet. Met de gevolgen vandien.

 Ik hou het op Gerard Reve die eten een vieze gewoonte vond, die het best achter een jute gordijn gedaan kon worden.

Kleur ontketend in Den Haag

 Kleur was zeldzaam en duur in de middeleeuwen. Alleen vorsten en bisschoppen konden het zich permitteren. Van heinde en ver kwam het niet voor niets zo genoemde grauw om – om twaalf uur – het wonder van de ramen van Chartres te zien. In het Haags Gemeentemuseum valt kleur voluit de schilderkunst binnen, rond 1900. Kleur is er, voor iedereen.

 Iets schilderen in kleur deed ik voor het eerst toen ik twaalf was. In Zwitserland zat ik, met mijn eerste doosje van acht tubetjes olieverf en een kwast. Vanuit een hoog chalet keek ik uit op alpen­weiden, de berg die Niesen heette en het Berner Oberland. Alles schitterde in de zon. Maar nu. De wei was groen en de bergen bruin en geel, de bergtoppen wit, leek me. Die kleuren had ik in mijn doosje. En zo schilderde ik ze, op papier. Maar wat tevoorschijn kwam leek wanhopig weinig op het alpenpanorama. Toch had ik me aan de kleuren op de etiketjes gehouden. 

 In 'Moeder en zoon' (1980) wil de scholier Gerard Reve uit alle macht een door hem getekende haas inkleuren:

 'Ik bezat kleurpotloden, en vulde de voorstelling met kleuren, die echter iedere natuurgetrouwheid misten. Over en door de ene kleur heen bracht ik wederom een andere aan, die mij al evenmin beviel, totdat de gehele diergestalte met een onuitwisbare dikke, naar vuil zwart tenderende laag was bedekt, waaromheen een ongewild aura van smettend kleurpotloodpoeder was ontstaan. Het was een haas geworden die aan iets onzegbaar verschrikkelijks was ontsnapt...'.

 Het omgekeerde zie je bij Jan Sluijters in Den Haag. Het is alsof de tubes, de kwast, het palet zijn kwast in beweging zetten, sturen, dirigeren.

Onder de leden

 Volgende week moet ik komen voor de griepprik. Dat lijkt net te laat, maar of wat ik nu heb griep is, geen idee. Ik ga niet internet op.

 Huismiddeltjes worden aangereikt. Johnny van Doorn zwoer bij compressen van ik dacht groene kool. En een vriendin raadt aan: ‘snelverbanden in witte azijn gedoopt en strak om de onderbenen gewonden, dan zakt de koorts als de wiedeweerga.’

 Mijn eerste griepprik kreeg ik lang voor de standaardleeftijd, op aandringen van Gerard Reve, die graag doktertje speelde. Hij was doodsbenauwd voor ziekte maar vond het tegelijk ook spannend:  ‘Je kunt mij altijd wat vragen hoor, want ik weet bijna alles.’

 Zijn darmoperatie in het Schiedamse ziekenhuis zal me heugen.

 Eerst vertelde hij: ‘Er is een rechtstreekse televisieuitzending verzorgd uit mijn achterste. Ik heb het zelf gezien.’ Huh? Het bleek dat er een cameraatje in zijn darmen had rondgekeken. Dit onder leiding van een vrouwelijke arts  - ‘dat zijn de beste’.  De operatie die volgde liep goed af.

 Ik had een dokter, een vrouw, die zei ‘niets doen, niets slikken, alleen water drinken’.

 Het gaat al wat beter.

Gods boomhut

 Tussen hemel en aarde, onzichtbaar en onbereikbaar als je eenmaal je touwladder had opgehaald. Bezield van deze droom bouwden we onze boomhut in het toen nog afgesloten en door boswachters - die hun fiets door hun hond lieten voorttrekken - bewaakte Haagse landgoed Meer en Bos.

 Maar de herfst kwam, de bladeren vielen en daar lag onze schuilplaats, open en bloot in het zicht. In dat verste deel van het bos - aan de andere kant van de Laan van Meerdervoort - werd nu ook gebouwd. De trainingsbaan voor politiehonden verdween. Eerst verrees een school, daarna, op de plaats van onze boomhut, een houten katholieke noodkerk. Later schreef ik Gerard Reve hierover, in een van m'n brieven naar Schiedam:

                                                                                   Amsterdam, 9 maart 1992

 Beste Gerard,

   (...) In een naburig klein bos is in die tijd een houten R.K. noodkerk gebouwd. Op een bord er bij stond 'H. Pastoor van Ars'.

 We zijn er eens binnengedrongen door een kuil in het zand naast de betonnen fundering te graven en van daar uit een tunnel. Zo kwam je onder de vloer, en via een luik in de kerk zelf. Daar was niet veel. We hebben er wat kaarsen gepikt en die daar onder de vloer opgebrand.

 Een wat oudere jongen liet ons toen zijn geslachtsdeel zien, en bracht het tot erectie. Het vriendje dat hem moest bijlichten morste daar in zijn opwinding gloeiend kaarsvet op. (...)

 

En nu lees ik gisteren dat in het definitieve RK-kerkje dat daar verrees Reve's vrienden Teiger en Woelrat een steen uit Greonterp willen laten inmetselen. Waarom juist daar? Dat hangt amen met hun bekering. Maar van mijn Haagse tijd heb ik ze toch nooit verteld. Ondoorgrondelijkheden. 

Tags: 

De God van Kees Fens

 Wiel Kusters, zijn biograaf, gaf een gedenkwaardige speech als eerste Kees Fens-lezing. Titel: 'Grote God', want zo luidde de verzuchting van Fens bij het betreden van de ontredderde kerk van zijn jeugd in Amsterdam-West.

 Een verzuchting die vreemd genoeg als muziek klinkt, in de film van Hans Keller. Wat blijft over na het slopen van kerken, het opheffen van katholieke voetbalverenigingen, de onttakeling van het onder­wijs? Hoe lang houdt de Mattheus Passion het nog uit? En wat gaat er verloren? Volgens Kees Fens veel van wat wij nu nog in ons achterhoofd meedragen, vaak zonder het ons bewust te zijn. Fens zei: 'De hemel is in scherven naar beneden gekomen en die hebben zich overal verspreid’.

 Wat lag er opgeslagen in die onttakelde kerk? Zelf loop ik overal kerken binnen en fotografeer daar liefst stofzuigende vrouwen. Waarom? Ik herken de figuren aan de muren, de beelden. Kijk die, o die. Zonder iets te geloven maar toch.

 Ja, ook ik ben doordrenkt met een cultuur van zonde, boete, kruisiging, maar ook van bidden. Ik weet van Job, Noach, de woestijn, Jericho. En denk niet 'wat doe je nou' als een moeder haar volwassen dode zoon op schoot neemt en als zijn bloedmooie vriendin het beb­loe­de kruis omklemt waar hij aan wilde hangen om ons te redden.

 Ik weet, we houden Bach-Christenen over, die als de katholieken sinds mensenheugenis alleen voor het opdragen van de mis even het dorpsplein oversteken van het café naar de kerk. Geloof is voor oude vrouwtjes. Is dat erg? Gerard Reve zou zeggen dat het de kern van de zaak is. Net als de vermaningen voor jong ver­loof­den op goedkope folders met nare illustraties. Juist zij vormen een godsbewijs.

 Wat overblijft is het volgens Fens zo katholieke woordje 'eige­nlijk'. Misschien is het verval ervan wel de kern van ons geloof. In het onder ogen zien ervan ligt begrip bes­loten. 

 Fens had het weinig over de Islam. Toch is het verval van de Islam om ons. Een andersoortig verval, dat wel. Vervallen doe je in stijl. En ons verval is beter dan het hunne! De speech ligt in de winkel. De biografie van Fens ook.

Werkdroger

 Gisteren kwam het zover. Niet dat ik 'een wit houten bord op een paal' heb waargenomen met het opschrift 'WERKDROGER 11, of een tekst van gelijke strekking', maar toch.

 Dit zijn geschikte dagen om de Brief uit Amsterdam van Gerard Reve te herlezen, uit Op weg naar het einde (1963). De brief is gedateerd 2 december 1962, middenin de ijswinter die ik me goed herinner. Gerard keerde, vertelt hij, eerder eens op een ochtend met zijn HMW-brommer terug van het huis van mevrouw Oofi in Blaricum en trof het bord nabij de rijksweg.

 Werkdroger is de eigenaardige naam van een laantje met villa's in de gemeente Laren. Een wit houten bord vond ik dus niet. Het huisnummer 11 evenmin. Na een onder bomen ver­scholen landhuis met het nummer 9 houdt Werkdroger op. Gerard heeft daar een haas of konijn gevonden, met een ingedeukte schedel, kennelijk geraakt door een auto:

 'Ik bind het pluimveelijkje op mijn bagager­ek, en zwenk tevreden de rijksweg op, dankbaar overwegend hoeveel Fraaie Voorwerpen ik in mijn leven al gevonden heb, vooral op vuilnisbakken, en nog steeds, op zijn minst wekelijks, vind: paraplu's; vingerplanten; eetkamerporselein; een drietal ingelijste litho's voorstellende respectievelijk Het net wordt uitgeworpen, Volle manden, en Een Gebed van Dank; een Engelse sleutel; en doos met 288 plastic dameshakjes; vogelkooien van velerlei soort en grootte; een werkbroek van oersterke, stellig buitenlandse stof, waarin slechts de gulpritssluiting behoeft te worden vervangen; een tijdloze - want uit plastic hulst en bessen vervaardigde - kerstkrans; antieke spiegellijsten; glazen, geslepen inktpotten olielampen; Keulse Potten; een achter bol glas ingelijste, gekruisigde Verlosser; diverse mandflessen; een gemakkelijk te repareren stoommachine; zes irrigators; een citer; stroken wit marmer; broekriemen; speelgoedpakhuizen; een onbeschadigde caleidoscoop; een prachtige weekendtas met geen ander gebrek dan een losgeraakte hengsel; een koperen carbidlantaarn. Maar na de vondst van deze morgen mag ik vandaag niets meer verwachten, zeker niet op de grafzerk van Bussum naar Amsterdam.'   

Tags: 

Willem Jan Otten

 Waarom omhelzen mannen elkaar? Soms, zomaar opeens. Maandagavond zag ik Willem Jan Otten, bij de radio. We omhelsden. Niet omdat hij net de P.C.H­ooftprijs had gekregen. Maar om wat we net uitwisselden over lezen. Hij had het ongrijpbare moment benoemd waarop je als lezer 'in een verhaal' komt. Ik noemde Alice Munro. Hij knikte instemmend. Thuis vond ik wie we ook delen: Gerard Reve. Neem dit gedicht uit Ottens 'Afscheid':

 Zo u bestaat

dan moet nog worden uitgezocht

waar u gebleven bent.

 

Soms menen wij dat u bent blijven kleven

op de bodem van een brievenbus.

 

Een brief van u aan u bent u,

wat zeggen wil: u bent uzelve

opgevouwen en geborgen

in een envelop, die dicht gelikt

en dan voorzien van naam,

en van 'in handen' en 'alhier'.

 

Dat u uzelve schrijft

maar mij bezorger heeft gemaakt,

verklaart niet alles maar bedaart mij soms.

 

Het laat mij niet koud,

dat u u zelf hebt toevertrouwd

aan iemand die zijn inhoud

 

zozeer schuwt als ik.

Greonterp

 In de zomers van de jaren '90, toen Gerard Reve aan zijn beton­nen vesting in Frankrijk bouwde belde hij me 's avonds vaak. Hij verveelde zich, Joop kwam meestal niet mee, die sprak geen Frans.

 We leuterden eindeloos, over niks. Celluloid op de fiet­sensturen van vroeger, of de letters SH achter op een driewie­ler. Ik kocht legertentjes voor hem. Eens vertelde ik hem wat ik van m'n vader wist. Voor de oorlog konden officieren in het Nederlandse leger als ze op oefening waren in geval van nood­weer samen een tentje maken van hun beider capes. Ze hadden daarvoor een tentstok in hun bepakking en de capes kon je aan mekaar knopen. Met mekaars lichaamswarmte bleef je warm in het veld. Van dit verhaal kon Gerard geen genoeg krijgen.

 'Vertel nog eens van de officieren en die capes..'.

 Nu is er Reve-nieuws. Teigetje, Woelrat, Hester Witteveen en Grytsje Couperus nodi­gen me uit voor de viering van Mariahemelvaart, ofwel 'de Tenhemelopneming van de Glorievolle en Gezegende Maagd', op het kerkhofje voor 'Huize Het Gras' in Greonterp, op donderdagavond 15 augustus. Ze eren ook, met rode wijn, het leven en werk van Gerard Kornelis Franciscus van het Reve, die in 'Huize Het Gras' woonde en werkte. Ze zullen oa. voorlezen uit de vele nooit gedrukte brieven die hij in 'Huize Het Gras' schreef aan Tijger (de rechten berusten bij Joop).

 Of het 'komt allen' is weet ik niet. Maar het zal wel goed zijn.

 Hun fotoboek Huize Het Gras en vooral 'Ons Leven Met Reve' zijn zeer aan te raden: een goed geschreven andere kijk op Reve.

Tags: 

Pagina's