Achter Evenepoel

 'Een schilder in Parijs' heeft Eric Min zijn levensbeschrijving van Henri Evenepoel (1872-1899) genoemd. Goeie titel want het boek gaat minstens zo veel over de jong gestorven schilder als over de stad Parijs - rond 1900 kunsthoofdstad van de wereld - waar hij werkte.

 Hij verkeerde in de kringen. Zelfs Proust komt voorbij. Maar wat het boek daarbij zo aantrekkelijk maakt is de ver­borgen liefdesgeschiedenis, die je op het omslag al aangekon­digd ziet. Daar staan - op de Place de la Concorde, gefotogra­feerd door Evenepoel - zijn nicht en minnares Louise, met niet alleen haar twee dochtertjes, maar links ook het nakomertje Char­les, waarvan niemand mocht weten dat hij een zoontje van Henri Evenepoel was.

 Weet daarbij dat in de meeste vrouwen die hij schilde­rde Louise herkenbaar is en dat ze - weliswaar getrouwd met neef Michel - tegelijk een verborgen leven leidde met Henri, met vakanties en uitstapjes. 

 Hij schreef haar brieven die duidelijk genoeg zijn. Meteen al is het: 'Je bent de vertrouwelinge van al mijn gedachten, tegelijk mijn moeder en mijn zuster'. Ze verstelt zijn kleren. Geheel vervuld van de liefde en geheimhouding kan hij slechts in bedekte termen naar zijn Brusselse vrienden over haar schrijven.

 Vanaf dan tot zijn dood is Evenepoel een man met een geheim. Waarvan zeker ook zijn vader en geldschieter niet mag weten. Slapeloze nachten. 'Vrienden die mij al een poosje niet meer gezien hebben, vinden dat ik sterk vermagerd ben. Ik zie er blijkbaar uitgeput uit.'

 In zijn laatste levensjaar heeft hij opeens groot succes als schilder. Maar bij de begrafenis zijn Louise en zijn zoontje Charles onzichtbaar.

 Charles en zijn echtgenote liggen begraven in Waals-Brabant. Eric Min was er. Naast hun graf is nog een steen, met alleen initialen erop. Daar ligt Louise (1869-1941). Geheim tot in het graf.

ps. Maurice Woestenburg maakt me erop attent dat het vandaag precies tien jaar geleden is dat ik met Avondlog begon. 

Brussel

 Volgende week verschijnt Terras met een nummer over, jawel Brussel. Niet over wat we intussen weten. Maar over de stad, over steden, de poëzie erachter. Labyrinten gemaakt om je te verschuilen. Met een lange traditie als uitwijkplaats van vooral Parijzenaars. Van Baudelaire tot Multatuli. Lees De eeuw van Brussel van Eric Min.

 Wat er precies omgaat zul je als buitenstaander nooit weten. De verborgen stad. Dat begint met de onderaardse rivier de Zenne, die rond 1870 overhuifd werd omdat hij stonk en de nieuwe tijd aandrong. Er zijn schilderijen van Jean-Baptiste van Moer waarop het nog een klein Venetië lijkt.

 Het water van de Zenne is het enige waarmee je Kriekenlambiek kunt brouwen, het kersenbier waarnaar Willy Vandersteen zijn held noemde. Liefst van de Schaarbeekse kriek, een zure kers.

 Nog is de loop van de Zenne bovengronds te volgen. Vol eilandjes zoals bij de Beurs. Het plaveisel in de straatjes gaat op en neer.

 Er wordt in Brussel altijd onbegrijpelijk gebroken en gebouwd, soms met intervallen van jaren ruïneus verval. De pastoor van de St. Catherine legde het me uit: dat zijn de immobiliën, die regeren hier.

 Mijn Brussel begon achter het Noordstation, waar ik weerkeerde in het Hotel des Colonies in de Kruisvaartenstraat, Rue des Croisades. Art-déco, overgebleven tussen de afbraak. Het Colonies - nu onherstelbaar verbouwd - was een juweel van gipsdecoratie, glas en lood en spiegels met een monumentale lift en historische schoenpoetsmachines. Gebouwd voor de kolonialen die uit de Congo aankwamen. Van daaruit verkende ik ook het wat saaie Molenbeek.

 De vaste portier in het blauwe jasje vond na een paar keer dat ik teveel betaalde. Hij kon me 'op een lijst zetten', dat scheelde de helft. Ik kon kiezen, de OTAN, de EEG, de UNICEF. Ik koos de NATO. Voortaan belde ik, noemde mijn naam en zei 'OTAN, je suis sur la liste'.

De Intocht van Christus in Brussel

 Van James Ensor (1889). Daar zit het allemaal in. Heel 'De eeuw van Brussel (1850-1914)' zoals beschreven door Eric Min samengevat in een enkel schilderij.

 Christus is er wel, maar toch hooguit als bijfiguur, een dorps­gek op een ezeltje. Waar het werkelijk om gaat is de menigte, 'la foule'. Wat doen menigten? Ze trekken op. Liefst met banieren en spandoeken. De optocht als doel in zichzelf, daar gaat het om. En dat wel gezien op een van de in grootse Parijse stijl aangelegde nieuwe boulevards.

 Min - ook schrijver van een Ensor-biografie - vertelde me dat James Ensor later verscheidene van die teksten heeft overgeschilderd. Waarom? Hij was eigenlijk tegen alles en iedereen, de kerk, het koningshuis, het kapitaal, zichzelf. Toch liet hij 'la sociale' staan.

 Ensor heeft het reuzendoek veertig jaar op zijn Oostendse zolderruimte gekoesterd. Het kon er zelfs niet rechtop staan. Pas in 1929 wordt het naar beneden getakeld en op een vrachtauto naar Brussel gebracht.  

 Ensor poseerde graag als de artiste maudit, zegt Eric Min. Hij is het toch die daar als verlosser - met een valse baard - de ondankbare grote stad binnenrijdt op 'n ezeltje, en door de massa verzwolgen wordt. Carnaval, een politieke betoging, een processie, het komt alles op het zelfde neer.

 

De eeuw van Brussel (2)

 Nog 'n voorschotje uit 'De eeuw van Brussel (1850-1914)' van Eric Min, het hoofdstuk ‘Charles Baudelaire, hoofdstadsmens op de dool’. De Parijse flaneur vluchtte in 1864 berooid naar Brussel:

 "Ik loop er helemaal doorheen en tel tweehonderdvijftig van mijn eigen spaarzame, afgemeten stappen - en als ik zo tweeduizend passen heb gezet, keer ik terug naar het Hôtel du Grand Miroir. Dat is de enige lichaamsbeweging die ik neem; ik ben nog nooit naar het Park gegaan. Aan u om te oordelen of dat geschikt is als ontspanning voor mijn lijf en mijn hoofd. De dokter van het hotel heeft mij wandelingen in de openlucht voorgeschreven."

 Plaats van handeling: de Sint‑Hubertuspassage, hartje Brussel. Aan het woord is Charles Baudelaire, de Franse dichter en kunstcriticus die zijn vrijwillige ballingschap in België doorbrengt. Drieënveertig jaar is hij nu. Zo kijkt hij ons aan op de foto: een gebeeldhouwde kop met oplichtende ogen en een verbeten trek om de mond, boven een sleetse zwarte overjas waaruit een onberispelijk witte kraag en manchetten steken - schoon linnengoed is zijn laatste luxe. Baudelaires jonge bewonderaar Georges Barral, die als een schaduw in zijn voetsporen loopt, noteert elk woord dat de grote schrijver die vrijdag 30 september 1864 uit zijn keel laat rollen. Na de lunch heeft Barral hem opgezocht in zijn hotel op nummer 28 van de Bergstraat, tussen de Grote Markt en de kathedraal. De heren zullen een wandeling maken en slaan linksaf, de Beenhouwersstraat in. Daar wijst Baudelaire zijn kapper aan.

 De Almanach du Commerce et de l'Industrie leert ons dat de man die hij zwierig zijn figaro noemt, eigenlijk C.Stumpers heet. De berooide dichter komt er almaar minder over de vloer en laat zijn lange grijze lokken over de kraag van zijn jas golven."

De eeuw van Brussel (1)

 De eeuw van Brussel, biografie van een wereldstad (1850-1914) heet het nieuwe boek van Eric Min, die eerder al een biografie van de schilder Rik Wouters schreef. Binnenkort - het verschijnt half november - praat Min in de Avonden over zijn stadsportret. Nu alvast hoe J-K.Huysmans er verbleef: 

 "Na zijn verblijf in het hotel huurt hij een gemeubileerde kamer op de Warmoesberg, vlak bij de Sint‑Hubertusgalerij. De naam van zijn hospita, weduwe Débonnaire, spaart hij op voor een personage in een volgende roman. Met het povere interieur van zijn logement kan hij weinig literairs aanvangen:

  'Gaan slapen is treurig. De kamer: een plankenvloer, vier muren met bloemetjesbehang in ruitenpatroon, een deur en een schuifraam. Als versiering een portret van wijlen koning Leopold I en zijn vrouw - zijn 'madame', zoals de Brusselaars zeggen. Op de schoorsteenmantel: een spiegel in een zwarte lijst met gouden biesjes. Op het marmeren blad ligt een afzichtelijk garnituur van rood fluweel met geborduurde schelpen. Handdoeken als lakens, en een gigantisch hoofdkussen dat tot midden het bed reikt. Je strekt je uit, en de volgende ochtend lig je zo goed als bloot op de matras, met het beddengoed opgerold onder je lijf.'

 Een wereld van verschil is het, deze Brusselse 'reis rond mijn kamer'. Geen interieur staat verder af van de opulente appartementen die Huysmans zal inrichten voor Des Esseintes, de excentrieke held van zijn roman á rebours."

 

Tags: 

Bohème

 Vanmiddag bij de piekfijne tentoonstelling in Mechelen vloeiden de verhalen ineen. De koppen die Rik Wouters van Nel, hemzelf en z'n vriend Edgard Tytgat maakte raakten aan de praat met Nescio's Japi en Bavink. Van de Jan Steenzolder vloog ik naar de Bezemhoek, alles tegen 1910.

 Lezend in de Wouters-biografie van Eric Min (2011) zit ik in Nescio's Buiten-Ij, waar Lien ('uil!') de jongens voordoet hoe je een vet bord afwast. Nel, 'het velours madammeke' is een levende Lien die het huis­houden, eten en drinken van de vele langskomers bestiert: 'Onze vrienden zijn zo arm als wij. Iedereen brengt iets mee: een half pakje koffie of suiker, wat thee.' Stoken doen ze van sprokkelhout uit het Zoniënwoud.

 De discussies over kunst duren vaak tot 's nachts: 'Rik zit dan op de rug van zijn stoel als op een tribune in het parlement, met zijn voeten in dikke grijze sokken op de zitting en zijn klompen eronder.' De laatste tram is al lang weg en het is twee uur lopen naar de stad. De buurt ziet ze eerst aan voor terroristen of een religieuze sekte. De gelijkenis met Nescio gaat verder: Bij het naburige Sint-Pieters Woluwe ontstaat in 1905 een kleine anarchistische kolonie die zich later verplaatst naar de Bezemhoek. En een Uitvreter is er ook, Emile De Mets, die op de canapé blijft slapen en de volgende ochtend het brood blijkt te hebben opgegeten, getuige zijn briefje 'Het heeft gesmaakt'.

 Morgen in de Avonden meer.