De wraak van Raskar-Kapak

 De Inca-mummie Raskar Kapak uit Kuifje en de Zeven Kristallen Bollen en het vervolg De Zonnetempel (1946-1948) achtervolgde me. Wat ik niet wist reikt Henk Beentje me aan. Het verhaal van de laatste Incakoning. Zoals in 1959 opgerakeld in een BRT-jeugdserie, waar hij Manko Kapak heet.

 Bij Hergé wordt zijn graf ontdekt door de Sanders‑Hardmuth expeditie, waaraan ook professor Zonnebloem deelneemt. Zij vinden de schat van Raskar-Kapak.

 Dan volgt de wraak van de Inca 'hij‑die-het‑vuur‑van‑de‑hemel‑ontketent'. De ontdekkers worden getroffen door een geheimzinnige ziekte. Zijn mummie wordt bewaard door Hippolytus Bergamot maar komt 's nachts tot leven als hij kristallen bollen met een magisch gas erin gooit naar de geleerde grafschenners.

 In De Zon­netempel blijkt dat Zonnebloem moet sterven omdat hij zijn armband van Raskar Kapak draagt. Hij wordt ontvoerd naar Peru door de laatste Inca-sekte.

 De namen van de expeditie zijn vintage Hergé: Anton Sanders (1908‑1961), Hippolyte Bergamot (1893‑1955), vriend van Zonnebloem, Jacques Clairmont (1905‑1968), Felix Cantonneau (1898‑1948), Marc Charlet (1900‑1999), Armand Laubepin (1898‑1953) en Bruce Hornet (1893‑1983). We treffen ze, geslagen door waanzin in een kliniek, elke dag op het zelfde uur.

 Dan komen Haddock en Kuifje bij de Zonnetempel waar Zonnebloem moet sterven. Tot Kuifje een zonsverduistering voorspelt en daarmee de Inca's overtroeft. Vreemd, de Inca's wisten alles van zonnestanden, maar dat wist Hergé ook wel. Haddocks confrontaties met de spuwende lama's blijven onvergetelijk. 

 Waar bleven de ontdekkingsreizen? Het Meten van de Wereld van Daniel Kehlmann was een laatste eerbetoon. Blijft over Peter Kuipers Munnike op een gesmolten Noordpool.

Duits lachen

 Duitse humor zonder moralisme komt voor, steeds vaker, zoals in de boeken van Daniel Kehlmann, Timur Vermes van Er ist wieder da of Wolfgang Herrndorf. Dat lucht op. Maar in films maar spaarzaam. De veelgeprezen film Toni Erdmann is weer al te klassiek.

 Vader en dochter. Vader is een mallerd, de dochter een al te serieus carrieremeisje, dat in Boekarest voor haar olie-firma wegen baant. Zoekgeraakt in de dure zakenwereld van shopping malls, vliegtuigen, vergaderzaaltjes. Tot vader daar opduikt. Waarom? Het blijkt, eerste ernstige moment, dat hij zich zorgen over haar maakt. Is ze wel gelukkig?

 Dan gaat hij in allerlei vermommingen met practical jokes haar ernstige zakenleven verstoren. Vaak als de Duitse nep-Ambassadeur Toni Erdmann. En zij moet hem inschikken. Achter me in de zaal kwamen enkele dames niet meer bij.

 Deze Winfried, type oude hippie, vermoeit al snel met zijn grollen en de weerkerende vraag 'ben je wel gelukkig'. De dochter, gespeeld door Sandra Hüller, redt de film

 Knap aangekleed, haar geloof in de zakenwereld overtuigt, de kleren, de interieurs, de partijtjes, de seks. En haar geloofsafval.

 Maar het moralisme sluipt er al snel in. Een vader als klini-clown, dat wil er bij mij echt niet in.

 Wat er bij regisseuse Maren Ade uit rolt is dan ook een 'zo vader zo dochter' als ook dochter zichzelf im letzten Ende in de maling neemt. Helaas een happy end.

Daniel Kehlmann rijdt auto

 In ‘Du hättest gehen sollen', de nieuwe Daniel Kehlmann, waarover hij met Jeroen van Kan kwam praten - gelukkig in het Duits - blinkt Kehlmann weer uit in terzijdes. Een ervan is autorijden. Iets dat voor hem helemaal niet van zelf spreekt.

 Zou hij wel een rijbewijs hebben? Of het pas op latere leeftijd hebben geleerd? Sinds ik zelf gisteren mijn linker buitenspiegel mis, waardoor ik steeds een gat zie waar wat achter me ligt zou moeten zijn, spreekt rijden ook voor mij niet van zelf. Het hecht zich aan andere fouten, een nietgeziene fietser. Routine verbergt angst. Tot er iets tussenkomt. Ik vertaal:

 'Bijna iedereen houdt zich voor een goede chauffeur. Maar ik niet. Ik ben onhandig en afwezig en heb langzame reflexen. Zelfs onder de gunstigste omstandigheden heb ik bij iedere rit het gevoel me in iets waaghalzigs te storten. Het is dus niet verbazend als me op een smalle haarspeldenweg paniek overvalt.'

 'Het zit toch zo: Je moet compleet fantasieloos zijn om onbevreesd in een met brandstof gevulde capsule te gaan zitten Net sta je nog stevig in het gewone dagelijks leven en denkt aan het avondeten en je belastingaangifte, een moment daarna zit je ingeklemd in vervormd metaal, terwijl de vlammen je aanvreten, en tussen de ene en de andere toestand ligt maar een verkeerde draai aan het stuur, een halve seconde ontbrekend opletten.' 

Boekenkast

'Terwijl ik dit tik verandert Kees een kleerkast in een boekenkast. In mijn alkoof. De zoveelste tijdelijke oplossing voor het boeken opbergen. De volgende vraag zal zijn hoe.

 Nu al zie ik dat heel het huis hierdoor verandert, het licht onbekende plaatsen bereikt. Ik zal straks onthand wakker worden.

 Landmeters met driepoten in gele jeks aan de straatoverkant meten en noteren voor de Noord-Zuidlijn. Straks krijgt Kafka's landmeter K. in Das Schloss zijn nieuwe plaats. Een schrijver is een landmeter. Eigenlijk zou Kehlmanns die Vermessung der Welt er straks naast moeten staan. Omdat dit stukje nu naast dat boek hoort.

 Met Rudy Kousbroek heb ik eens de boekenordening uitputtend besproken. Hij schreef er over in 'Een kuil om snikkend in te vallen' (1971). Zijn uitgangspunt was het geheugen. Hij zei 'Ik zoek een boek op de plaats waar ik het het laatst in handen heb gehad, voor een krantenstuk. Het gevolg van opruimen is altijd verhoogde onvindbaarheid, omdat je je steeds eerdere opbergplaatsen herinnert.’ En zo lag zijn huis vol samenhangende stapeltjes boeken en documenten die niet van plaats veranderd mochten worden. Natuurlijke groei. Laten aanslibben.

 Kees doet het in z'n bus, die nu voor de deur staat, net zo. Al zijn gereedschap is terug te vinden op de plaats waar hij het het laatst neerlegde.

 Niet ordenen dus, straks, op taal of op onderwerp ofzo. Wat op de grond of op tafel ligt kan zo de kast in.

 Nog even bekijken dan. Ah, het Spookluchtschip. Naast Kehlmann dus.

 

Ik en Kaminski

 Deze week ging in Duitsland de speelfilm 'Ich und Kaminski' in première, naar de roman van Daniel - Het meten van de wereld - Kehlmann. Geregisseerd door Wolfgang Becker, bekend van 'Goodbye Lenin!'. Wanneer en of die film hier komt is onbekend.

 Een ideaal verhaal. Ook de goede titel. De stokoude Kaminski is een wereldberoemd schilder, was bevriend met Matisse, maar nu bijna blind en dement, zij het met heldere momenten. Ik-figuur is de jonge kunstluis Sebastian Zöllner die per se zijn biografie wil schrijven en daarmee scoren.

 De biograaf en zijn slachtoffer, lijkt het. De twee ontsn­appen aan de bewaking van familie annex verzorging, en dan begint een radeloze rondrit door Duitsland op zoek naar, ja wat? Materiaal? De ronduit onsympathieke carrièremaker en de beroemdheid komen nader tot elkaar. Ambitie, carrière, wie bedondert wie? Het verhaal wordt heel geestig en Zöllner afdoende gestraft.

 Over kunst gaat het tussenbeide ook. Ze zitten in een restaurant en Kaminski ligt overhoop met het perspectief. Dat hij omschrijft als: 'Een techniek van abstractie, een conventie uit de vijftiende eeuw, waar we aan gewend zijn geraakt. Het licht moet door heel veel lenzen voor we een beeld voor realistisch houden. De werkelijkheid heeft er nog nooit als een foto uitgezien.'

 Zöllner heeft honger, alleen een vettig slaatje gegeten. Kaminski's dochter is ze op het spoor.

 'De werkelijkheid doet zich met elke blik, elke seconde anders voor,' orakelt Kaminski. 'Het perspectief is een verzameling regels om deze chaos op de een of andere manier in het vlak te zetten. Niet minder, niet meer.'

 Kaminski wil voor hij sterft naar het strand, waar hij heel zijn leven nog nooit is geweest. Daar komen ze tenslotte. De schilder zit aan de waterlijn in het zand en Zöllner gooit zijn cassetterecorder met onbegrijpelijke opnamen in de branding.

 Op dat slot verheug ik me. Misschien moet ik ervoor naar Keulen. De film naar 'Het meten van de wereld' kwam hier ook nooit. 

Liefde

 Magic in the moonlight, de laatste Woody Allen, is een essay van een 78-jarige over man en vrouw, vernuft en emotie, de strijd der seksen, over lief­de. 

 En heus niet gevoel tegenover verstand, eerder wat ten langen leste blijkt.. hoe de vrouw altijd nog een dea ex machina bewaart, die van buiten het spel komt.

 De vrouw wint genadeloos. Ze overtroeft de cynische illusionist die haar spiritistische gaven doorziet. Haar troef is geen trucage meer, maar dat waar geen man van terug heeft, ernst, liefde, overgave.

 En hij heeft nog wel een tante die als een godin over hem waakt. Dit alles in een gedroomd jaren '20-Europa van kuuroorden, villa's en casino's, waar liefde ongrijpbaar blijkt. Tot ze je onverhoeds - hem zo goed als haar - overmees­tert. En dan blijkt 'het bestaat'.

 Magic betekent in het Engels zowel goochelen als magie. Het was Daniel Kehlmann die in zijn gewaagde roman Beerholm's Vorstellung over een meestermagiër al langs deze grenzen liep. Wie heeft bij momenten niet gedacht 'dat er meer is dan er is'? Woody Allen komt uit bij liefde, als een kwaal die je onder de leden kri­jgt, en die het ongelijk van alle cynici bewijst, alle rationalisten. Allen zegt: heb je geluk geef je dan maar gewon­nen, er is geen kruid tegen gewassen en het zijn de vrouwen die aan de touwtjes trekken. 

 De ontvangst van Magic in the moonlight was fiftyfifty. Een jongere recensente vond het een niemendalletje.

Hypnose?

 De schrijver komt later dan gezegd, half oktober, naar Nederland. Dan zal ook de vertaling van zijn nieuwe roman 'F' er zijn. Kehlmann drijft veel en graag op de spits. Vooral de kunst en het kunstenaarschap. 

 'F', een ongewoon sprookje, dat zou kunnen beginnen met de regel: 'Er was een vader. Hij had drie zonen.' Heel het boek door kom je de verstrekkende gevolgen tegen van de voorstelling van een hyperbegaafde hyp­notiseur, die het viertal in het eerste hoofdstuk meemaakt.

 Zoon Iwan heeft zich in de schilderkunst begeven. Hij is degeen die op latere leeftijd met de hyp­notiseur gaat eten, en dan vraagt: 'Hypnose is kunst?'

 'Misschien wel meer dan dat. Misschien bereikt ze steeds al wat de kunst in het begin wilde bereiken. Alle grote literatuur, alle muziek, alle...'.  Hij giechelde. 'Alle schilderkunst wil toch hypnotisch werken, nietwaar.' Hij schoof zijn bord weg. Hij moest nu gaan slapen, optredens waren inspannend, daarna viel je om van moeheid. Hij stond op en legde me zijn hand op de schouder. 'Schilder?'

'Wat?' Zijn gezichtsuitdrukking had zich veranderd, er zat niets tegemoetkomends meer in. 'Schilder - werkelijk?'

'Ik begrijp u niet?' 'Doet er ook niet toe. Is niet belangrijk. Maar meent u dat in ernst? Schilder?'

 Deze intense spot en scepsis zal Iwan tot in heldere dromen blijven achtervolgen.

Kehlmanns hypnose

 Op pagina 264 aangekomen heb ik me steeds verder in de nesten gewerkt. Net als de schrijver. Komt hij ooit nog los uit het kluwen waarin hij zichzelf en zijn personages heeft verstrikt? De naam Houdini is al gevallen.

 Weg met de psychologische roman, is mijn wens. Nooit meer - om met Ischa Meijer te spreken - 'pappie, mammie hoe was het vroeger thuis'. Kehlmann is Freud voorbij, maar waar komt hij uit, in zijn nieuwe roman 'F'? Met een onzichtbare vader en drie zonen, de een al verwarder en onbetrouwbaarder dan de ander? Bij de katholieke kerk, bij een zwendelaar en nu zoon Eric, de kunsthandelaar die uit eten gaat met de meester-hypnotiseur wiens voorstelling het boek aan het rollen bracht. De lezer vermoedt dat ze daar alle vier iets van hebben opgelopen. Hypnose, goochelen, aan de grens van toveren, daarover ging Kehlmanns benauwende debuut Beerholms Vorstellung ook al. Kan een hypnotiseur mensen tot iets brengen dat ze niet willen, vraagt Eric?

 'Hij haalde zijn schouders op. Onder ons gezegd, wat betekende dat eigenlijk, iets willen of niet. Wie weet eigenlijk wat hij wil, wie is met zichzelf in het reine? Men wil zo veel, en elk moment weer wat anders. Natuurlijk zeg je aan het begin tegen de toeschouwers dat niemand tot iets gebracht kan worden wat hij niet wil, maar de waarheid is: iedereen is tot alles in staat. De mens staat open, is een chaos zonder grenzen of vaste vorm. Hij keek om zich heen. Waarom in 's hemelsnaam deed die taart er zo lang over. Die hoefde toch niet eerst gebakken te worden.'

Daniel Kehlmann's 'F' (3)

 Ik lees Kehlmann. Een pastoor vraagt een oude vriend van het seminarie die het heeft geschopt tot 'plaatsvervangend hoofdredacteur' van Radio Vaticaan zomaar opeens of hij in God gelooft.

 'Je vraagt de plaatsvervangend hoofdredacteur van Radio Va­ticaan of hij in God gelooft?'

 'Ja.'

 'In ernst?'

 'Nee. Maar als ik het je in ernst vroeg, wat zou je zeggen?'

 'Ik zou zeggen, zo kun je die vraag niet stellen.'

 'Waarom?'

 'God is een zichzelf realiserend begrip, een causa sui, omdat hij denkbaar is. Ik kan hem denken, en omdat hij denkbaar is, moet hij wel bestaan, al het andere zou daarmee in tegenspraak zijn, dus weet ik dat hij ook dan bestaat als ik niet in hem geloof. En daarom geloof ik.'

 Of hij Jezuiet is staat er niet bij. Ik heb me altijd afgevraagd hoeveel kerkfunctionarissen door de eeuwen werkelijk geloofden. Heel weinigen, vermoed ik. Maar in bepaalde omgevingen is de geest tot veel in staat. Her­mans' De God Denkbaar en Gerard Reve wandelen ook voorbij.

 Ik lees verder.

Daniel Kehlmann's 'F' (2)

 Wat maakt dat ik boeken van Daniel Kehlmann opeet? Werd me gevraagd. Nu ben ik halverwege het nieuwe 'F'.

 Kehlmanns verteller tast als gewoonlijk in het duister van het verhaal, zijn hoofdfig­uren net zo. Roman na roman. Een lucide tasten.

 Waar ik nu lees is een van de jongens uit het begin opgegroeid tot een katholieke pries­ter. Een erg dikke priester, in ernst. Kehlm­ann maakt zich nergens van af. Eerst neemt hij de biecht af van een getrouwde man met vele vriendinnen, onkuisheid: 'Ik heb een vrouw en een vrien­din, ze weten het van elkaar, maar ze weten niet van mijn tweede vriendin, die wel van hun al­lebei weet. Dan heb ik nog een derde vrien­din, van wie ze geen van allen weten. Zij weet van de andere ook niks, ze denkt dat ik alleen woon.' De pastoor zucht. 'Vreselijk, eerwaarde, ze bellen steeds op.'

 De volgende biechter is een alcoholist. Die merkt dat de pastoor in de biechtstoel een candybar zit te eten. 'Eet u daar wat, eerwaarde?' 'Nee. Probeert u twee dagen niet te drinken. Dat is een begin. Dan komt u terug.'

 'Twee dagen, dat kan ik niet.' 'Dan kan ik u geen absolutie geven.' 

 En dan: 'De eerste hap was heerlijk. De brekende chocolade, het fijne prikkelen van de kokos. Maar dan merk je het al: te vet, en veel te zoet. Zo is het met meeste dingen. Jezus zag dat over het hoofd, Buddha lette beter op. Niets is ooit genoeg. Alles is ontoereikend, en je komt er toch niet vanaf.'

'U eet!'

Pagina's