Haagse zomers

 Een verhaal is goed als er al lezend eigen verhalen bij je opkomen. Dat gebeurde me bij de verhalen en gedichten in het nummer over Haagse zomers en sporten - en nog veel meer - in het nieuwe nummer van het blad Extaze.

 Mijn moeder woonde als meisje - in de jaren '30 - op Kijkduin, in een tijdens de Atlantikwall afgebroken huis aan de Noordwijkselaan, waar je altijd de zee hoorde en insliep bij de lichtbundels van de vuurtoren. Eens regende het op haar verjaardag en kon het bedachte strandfeest niet doorgaan, geen nood mijn grootmoeder organiseerde een strandfeest binnenshuis. De achterkamer werd door hulpvaardige ooms vol duinzand geschept en daarin verrezen forten met vlaggetjes.

 Na de oorlog woonden we wat verderop, bij het eindpunt van lijn twee, waar op warme vakantiedagen de Haagse bleekneusjes aankwamen. Kinderen uit de verre binnenstad die twee aan twee achter vaandelstokken met hun groepsnummer werden aangemarcheerd, zwijgend.

 Haagse zomers. Heel soms de grammofoon van de buren met 'Seven lonely days, make one lonely week'. Verder stilte. Er zijn warme zomers geweest dat ik dagen binnen bleef.

 Heel in de verte de bel van een ijscoman. En touwtjespringende meisjes die een liedje zongen waarvan ik nog maar een regel weet: 'Stille straten daar bij de zee.' Wat rijmde op 'mee'. Ik zie zo'n straat - portiekwoningen - voor me. Die Haagse stilte zit ook in de wonderlijke illustraties die Diederik Gerlach maakte voor deze Extaze. 

Tags: 

Extaze in tennis

 Midden in Roland Garros en vlak voor Wimbledon komt het 'Haa­gse' literair tijdschrift Extaze met een mooi idioot nummer vol zomerse bedrijvigheid: cricket, wielrennen, maar ook tennis.

 In lang vergeten tijden reikten kunst en sport elkaar de hand. Schilderden Delaunay en Seurat wielrenners, beschreef Kafka sportvliegers, speelde Gorter niet alleen voetbal en cricket maar ook tennis. Voorbij. De kunst laat het peloton en het elftal links liggen.

 Extaze roept die tijden terug. Arjen Duinker en ik bezochten de velden van weleer. Het 'tennisballet 'Jeux' van Nijinski - toen de grootste danser - en Debussy (1913) herleeft bij kenner Theo Bollerman. Dansers in tenniskleding in een ballet over flirt en erotiek dat zich afspeelt langs een tennisbaan!

 Een jeu is een 'game', en het spel tussen de seksen is niet zuinig. Nijinski maakte 'bevreemdende handgebaren met de greep van het racket, die waarschijnlijk fallische associaties moesten oproepen.’ Daarbij werd hij geflankeerd door twee tennisspeelsters. Een kritiek van toen: 'Nu eens komt de melodie terug met en bekwame backhand, dan weer wordt het thema aan de forehandkant heen en weer geslagen in volleys en half-volleys. Nu eens wordt het thema afgesneden, dan weer wordt het in de stuit genomen als een gekapte bal.' 

 Muziekcritici van toen wisten van tennis! Stel je voor dat 'Jeux' dezer dagen weer werd opgevoerd?

Dons

 Het nieuwe nummer van het 'Haagse' tijdschrift Extaze is, zo Haags als het maar kan, geheel gewijd aan Couperus (1863-1923), die 150 jaar geleden geboren werd. De man die schreef 'zoo ik ièts ben, ben ik een Hagenaar' is een en al toon en stijl.

 Neem nu het woordje dons, zoals het voorkomt in 'De stille kracht'. Leo Ross laat zien hoe Couperus het heel dat boek door in alle mogelijke verbanden en betekenissen toepast. En al die vormen van dons hebben van doen met de stille kracht, de magie die Indië bezielt. Zo spreekt Couperus van een nacht 'als een dons van fluweel', van 'de donzende nacht' van 'een donzende geluideloosheid' of 'de donzende stilte'. Er ontstaan curieuze werkwoordsvormen in zinnetjes als 'geheim dat zij voelde aandonzen in de nachten'.

 Couperus is woorddronken.

 Er doemt een werkwoord op als 'traptraden', in de zin: 'De koetsier reed langzaam een stijgende weg op. De liquide sawah's traptraden als spiegelterrassen.'

 Ross zegt je hebt traptreden en er is het werkwoord treden. En zo kom je bij de tredende traptreden van Couperus, die in de verleden tijd 'traptraden'. En je begrijpt, zoo hij iets was dan was het taal. 

Bersiaptijd

 Met de gruwelen die Hollanders en Indische Nederlanders in In­donesië zijn overkomen tussen oktober 1945 tot april 1946, in het machtsvacuüm na de Japanse tijd, weten we nog steeds geen raad.

 Er is nauwelijks over geschreven. In deze 'Bersiap-tijd' hebben fanatieke jonge Indonesiërs, de pemoeda's tegen de twintigduizend van hen vermoord, vaak met kapmessen en bamboesperen. 'Getjingtjangd', zoals het heette.

 Hans Vervoort - die in een Japans kamp zat en er zijn broer­tje verloor - schrijft erover in het juist verschenen derde nummer van het tijdschrift Extaze, dat voor een deel over 'oorlog' gaat. Waarom bleef deze episode verzwegen? De geschiedenis kan het niet plaatsen, denkt Hans. Wij Hollanders waren immers 300 jaar lang de koloniale onderdrukkers van een vreedzaam en dociel volk geweest. En dan zo'n orgie van geweld?

 Op 15 augustus as. komt er voor het eerst een documentaire - van Pia van der Molen - op tv.