Erik Lindners sensuele zee

 Werd geboren in Den Haag en weet van de zee. Het eerste deel van zijn nieuwe bundel 'Zog' (zuiging) is een waterstudie zoals ik er nooit een las. Pas na van jongsaf jaren waterstaren raak je zo vertrouwd met de bewegingen van branding, golfslag en tij als Lindner.

 Al lezend hoorde en voelde ik de bewegingen van het zeewater. Ik stak mijn vingers in zand en water en proefde. Erik kan zo goed de sensuele beweging en van opdringen terugtrekken beschrijven, die steeds weer voorspelbaar lijken maar het nooit zijn. De volgende golf komt altijd eerder of later. Wat in de verte komt aanrollen kan zomaar ineen zijgen. Eens ben ik bijna in zee verdronken. De trek, het zog. Er zijn meer elementen in 'Zog'. Nu eerst het zeewater:

 'Boortorens onder de zon

strandpalen die afdalen naar de branding

 

er staat een mannetje op het eind van de zee

die zijn armen als elektriciteitskabels uitstrekt

 

teruglopend water onder nieuwe golven

terugglijdend schuim dat opnieuw wordt voortgestuwd

 

stortstenen met vierkante gaten erin

hoeken in de golven

 

teruglopend water, meertjes achter zandplaten

geulen tussen geribbeld opgedroogd zand

 

algen op de steiger, netslierten als spinrag

 

een smalle ijzeren ladder geklonken in hout

mosselbanken op palen

 

een golf komt op me af

trekt zand met zich mee terug’

Tags: 

Griekse kleur

 Erik LIndner vandaag op Lyrikline. De kleur van de zee bij Piraeus. Bij Homerus - herinner je - is de zee altijd 'wijnkleurig'.  Zoals alle kleurbenoeming in het oude Grieks raadselachtig is.

 De zee is paars bij Piraeus.

Een vlag kruipt uit de klokkentoren
als de wind draait.

Een man stapt over een hond.
Een vrouw wrijft gebogen over haar ooglid.

In een parapluwinkel valt een paraplu van de toonbank.

Op een smalle tak zit een duif 
die erafvalt, fladdert en opnieuw gaat zitten
de bes die te ver op het uiteinde van de twijg hangt
de tak die doorbuigt, de kraag die opbolt als de duif verschuift.

Een meisje stapt in de metro met een bureaula.

Op het dikke zand aan de branding
schuift een visser horizontaal zijn hengel uit
een fiets staat naast hem op de standaard.

Hij staat wijdbeens alsof hij plast.
Vogelpootafdrukken in het zand.
De hengel kromt boven de zee.

Tags: 

Acedia (2)

 Geen betere tijd om nader te komen tot die staat van roerloosheid die Acedia genoemd wordt. De donkere dagen waarin het stil is op straat tot de straatlantaarns aangloeien.

 De dagen van binnenhuisjes zonder mensen, als in de schilderijen van Matthias Weischer, waarin het interieur zich loszingt. Het stilzitten dat vroeger schemeren heette. En nu zondige dadenloosheid is. Waarin niet de mensen maar de dingen van plaats veranderen als je even niet oplet. Naar buiten kijken.

Vanavond presenteert Erik Lindner in Perdu zijn dichtbundel die ernaar vernoemd is. Zo eindigt 'Tijdelijke halte':

 

Het is niet waar

je staat maar

stil voor een ruit

is de plaats haast af

als kwam het beeld door

dat je langskwam.

 

Je moet koud zijn

om iets te tonen

in taal verklaar je

het glas aan de straat

de man en zijn papieren

temperament.

Acedia (1)

 'Er loopt een trap de zee in

een golf slaat over een trede'

 De regels van Erik Lindner komen vaak met z'n tweeën. Ook in z'n nieuwe bundel Acedia, genoemd naar de zevende hoofdzonde, die van wat heet de gemakzucht ‑ traagheid ‑ luiheid ‑ vadsigheid.

 Erik Lindner is uitzonderlijk oplettend, opmerkzaam. Wat hij noteert heeft een eigenaardige eigenschap die alleen hem kenmerkt. Het is het haarscherp onderscheiden van momenten waarop niets overgaat in iets. Of omgekeerd. Aan de rand van de luiheid, daar gebeurt het. Tussen de gebeurtenissen en dan tussen zijn dichtregels:

 'Een plastic zak schuift van een boomtak

 

en daalt op de markt waar een meisje

hurkend het haar borstelt

de sleutelhanger in de mond houdt

de baard van de sleutel prikt haar kin

 

op het podium boeketten in een emmer

 

twee benen naast elkaar, de een

meer opgetrokken dan de ander

 

de zwarte vogel op het grasveld

naast een pol lange donkere sprieten

 

een herder leunt met zijn kin op zijn stok

terwijl de kudde om hem heen dromt.'

 

 Drempels, daar verkeert Erik Lindner. Je zou Acedia een studie in halverwege kunnen noemen. Waar een onbenoembare spanning heerst. Die hij in beelden, in scenes vangt. Caleidoscopische reeksen daarvan, alle verwant. Zo bezien is de stad Charleroi, waarover hij een cyclus maakte een groot halverwege. Wat zou daaraan zondig kunnen zijn? De broeierigheid van de eeuwige aarzeling denk ik. De niet ophoudende verwachting, het verlangen naar het andere. Zonder er toe te komen. Evenwichtskunst.

 Een regel zegt het onverbloemd: 'Getuigen op de drempel we zijn/ de kaars die brandt bij klaarlichte dag'

Tags: 

Naar Whitebridge

 Heet de eerste roman van de dichter Erik Lindner. Wat gebeurt er als een dichter een roman schrijft?

 Een titel als een richtingwijzer. Een reis die begint met een sneeuwstorm waar een jongen doorheen moet op weg naar zijn moeder. Whitebridge blijkt te liggen aan Loch Ness. Een ver­haal dat nooit sterft. De moeder is naar men zegt manisch-depressief en hij krijgt de opdracht op haar pillen-inname te letten, zo jong als hij is. Er is een geheimzinnige Estate, een graaf.. Niets is hier zeker.

 Dit lijken voor de hand liggende ingredi­ënten voor een roman. Maar wat je vervolgens meemaakt is hoe de dichter die stuk voor stuk demonteert en onklaar maakt.

Ceci n'est pas une pipe.

This is not a novel.

 De methode die hij volgt is die van de precisie. Je zou kunnen denken werkelijkheid. Elke werkelijkheid is romanvijandig. De werkelijkheid haat romans. Zeg gerust de dichterlijke werkelijkheid, waarin alles even belangrijk kan zijn. Waarin bijzaken en bijfiguren overstemmen wat de op plot en 'hoe moet dit aflopen' geconditioneerde lezer stiekem toch bezighoudt.

 Je weet nooit wat van belang kan zijn of niet. Zeker niet in dit Schotland, raadselland. Tot je het verlaat.

Tags: 

Groeten in Charleroi

 Erik Lindner maakte zijn Charleroi-gedichten voor een deeltje in de reeks Citybooks over die stad van vijf auteurs dat op 26 april wordt aan­geboden. In Charleroi.

 Een dichter in de stad die door de lezers van de Volkskrant in 2008 als lelijkste ter wereld bestempeld werd. Raadselachtige mensen die lezers, als je weet dat ze toen Almere de lelijkste plek van Nederland vonden.

 Het Charleroi dat Erik Lindner voor je schetst is zo grillig en onver­wacht dat je er niet op uitgekeken raakt, terwijl Almere het omgekeerde lijkt. Hoe te schrijven over Charleroi? Dinsdag vertelt Lindner het in de Avonden. Zijn voorliefde voor het verke­nnen van onbekende plaatsen, zijn topomanie, neemt de vorm aan van een v­lechtwerk, waarin de aaneengegroeide dorpen, weilanden, winkels en bergen sintels vredig tussen metrolijnen, kanalen en fabrieken liggen. Er loopt een vos over een verlaten fabrieksterrein, zoals je het in Detroit zou kunnen zien, waar de natuur ook een oude industriestad herov­ert.

 Twee weken logeerde hij er en schreef in een adem. De cyclus ein­digt met de regel: 'Het wegdek bolt. De mensen groeten je op str­aat.'  Waarmee hij duidelijk maakt dat er zoiets bestaat als een - ondefinieerbare - groetgrens. Waar groet men elkaar? Waar niet? Of niet meer. Of nog? En waarom?

 In de lelijkste stad ter wereld groet men elkaar.

Tags: 

Charleroi

 De serie Citybooks van DeBuren is aangeland bij een Charleroi-project waaraan zes schrijvers en fotografen deelnemen. Waaronder de Nederlandse dichter Erik Lindner (1968) met een nieuwe bundel: Charleroi.

 Charleroi, voor mij het elders nagebouwde decor van de film l’Étoile du Nord, met Simone Signoret, naar Simenon. Nagebouwd, want de gele trams die zich de Sambre-oevers op worstelen zijn er niet meer, al bezit ik een boek vol zwartwitte verzamelaarsfoto's. Later werd een metro-net ontworpen en een beetje uitgevoerd waarvan de resten horen tot de in België fameuze Grands Travaux Inutiles. 

 Charleroi. Een feilloze keus. Eerder een agglomeratie dan een stad. Lintbebouwing tot in de akkers. Ik zocht een historisch centrum maar vond het niet. Gestaakte pogingen alom. Een betegelde vlakte, een fontein die het ook had opgegeven. Allochtoonse middenstand aan het bestaansminimum. Wat op zo'n plaats rest is het station. 

I

Schaduwen van bomen op het koren.

Voor het station een brug met een loszittende trede.

Een jongen skateboardt door een sluitende brillenwinkel.

Kokers onder brievenbussen om een opgerolde krant in te steken.

Een wijnhandel vol dozen.

Onder de brug schijnt gekleurd tl‑licht op het water.

Boven het station rijden auto's op de weg.

Tags: 

Liefde en gereedschap

 De jury van de Herman de Coninckprijs vraagt lezers te kiezen uit gedichten van vijf Vlamingen en ze gaan alle vijf op een moedeloos makende manier over liefde.

 Over jou en mij, over likken, huid, eb en vloed, over schoud­ers, armen, vingers, lokroep en afscheid. Ik ging maar eens wat verderop kijken. En vond toen iets van Erik Lindner, uit 2000. Over gereed­schap, toen al. Tengel en kruiskop, heet het, waarin alles huist wat je maar zou willen. Twee strofen hier:

 

Steek een kruiskop bij je en ga op jacht naar witgoed

de patrijspoort in de deur van een wasmachine

zit met drie schroeven vast

 

het is een kom voor een grote eter

wat grof voor een fruitschaal

te gestroomlijnd voor een soepterrine

 

Dichter, steek een kruiskop bij je.

Tags: 
Jacob Groot, vanavond
Erik Lindner, vanmiddag

Poetry International

Vanmiddag in Rotterdam de presentatie van het nieuwe tijdschrift - dwars tegen de bezuinigingen in - Terras. Erik Lindner en de zijnen, bedachtzaam brutaal.

De Avonden was op Poetry nadrukkelijk aanwezig, op de dag dat de omroepplannen van het kabinet over ons werden uitgestort.
's Avonds in de kleine zaal bracht onder meer Jacob Groot nieuw werk. Die me achteraf wat van z’n teksten gaf. Dit is 'haar benen'.

Ontbrekend lichaam: ik ben je
in je velden als ik je kleren
aantrek om je te ontbloten: ik ken
je niet maar m'n zak ritst
je open & ik timmer je

in m'n kloten op het trillen
van je lippen, flits der schoven, de
shotverlichte, je schudt ze even om het vee
mee in te zepen, in dezelfde greep
gegeven de room van je

bomen, ruim bemeten, het juweel
waaruit je gouden regens, hun zegen, je benen
willen nemen. Totaal verloren
lichaam: ik ader je handwerk noch ik naai je
nader maar ik laat je toch

niet in de steek. Echter ben je zo ver
van m’n bed dat hoe je klaar verbergt je ware aard
me sterkt. Want ik sla je hard: met
het middel: om het doel te killen al
voel je niets
 

Erik Lindner
verse kalklijn, de wat versletene, als geblondeerd haar uitgegroeide zijn het mooist..

Erik Lindner

De titel van z'n nieuwe dichtbundel is 'Terrein'. Een woord dat Haagse taal oproept. Te beginnen met 'terreinknecht'. Zwijgzame heersers over voetbalvelden. Die gingen over netten, ballen en hoekvlaggen. Ze rolden het kalkwagentje dat de lijnen in het gras tekende. Afbakenen.

Ik lig in het gras en bekijk de half witte, half groene sprieten die het strafschopgebied markeren. Voor je 't weet komt er een hele dichtbundel. Wat daarin gebeurt is ook heel Haags.Het waait er. Regels en woorden worden voortgeblazen. En vinden nauwelijks houvast. Een enkele plastic fles stuitert op een stoep. Een fiets valt om. Beetje op z'n Haags uitspreken ook. Heb je dit eenmaal gevonden dan kun je 'Terrein' lezen: 

'(...)

In een parapluwinkel valt een paraplu van de toonbank.

Op een smalle tak zit een duif
die eraf valt, fladdert en opnieuw gaat zitten.
De bes die te ver aan het uiteinde van de twijg hangt.
De tak die doorbuigt, de kraag die opbolt als de duif verschuift.'
 

Tags: 

Pagina's